Werklust: oorlogsgeneratie vs babyboom vs patatgeneratie

DATA - Hoe zit het met werken, arbeidsongeschiktheid  en dergelijke van verschillende generaties op dezelfde leeftijd? Dit stuk vergelijkt de oorlogsgeneratie (geboren 1936 t/m 1945) met die van de babyboom (1946 t/m 1955) en de babyboom met de patatgeneratie (1956 t/m 1965) in 2000 en 2010. De cijfers komen van het CBS en geven de binding met arbeidsmarkt weer van de beroepsbevolking. De cijfers hieronder zijn echter een percentage van de totale bevolkingsgroep.

Allereerst de aantallen naar leeftijd.

Dit figuur rekent af met de mythe dat de babyboomgeneratie in aantal verreweg de grootste generatie is. Men veronderstelt dan ook dat als de babyboom (godzijdank) eindelijk met z’n allen onder de groene zoden liggen, dat dan het vergrijzingsprobleem ook is opgelost. Vergeet het maar. De patatgeneratie is in 2010 171.000 (ruim 7%) groter dan de babyboom in het jaar 2000. Wel is de babyboom in 2010 564.000 man (ruim een derde) groter dan de oorlog in 2000.

Het volgende figuur vergelijkt oorlog in 2000 met babyboom in 2010:

Hier zien we heel duidelijke verschillen. Werkte in het jaar 2000 nog maar een derde van de oorlog in de leeftijd 55 t/m 64, 10 jaar later werkte de helft van de babyboom. Het percentage dat minimaal 12 uur wil is met 5% gelijk.

Opvallend is dat van de babyboom 21% in de VUT loopt en dat dat percentage bij de oorlog 4% lager is. Hoe te verklaren? De leeftijdsopbouw van de twee groepen is niet gelijk.  Bij de oorlogsgeneratie is de groep 1936 t/m 1940 kleiner dan groep geboren tijdens de oorlogsjaren. Bij de babyboom is dat precies andersom. Inmiddels is in 2011 de groep geboortejaar 1946 –de grootste groep ooit geboren in een jaar- met pensioen gegaan en dus uit de VUT.  Ook doordat de regeling erg ongunstig is geworden voor iedereen geboren na 1949 zal het aantal vutters vermoedelijk snel dalen. Ook opmerkelijk is dat vrouwen veel vaker een VUT-uitkering hebben dan mannen: 56% is vrouw.

Het arbeidsongeschiktheidspercentage is gelijk, maar als percentage van de werkende bevolking bij de babyboom een stuk lager. Zeer opvallend is dat bij de oorlogsgeneratie 13% aangeeft niet te werken vanwege de verzorging van het gezin. Dat is bij de babyboom nog maar 3%.

Figuur 3 vergelijkt de babyboomers in 2000 met de patatten in 2010:

Ook hier duidelijke verschillen, maar minder dan bij figuur 2. De patatten werkt een zevende meer dan de babyboom op dezelfde leeftijd 10 jaar eerder. Het verschil komt met name door de zorg van voor gezin of huishouden: 9% babyboom en 3% patat.

In dit figuur van het CBS kan interactief veel meer informatie worden verkregen.

Foto: Still uit Spetters, bedacht door de oorlogsgeneratie en uitgevoerd door de patatgeneratie

  1. 1

    poehee, wat een ingewikkeld stuk. hypothese, observatie en conclusies lopen dwars door elkaar heen. Maar even wat overdenkingen:

    – definities van het CBS en van de manvrouw-op-straat verschillen wat, zo vermoed ik. Ik noem iedereen uit de jaren vijftig een boomer.
    – taken zijn tegenwoordig minder scherp gedefinieerd. Ik zou zeggen dat mijn vrouw en ik de zorg voor het huishouden en gezin delen. Volgens de bovenstaande definitie ben ik waarschijnlijk de kostwinner en mijn vrouw de zorger. Essentie is dat ik fors meer zorg- en huishoudelijke taken op mij neem dan mijn opa.

  2. 4

    Babyboomer is geen definitie van het CBS, maar een al vele jaren geleden gehanteerde definitie voor iedereen geboren in 1946 t/m 1955 (soms wordt die periode nog verlengd).

    Jouw voorbeeld is precies het grote verschil tussen de generatie geboren voor 1946 (alhoewel je grenzen niet zo scherp kan trekken natuurlijk) en erna. Het verschil zit hem in de arbeidsparticipatie.

    De cijfers gaan over de voornaamste bron van persoonlijk inkomen. Als twee partners allebei tenminste 12 uur werken (en geen hogere uitkering erbij hebben) dan zitten zij allebei in blauw.

  3. 5

    Heel matig stuk. Onduidelijke grafiekjes. Komt een beetje over als een zeurstuk waarin de auteur perse z’n gelijk wil halen. Heb wel betere artikelen gezien van vandyke.

