Het CPB, frames en modellen (2)

OPINIE - In Deel 1 werd er gekeken naar de misverstanden die zijn ontstaan na de presentatie van het CPB-rapport De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid In dat rapport werd onderzoek gedaan naar de effecten van enkele fiscale maatregelen op de arbeidsparticipatie. NRC Q, die er het snelste bij was, duidde de bevindingen alsof het zou gaan om werkgelegenheid. Als ‘eerste berichter’ hadden ze een invloed op de toonzetting in latere nieuwsberichten en reacties. Zo ook op Sargasso.

Het misverstand waar er eigenlijk over werd bericht, zou inmiddels uit de wereld moeten zijn geholpen, waardoor er met een frisse blik naar de bevindingen van het CPB kan worden gekeken. Die bevindingen – wat betreft de arbeidsparticipatie bij een vaststaande vraag naar arbeid – zeggen hoogstens hoeveel mensen van de niet-beroepsbevolking naar de werkloze beroepsbevolking overgaan – of vice versa.

Je zou dus inderdaad de werkloosheid op 0% kunnen krijgen, als je de werklozen zozeer ontmoedigt dat ze niet meer willen werken. Sterker nog, dat is volgens mij precies wat de berekening (zie de tabel hieronder) met betrekking tot het basisinkomen doet: de noodzaak tot competitie om een baan is weg, en alle banen zijn al vervuld.

Hieronder weergegeven is tabel 2 uit het CPB-rapport. De procentuele mutaties zijn over aantallen, die verder (vaak) niet genoemd worden in het rapport. Alleen over de totale arbeidsparticipatie wordt gezegd dat het om 6,9 miljoen fte gaat, waarvan de voorgestelde ‘100.000 meer banen’ zou gaan om een toename van 1,4% – als de toegenomen werkgelegenheid in de pas loopt met de toegenomen bruto arbeidsparticipatie.

De Gini-coëfficiënt kan ook worden aangegeven in procenten, maar bij een procentuele mutatie mag verwacht worden dat het om een procentuele verandering over een aantal procent gaat. Anders zou men spreken over een mutatie in procentpunten.

Tabel2CPB

De -5,33% mutatie in de arbeidsparticipatie bij dit scenario voor een basisinkomen komt – zo meen ik – precies overeen met bijna alle werklozen (die eerst wél wilden werken) die overgaan naar de niet-beroepsbevolking (die niet meer willen werken). Beide groepen zijn niet werkzaam.

Niet alleen is dit rapport politiek neutraal, door de keuze om de effecten van enkele belastingmaatregelen op de arbeidsparticipatie door te rekenen én enkele interessante andere waarden mee te nemen (Gini-coëfficiënt), kan dit rapport juist zéér handig zijn voor bepaalde linkse/progressieve standpunten en partijen.

De huidige bruto arbeidsparticipatie van Nederland is 66,5%. Volgens internationale definities ligt het netto arbeidsparticipatiepercentage, afhankelijk van het jaar, tussen de 75% en de 77% – fors boven het gemiddelde van de EU (66%).

De werkloosheid in Nederland is 8% volgens het CBS, volgens internationale definities 6,5%. Hoger dan we zouden willen, maar in een crisis acceptabel, zeker vergeleken met andere EU-landen.

Zelfs volgens het CPB-rapport is ‘de rek uit de arbeidsparticipatie’. Alleen vrouwen met kinderen kunnen nog gepusht worden om het aanrecht te verruilen voor een bureau. En als we dan per se het werkloosheidspercentage omlaag willen halen, dan moeten er óf meer banen komen, óf de (langdurig) werklozen moeten in de niet-beroepsbevolking terecht komen (en de wil om te werken dus opgeven).

Dat dit rapport (of eigenlijk het model) dan ook zeer handig is voor ‘links’ (maar ook voor ‘rechts’), komt namelijk omdat de keuzes nu vooral politiek (en dus niet economisch) gemaakt kunnen worden op een bepaald aantal indicatoren (arbeidsparticipatie, Gini-coëfficiënt), die het CPB voorspelt. De arbeidsparticipatie kan haast niet hoger, en zelfs als die hoger kan, is het de vraag hoe wenselijk dat is.

Het argument vóór hogere (netto)arbeidsparticipatie is vergrijzing en ontgroening, waar het dus eigenlijk zou moeten gaan om de verhouding tussen de werkzame beroepsbevolking en de hele bevolking (ook onder de 15 en boven de 65). Desalniettemin blijkt het moeilijk om de arbeidsparticipatie te verhogen, en dan nog blijft de vraag hoe zinnig een verhoging van de bruto arbeidsparticipatie is als er simpelweg niet meer banen zijn, en je dus nu een broekzak-vestzakconstructie van niet-werkzamen hebt, met het meest in het oog springende effect dat het werkloosheidspercentage stijgt en de lonen dalen.

