Taal op de tv

COLUMN - Misschien heb ik de verkeerde vrienden, maar ik ken helemaal niemand die het Groot Dictee der Nederlandse Taal een leuk programma vindt.

Ik heb het zelf één keer gezien. Wat is dat programma saai! Eindeloos lang worden allerlei bizarre zinnen herhaald. En nu in stukjes. Eindeloos lang. Worden allerlei. Bizarre zinnen herhaald.

Eindeloos lang worden allerlei bizarre zinnen herhaald.

Tussendoor komt de jury grappig doen over hoeveel fouten de deelnemers hebben gemaakt en slaan zogeheten BN’ers en BV’ers daar ook nog ironische kwinken over. Waarom iemand naar zoiets zou willen kijken is een van de middelgrote raadsels in dit leven. Maar zolang ze aan het Dictee meedoen, gooien ze niet met vuurwerk, zoals een oud spreekwoord luidt. En nu in stukjes.

Goed gesprek

Dat mensen eraan willen meedoen, dat begrijp ik dan weer wel. Avonden lang woordjes stampen, de moeilijkste gevallen inspreken op je iPhone, zodat je er tijdens het hardlopen steeds weer naar kunt luisteren: het is een overzichtelijke sport die dus bovendien resulteert in het allersaaiste sportprogramma aller tijden.

Dat Warna Oosterbaan er in een artikel voor NRC Handelsblad over klaagde dat het programma niet over taal gaat, vind ik dan ook een beetje overdreven: dat is net zoiets als klagen dat DWDD niet gaat over een goed gesprek, of het Journaal niet over wat er echt belangrijk is op de wereld. Wat wil je dan.

Viool

Uiteindelijk blijkt het Oosterbaan om iets heel anders te doen: de komst van een echt, liefst dagelijks, taalprogramma op de vaderlandse tv. ‘Een programma dat laat zien hoe interessant die taal is, hoe die in elkaar zit en zich ontwikkelt.’

Kijk, dáárover fantaseer ik ook al heel lang. Het lijkt me een beetje ouderwets om zoiets nog op de tv te willen doen, maar een mooi YouTube-kanaal met professioneel gemaakte filmpjes, zoiets moet toch haalbaar zijn. Taallessen voor beginners, zoals Oosterbaan zegt. En voor de gevorderden ingewikkeldere taalkundige kwesties uitgelegd, oude en nieuwe dichtbundels zorgvuldig en deskundig geanalyseerd en als afsluiter een van de Milfjes die iets op de viool speelt. Dat heeft inderdaad niet zoveel met taal te maken, maar de boog kan niet altijd gespannen zijn.

Briljant idee

Maar een tv-programma is natuurlijk ook mooi. Helaas heeft de Nederlandse omroep een niet erg gelukkig huwelijk met dit soort onderwerpen. Het wordt al snel te ingewikkeld. Een paar jaar geleden was ik als adviseur betrokken bij een serie op de Nederlandse tv. Ik zal nooit het moment vergeten dat de eindredacteur binnen kwam vallen omdat hij zo’n briljant idee had: “We gaan iets met Bekende Nederlanders doen!” (Wat we met die mensen gingen doen moest toen nog bedacht worden; het antwoord bleek uiteindelijk te zijn: interviewen.)

Maar de Vlaamse tv heeft een aantal jaar geleden laten zien hoe het moet en kan, met de amusante en toch informatieve serie Man over woord. Zo’n soort serie, maar dan iedere dag – behalve één keer per jaar, als het Groot Dictee wordt uitgezonden.

  1. 1

    Na 1995 ben ik gestopt met thuis meeschrijven. Ik zat en zit in het kamp van het Witte Boekje en verwijt het de Taalunie nog steeds dat ze in haar Groene Boekje de eigen regels niet consequent handhaaft.
    Het Groot Dictee was bovendien verworden tot een wedstrijd in het uit het hoofd leren van opzoekwoorden.
    De consciëntieus gepavoiseerde przewalskipaarden mogen sindsdien feeëriek aan mij voorbij galopperen.