    Het probleem zit ‘m niet zozeer in de ‘babyboomers’. Het probleem is dat de afgelopen twintig jaar (begin 90-midden 2000) de pensioenpremies te laag waren, en de toezeggingen (eindloon-pensioen!) te hoog. Die toezeggingen zijn niet vol te houden voor de babyboomers en 45-55’ers, in de huidige deflatoire economie.

  4. 6

    Er zit een klein beetje studie in, maar de grootste reden is ‘overige reden’.

    Uit de toelichting van het CBS:

    Overige redenen resultaat bestaat uit personen (15 tot 65 jaar) die nu geen of voor minder dan twaalf uur per week betaald werk verrichten en aangegeven hebben wel twaalf uur of meer per week te willen gaan werken en hiervoor op korte termijn (binnen 2 weken) beschikbaar zijn. Zij zijn in de afgelopen zes maanden niet actief op zoek geweest naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week om redenen anders dan dat zij daar weinig resultaat van verwachtten.

  5. 8

    Het is informatief. Feiten die kunnen helpen bij discussies. Dat er wat meer feiten in discussies mogen zitten staat voor mij als een paal boven water.

    Ik vind zelf het belangrijkste feit dan de babyboom bijna de helft hogere arbeidsparticipatie heeft in 2010 (15% procentpunt) dan de generatie voor hen in 2000 en dat de patatten 9 procentpunten meer werken dan in de baby’s in 2000.

  6. 10

    Waarin wil Vandyke dan zijn gelijk halen? Ik zie eigenlijk maar één punt waar hij een conclusie trekt: “Dit figuur rekent af met de mythe dat de babyboomgeneratie in aantal verreweg de grootste generatie is”. Verder kom ik eigenlijk geen conclusies tegen, alleen maar resultatenbeschrijvingen en af en toe enige aanvullende informatie.

  7. 11

    Ik heb even voor de duidelijkheid die groep overig eruit gehaald:
    http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=71802ned&D1=16&D2=1-7&D3=0,47&HDR=G2&STB=T,G1&VW=T

    Helaas kan ik niet leeftijd en geslacht combineren, maar het is duidelijk uit de cijfers dat het voor het over grote deel vrouwen betreft: 2000 mannen 96:000, vrouwen 382.000.

    Speculerend: vrouwen die vroeger in een traditioneel rolpatroon zaten en -nadat de kinderen uit huis zijn- wel willen werken, maar kansloos zijn omdat ze tientallen jaren niet hebben gewerkt in dienstverband. Dat zorgen voor kinderen, huishouden en man niet als werk werd (wordt) beschouwd werkt natuurlijk sterk in het nadeel van vrouwen.

  8. 12

    Vandyke moet zich gewoon bij zijn zeer smalle “expertise” houden: als een waanzinnige uitspraken over immigratie van rechtse politici opsporen, uitzoeken en op pedante wijze corrigeren. Nu hij een uitstapje maakt naar de vergrijzingsdiscussie maakt hij een beginnersfout: met irrelevante “feiten” een standpunt dat door niemand wordt ingenomen (“de babyboom-generatie is de grootste generatie”) ontkrachten.

    Zoals gronk eerder heeft gezegd: het gaat om het (deels) correcte beeld dat de babyboomgeneratie meer uit de economie haalt dan zij uiteindelijk voor jongeren zal achterlaten.

  9. 13

    Zou @jsk eens willen onderbouwen, waarop zijn gratuite opmerking: “het gaat om het CORRECTE beeld dat de babyboomgeneratie meer uit de economie haalt dan zij uiteindelijk voor jongeren zal achterlaten” is gebaseerd?
    In ieder geval heeft Vandyke feiten aangedragen, die ik kan volgen. jsk niet.

  10. 14

    Niemand in de politiek zegt het hard op maar ze bedoelen met de babyboom eigenlijk iedereen die tussen 1946 en 1965 is geboren.
    En sommige politici gaan tot 1970.

    Babyboom en patatgeneratie worden op 1 hoop gegooid.

  11. 15

    het gaat om het (deels) correcte beeld dat de babyboomgeneratie meer uit de economie haalt dan zij uiteindelijk voor jongeren zal achterlaten.

    Oneens, het ligt genuanceerder: de pensioenen voor de generaties die nu gepensioneerd zijn waren (en zijn) onrealistisch gegeven de premies. Daar wordt nu heel voorzichtig iets aan gedaan. Maar zoals het er nu naar uitziet gaan de babyboomers het meemaken dat hun pensioenen stevig gekort wordt, net een paar jaar nadat ze gepensioneerd zijn. Dan kunnen ze IMO beter een paar jaar langer door kunnen werken*, dan dat ze de rest van hun leven op een houtje moeten bijten.

    *voorzover dat natuurlijk kan, want veel werkgevers zien 64-jarigen als een mooie bezuiniging. 1 fte die je kunt inruilen voor een goedkopere, naievere jongere!

  12. 16

    Trouwens dit overzicht geeft een vertekend beeld, je kan 2 opvolgende generaties niet met elkaar vergelijken omdat kinderen uit die 2 generaties vaak dezelfde ouders hebben.

