Er is altijd iets met Geert Wilders en debat. Of beter: het ontbreken ervan. Nieuw is dat nu zichtbaar wordt hoe dat tot stand komt. Uit gelekte berichten blijkt dat er actief gezocht werd naar een reden om onder debatten uit te komen. Die reden kreeg een vertrouwde vorm: dreiging.
Laat helder zijn: die dreiging is reëel, of nou ja, daar gaan we maar vanuit. In ieder geval, Wilders leeft al jaren onder zware beveiliging. Dat vraagt om aanpassingen en beperkingen. Alleen blijkt nu dat diezelfde dreiging ook wordt ingezet als politiek instrument. Niet zuiver als bescherming, ook als excuus. En opeens gaat het niet meer alleen over veiligheid, maar gaat het ook over de keuze ‘veiligheid’ strategisch in te zetten om debat te vermijden.
En die keuze heeft een prijs. Want wie herhaaldelijk onterecht naar dreiging verwijst om afwezigheid te rechtvaardigen, tast zijn eigen geloofwaardigheid aan. Een soort van ‘boy cries wolf’: het gevaar bestaat echt, alleen wordt het zo vaak en zo selectief ingezet dat het onderscheid tussen noodzaak en opportunisme vervaagt. Velen vermoedden het al, en voor het eerst is dat nu concreet zichtbaar.
Dat maakt het extra problematisch. Want die beveiliging hoort het democratisch proces te beschermen. Hier wordt die beveiliging onderdeel van het politieke spel. Een middel om controle te ontwijken in plaats van mogelijk te maken, en daarmee juist het democratische proces te frustreren in plaats van te beschermen.
En controle is precies waar het om draait. Debat is geen bijzaak. Daar worden claims getest en plannen bevraagd. Wie zich daaraan onttrekt, onttrekt zich bijna aan een kernverplichting van de politiek, en zet het in als electoraal wapen.
Tegelijkertijd blijft de spagaat bestaan. Je kunt moeilijk eisen dat iemand risico’s neemt die anderen niet lopen. Alleen kun je evenmin accepteren dat die risico’s vervolgens worden gebruikt om politieke verantwoordelijkheid te ontlopen. De vraag is dus niet of Wilders beschermd moet worden. De vraag is waarom die bescherming nu ook een politiek instrument mag zijn dat misbruikt wordt door hem. Want zolang dat onbeantwoord blijft, verschuift een grens. Dan beschermt beveiliging niet alleen tegen geweld, maar ook tegen debat.
Daar komt nog iets bij dat lastiger te repareren is dan een gemist debat: vertrouwen. Vanaf dit punt is het structureel onduidelijk of een beroep op dreiging voortkomt uit noodzaak of uit strategie. Of het risico acuut is, of politiek bruikbaar wordt gemaakt. Of het dient om veiligheid te waarborgen, of om sympathie te mobiliseren en daarmee electorale winst te boeken.
Dat grijze gebied is corrosief. Want elke keer dat dreiging wordt ingeroepen, ontstaat twijfel. Niet alleen bij tegenstanders, ook bij het publiek. En die twijfel werkt twee kanten op: hij ondermijnt de geloofwaardigheid van reële risico’s, en hij vergroot de kans dat beveiliging wordt gezien als onderdeel van campagnevoering. En ook niet onbelangrijk, twijfel aan het verhaal door andere politici kan ook weer worden ingezet door Wilders om hen te beschadigen.
De vraag die daaruit volgt is ongemakkelijk en politiek explosief: willen we hieraan meewerken? Willen we een situatie accepteren waarin beveiliging en dreiging niet alleen bescherming bieden, maar ook politieke waarde genereren en daarmee prooi worden van manipulatie, waar types als Wilders graag en gegarandeerd misbruik van gaan maken? Of trekken we een grens, juist om te voorkomen dat geweld en de suggestie ervan een structurele rol krijgen in hoe politiek wordt bedreven. En hoe gaat die grens er dan uit zien?