Uit de jeugdzorg | Not done

COLUMN - ‘Het heeft niets met jou te maken, maar ik vertrouw niemand meer. Daarom: houd altijd de slaapkamerdeur op een kier als je één van de kinderen voorleest. En doe de douchedeur niet op slot als je de jongsten aan het douchen bent.’

Dat waren zo ongeveer de eerste woorden van mijn collega Ben tijdens mijn allereerste stagedag. Diezelfde week deed de rechter uitspraak over Bens oud-collega Niels. De rechter oordeelde dat hij zich schuldig had gemaakt aan misbruik van twee cliënten die waren toevertrouwd aan de stichting waar hij op dat moment werkte.

Ben en Niels waren maatjes. Niet alleen op het werk, ook erbuiten. Als er iemand was te vertrouwen, was Niels het wel. Dacht Ben. Tot hij de naam van Niels H. op het nieuws hoorde. En een foto erbij zag. Met een balkje over zijn ogen.

Ineens ging Ben twijfelen aan alles dat hij ooit van zijn vriend hoorde. De redenen die Niels aangaf om kinderen op zijn slaapkamer toe te laten klonken plausibel. Inderdaad, klónken. Nu vond Ben niet één verhaal meer geloofwaardig.

Dit geval speelde jaren geleden. Maar het rapport van de Commissie Samson, compensatie voor misbruikslachtoffers en andere gevallen van seksueel misbruik zijn helaas allemaal onderwerpen die nog regelmatig in het nieuws zijn.

Binnen de jeugdzorg kunnen al snel verdachte situaties ontstaan. Daarom is het not done als een pedagogisch medewerker kinderen tijdens een slaapdienst op de slaapkamer laat komen. Hetzelfde geldt voor een mannelijke collega die ‘s nachts de kamerdeur van een vijftienjarig meisje opendoet als ze slaapt. En een invalkracht die de rug van een twaalfjarig meisje afdroogt of haar broek vastmaakt is ook niet zoals het hoort.

Maar wat doe je als een jongetje van acht trillend aan je slaapkamerdeur staat omdat hij een nachtmerrie heeft? Laten staan tot je goed en wel wakker bent om hem vervolgens op de gang te troosten?

En dat vijftienjarige meisje? Uiteraard doe je niet zomaar haar slaapkamerdeur open. Maar wat als datzelfde meisje er al een paar keer ‘s nachts stiekem vandoor is gegaan? Onder druk gezet door een tien jaar ouder fout vriendje dat haar dwong naar zijn huis te komen? Om vervolgens dáár te worden misbruikt. Die wil je toch beschermen? Je wilt toch om het hoekje kijken of ze veilig in haar bed ligt? En meteen actie ondernemen als die berg onder haar dekens een stapel kussens blijkt te zijn?

En dan dat meisje van twaalf. Moet die invalkracht haar met een natte rug laten rondlopen, omdat ze zich niet zelf kan afdrogen vanwege een gebroken arm? En moet dat kind met een open broek naar buiten omdat ze zelf haar rits niet dicht kan maken?

Natuurlijk, er moeten protocollen zijn. Je moet richtlijnen hebben waar je je als jeugdzorgwerker aan houdt. En waar collega’s elkaar op kunnen controleren. Je moet verantwoording af kunnen leggen voor de dingen die je doet.

Maar het blind volgen van protocollen is niet altijd passend. Daarnaast: heeft niet ieder kind behoefte aan (en recht op!) veiligheid én genegenheid, óók in de vorm van lichamelijk contact? Op een knuffel, op even flink stoeien en op lekker op de bank tegen elkaar aan hangen tijdens het tv-kijken? Zoals je met je eigen kinderen ook doet, omdat je weet hoe belangrijk dat is.

Er zijn boeken vol geschreven over schade die je oploopt als je dat als kind mist. Dat noemen ze verwaarlozing. En dát is toch juist wat we níet willen?

Hoe ver moet je gaan om kinderen die aan de zorg van Bureau Jeugdzorg toevertrouwd worden te beschermen tegen kwaadwillende collega’s?

Wie het weet, mag het zeggen.

Alle namen zijn gefingeerd.

Roselinde van Berkel is pedagogisch medewerker bij TriviumLindenhof, een jeugdzorginstelling in Zuid-Holland. Ze is auteur van het boek Sannah! en schrijft voor Sargasso over de jeugdzorgpraktijk van binnenuit.

  1. 1

    De slotzin doet het hem. Niemand kan de grens leggen die voor alle gevallen werkt. Achteraf afgeven op kindermisbruikers is makkelijk. Vooraf de goede van de kwade onderscheiden is moeilijk…

  2. 2

    Wanneer er bij de medewerkers binnen één team, zonder uitzonderingen, een gevoel van openheid, veiligheid en eerlijkheid is gecreëerd en daar ook veel in wordt geïnvesteerd. Zou het mogelijk kunnen, om bewoners van een instelling bijvoorbeeld te knuffelen. In plaats daarvan zie ik dat er door de mediaberichten andere prioriteiten van het management het tegenovergestelde gebeurt. Binnen een sfeer van onzekerheid, dubbele agenda’s en politieke acties. Wordt het knuffelen van een bewoner al snel verdacht en komen kortzichtige, paranoia uitdrukkingen, waar rook is, is vuur, boven drijven.

  3. 3

    De paranoia is er al op kleinere schaal.

    Toen mijn kinderen klein waren kwamen er regelmatig kinderen spelen. Jongens en meisjes. En kinderen moeten poepen en plassen. En dan riepen ze dat hun billen moesten worden geveegd. En natuurlijk deed ik dat. Een vriend van me vroeg toen wat ik zou antwoorden als een jongetje of meisje dit thuis zou vertellen, en een bezorgde ouder zou doorvragen. Voor je het weet staat de politie voor de deur met vragen over je gedrag tov kinderen en krijg je het stempel pedo mee. Waar rook is is vuur.

    Ik ben wat voorzichtiger geworden, en vraag kinderen maar thuis te poepen. Het is erg, maar wel beter voor mijn reputatie.