    Daar komt bij dat mijn kennis over Bekende Nederlanders, zo die er al was, hard achteruit is gehold sinds de tv na zijn defect niet meer is vervangen. Dat zal jegens Hilversum vast erg ongehoorzaam van me zijn. De BN-ers zullen – een Dr. E.I. Kipping daargelaten – nog steeds niet dankzij hun taalmerites de BN-status verwerven, schat ik zo.
    Dus wat ze dan in een taalprogramma doen?

  2. 3

    @2:
    Maar zetten moet zwak blijven!
    Het is namelijk een transitief werkwoord (d.w.z. het kan een lijdend voorwerp hebben), en de intransitieve vorm is zitten (zat, gezeten).

    Ter vergelijking, transitief –> intransitief:
    leggen, legde, gelegde –> liggen, lag, gelegen
    vellen, velde, geveld –> vallen, viel, gevallen
    drenken, drenkte, gedrenkt –> drinken, dronk, gedronken
    baren, baarde, gebaard –> (niet gebruikt), (niet gebruikt), geboren
    dunken, dunkte, (gedunkt? zelden of nooit gebruikt) –> denken, dacht, gedacht

    dus
    zetten, zette, gezet -> zitten, zat, gezeten

  3. 4

    @2: een detail: de verleden tijd van scheren is al schoor, geschoren,

    dus voor scheuren moet het worden:
    schoer, geschieren .

    Maar alleen als het intransitief gebruikt natuurlijk!.

    Dus “ik heb geschieren in mijn auto”
    en
    “ik heb jouw brieven verscheurd”.

  4. 6

    De spelling is moeilijk, doordat de heren neerlandici niets snappen van samenstellingen. Een korte cursus IJslands op het gebied van samenstellingen zou ze doen snappen, dat je stamsamenstellingen en genitiefsamenstellingen hebt, die tweede onderverdeeld in samenstellingen met genitief enkelvoud (waar de tussen-s vandaan komt) en met genitief meervoud. Van dat laatste kwam de oude regel ‘die noodzakelijk de gedachte aan een meervoud opwekt’ vandaan.

    Het tweede probleem wordt veroorzaakt door allerlei troep, die men in de taal heeft opgenomen, zoals ‘werkwoorden’, die niet in het taaleigen passen, zoals ‘sms’en’.

    In geen enkele andere taal is spelling een (groot) probleem. In het Duits is er bijna 100% overeenkomst tussen spelling en uitspraak.

  5. 9

    Of de twaalf manieren om de ‘e’ aan het eind van een Frans werkwoord te schrijven.

    Taal is interessant, maar voor de meeste mensen net zo saai als natuurkunde of archeologie. Daar brengt geen YouTube-kanaal verandering in. Als iedereen een paar dingetjes van taal weet, dan zou dat al mooi meegenomen zijn natuurlijk, maar wat zijn de taalkundige equivalenten van het atoom en de zwaartekracht of de piramide van Cheops en het terracottaleger? Wat is in taal ontegenzeggelijk waar en spreekt ook tot de verbeelding?

  6. 10

    @9: Dat bij de dubbele punt de ene punt op de andere punt lijkt, is ontegenzeggelijk waar -sorry, dat kon ik niet laten – al spreekt dat niet zo tot de verbeelding.

    Menige bibliotheek kan – voor wie daar gevoelig voor is – tot de verbeelding spreken, ik noem bijvoorbeeld die van Alexandrië, en dan niet alleen die uit de oudheid maar ook de huidige, die de meuk waar Bussemaker vanaf wilde voor de shredder heeft behoed. Maar een boek over pak ‘m beet het pavoiseren van przewalskipaarden in Mongolië door de eeuwen heen is nog geen hoogtepunt van taaluiting.

    Het debuut van J.W. von Göthe, Die Leiden des jungen Werthers, sprak indertijd zo tot de verbeelding dat de gele broeken niet aan te slepen waren en door het boek geïnspireerde zelfdodingen waren aan de orde van de dag. Göthe daarentegen liet zichzelf leven en werd minister. En wie kent dat boek nu nog? Je zit bij in vervoering brengende taaluitingen al gauw met een beperking van plaats en tijd. Wat me doet denken aan dat zinnetje dat ik vroeger bij menig concert van de Tröckener Kecks uit volle borst meebrulde: “Ik wil jou dat gaan schrijven wat ik al wekenlang probeer. Dat ’s avonds laat de waarheid is maar ’s ochtends vroeg niet meer.”