Een hogere bruto arbeidsparticipatie bij gelijkblijvende arbeidsvraag betekent namelijk hogere werkloosheid, verdringing op de arbeidsmarkt, lagere lonen en – aangezien dat meestal op het conto van ouders, alleenstaand of samen komt – een ‘jeugd zonder ouders of ouderlijk toezicht’ voor die kinderen (overigens valt uit tabel 2 op te maken dat in een gezin met twee ouders, de moeder ook bij een vlaktaks meer thuis gaat zitten).

De tendens is echter dat het aantal eenoudergezinnen toeneemt. Daarnaast neemt de ongelijkheid grosso modo (Gini!) toe. Een vlaktaks zonder toeslag doet de ongelijkheid dan ook razendsnel toenemen (5,18%, geen procentpunten).

Het basisinkomen dat in het CPB-raport wordt geschetst doet de ongelijkheid wel dramatisch afnemen (-7,95%), maar heeft negatieve effecten op de arbeidsparticipatie. Met als verwacht gevolg dat vrouwen en masse (-17,68% ten opzichte van de huidige situatie) thuis gaan zitten. Bovendien kan met een eenvormig belastingtarief van 56,5% slechts een inkomen van 50% van de WW opgebracht worden. 

Hoewel het basisinkomen voorziet in een (beperkte) financiële onafhankelijkheid, kan ik me moeilijk voorstellen – om emancipatoire redenen – dat progressief Nederland zo’n drastische afname van vrouwelijke arbeidsparticipatie volop zou bewieroken; het wegnemen van inkomensafhankelijkheid is slechts één factor in (vrouwen)emancipatie.

Kritiek op de modellen en daarmee de bevindingen van het CPB (en van andere invloedrijke instituten) mag natuurlijk, en moet zelfs! De argwaan die iemand heeft ten opzichte van het CPB, mocht het beweren dat het ‘alles’ weet en kan berekenen, lijkt me historisch gezien gepast en terecht.

De mensen die menen dat hun economische modellen feilloos zijn, zijn als de natuurkundigen aan het einde van de negentiende eeuw: “de natuurkunde is ‘af’ en er is niks meer te ontdekken”, of anders als de economen van de Oostenrijkse School, die stellen dat economie een ‘pure exacte wetenschap’ is, maar desondanks niet willen zien dat ‘hun objectieve economie-inrichting’ tevens vérgaande politieke en sociale effecten heeft.

Ook mag er de kritiek zijn dat dit model beperkt is: alleen de aanbodkant van arbeid komt aan bod. Maar het gegeven is dat élk model per definitie beperkt is, het is immers een versimpelde, schematische weergave van de werkelijkheid. Dat mensen die over een model berichten niet meenemen dat het versimpeld en schematisch is, is niet aan het model te wijten.

Maar er zit nogal een verschil in het wetenschappelijk niveau tussen de Teldersstichting en het CPB. Het a priori afschrijven van het CPB lijkt me dan ook onnodig en onnuttig, zeker als dat is op basis van een foutieve representatie door één medium.

  1. 2

    Verhelderend stuk. Vraagje: er wordt geschreven:

    De huidige bruto arbeidsparticipatie van Nederland is 66,5%. Volgens internationale definities ligt het netto arbeidsparticipatiepercentage, afhankelijk van het jaar, tussen de 75% en de 77% – fors boven het gemiddelde van de EU (66%).

    Maar de nettowaarde is altijd lager dan de brutowaarde. Zijn de getallen misschien per ongeluk omgedraaid?

  2. 3

    De huidige bruto arbeidsparticipatie van Nederland is 66,5%.

    Dat is volgens je link het 2001 cijfer. Nu:

    2014 3e kwartaal 72,1 66,4

    @Murk: in de link kan je lezen

    De hier genoemde percentages voor arbeidsparticipatie wijken af van de percentages voor arbeidsparticipatie in Icoon: Interne link naar documentWat is de huidige situatie? Dit komt doordat voor de Europese vergelijking een minimum van één uur betaald werk per week is gebruikt, terwijl voor de beschrijving van de situatie in Nederland een minimum van 12 uur per week is gehanteerd (zie ook: Icoon: Interne link naar documentWat is arbeidsparticipatie?).

    Dus het lijkt sowieso appels-peren.

  3. 4

    @2, wat #3 ook zegt, dat is het verschil tussen de internationale en nationale definities. De reden dat het nettocijfer lager is dan het bruto cijfer is simpel. Bij het bruto arbeidsparticipatiepercentage worden iedereen meegeteld die werk heeft of zoekt. Bij het netto percentage alleen zij die werk hebben, dus dat valt altijd lager uit.

    @3 dank voor de correctie. De andere definitie ten opzichte van de netto arbeidsparticipatie heeft dus ook als gevolg dat de werkloosheidscijfers van Nederland in Nederland hoger uitvallen dan in het buitenland. Die 1,5% verschil (8 – 6,5) zit hem voornamelijk in het aantal mensen dat meer dan 1, maar minder 12 uur werken.