    Je moet de generatie die voortgebracht is door de babyboom generatie met de babyboom generatie vergelijken.
    Dus eigenlijk 1945-1955 moet je met 1965-1975 vergelijken.

    Verder is het aantal nog in leven zijnde mensen van een bepaalde generatie ook niet echt een goede vergelijking omdat bij volgende generaties de mensen niet alleen ouder worden maar ook steeds meer ziektes te genezen zijn waardoor bijv een babyboomer op zijn 45ste sterft hoeft bij iemand van de patatgeneratie allang niet meer dodelijk te zijn (of die persoon leeft 10 jaar langer en wordt dan 55).

  13. 17

    Die stelling van vandyke heb ik al een paar keer eerder hier door ‘m gedeponeerd zien worden.

    Sowieso vind ik ’t heel slecht om met dit soort subsets te gaan werken. Het CBS heeft een prachtige bevolkingspiramide waarin je de demografische ontwikkeling mooi kunt zien, op jaarbasis. Als je dan met dit soort 10-jaarsindelingen gaat werken dan wek je -in ieder geval bij mij- de indruk van ‘lies, damned lies, and statistics’: je eigen waarheid creeren door je selectief te zijn in wat je laat zien en wat voor definities je kiest.

  14. 20

    Ik ben benieuwd hoe jij je door twintig van die taartdiagrammen heen gaat werken (stel je wilt een over een periode van 20 jaar gaan vergelijken op hun bezigheden). Dat lies, damn lies and statistics wordt ook maar te pas en te onpas (en veel te makkelijk) geroepen. Als je dan al kritiek wil hebben, begin dan eerst maar eens met te zeggen wat er fout is aan de keuze die Vandyke maakt (en hoe jij wel zou indelen, want classificeren moet je, om de data enigszins zinnig te kunnen presenteren).

  15. 21

    Ik ben benieuwd hoe jij je door twintig van die taartdiagrammen heen gaat werken

    Niet, want taartdiagrammen zijn sowieso een hele slechte manier om data te visualiseren. Staafdiagrammen zijn een veel betere keuze.

  16. 23

    Dus eigenlijk 1945-1955 moet je met 1965-1975 vergelijken.

    Het is voorlopig een beetje moeilijk om dat voor mensen in de prepensioenleeftijd (55-64 jaar ) te doen.

    Overigens geldt je kan 2 opvolgende generaties niet met elkaar vergelijken omdat kinderen uit die 2 generaties vaak dezelfde ouders hebben. nou juist voor de babyboom- en patatgeneratie niet. Van de babyboomers is een groot deel afkomstig uit ouders die tijdens de oorlog hebben gewacht met kinderen krijgen (daardoor kwam die babyboom) en die dus in 1955 wel klaar waren met kinderen krijgen. Deze twee generaties hebben dus relatief weinig overlap in hun ouders. Overigens is die overlap in het algemeen ook niet zo groot: Gemiddeld krijgt men ongeveer twee kinderen, met een gemiddelde tussenduur van 3 jaar. Dat levert grofweg 30% overlap in ouderschap op tussen twee generaties. Zo vaak hebben twee opeenvolgende generaties dus ook weer niet dezelfde ouders. Daarnaast, waarom mag je daarom de generaties niet vergelijken? Veel regelingen (pensioen, vut, in feite alle wettelijke regelingen en collectieve afspraken) zijn eerder (of zelfs volledig) afhankelijk van je leeftijdscohort dan van een al dan niet gedeeld ouderschap met andere cohorten.

  17. 24

    JSK roept vaak zo maar wat. Zoals Gronk meteen bewijst, door de uitspraak van JSK (“zoals gronk eerder gezegd heeft”) meteen naar de prullenbak te verwijzen. Zijn voornaamst punt was ook geen argument, maar een erg doorzichtige poging om een ad hominem richting vandijke te maken. Vandijke publiceert regelmatig artikelen met feiten, waar de onderbuik van JSK het niet mee eens is. En zoals altijd: als de boodschap je niet bevalt, kun je altijd de boodschapper nog vermoorden.

  18. 25

    “die dus in 1955 wel klaar waren met kinderen krijgen”

    Nog een beetje verder nuanceren: de mensen, die als kinderen opgroeiden in de oorlog, hebben als voorbeeld van gezinsvorming de generatie, die de babyboom voort heeft gebracht. Je kan het ene niet zo maar los van het andere zien. In een samenleving, waar mensen vaak grote gezinnen hebben, is het hebben van een klein gezin een abnormaliteit en wordt die mensen vaak gevraagd, waarom ze zo weinig kinderen hebben. De naoorlogse babyboom (die na ieder oorlog plaats vindt) heeft dus een veel langere nawerking, dan alleen de groep mensen, die tijdens de oorlog even gewacht hebben met het krijgen van kinderen. Zoals bolke hier ook al terecht aan wees, krijgen de kinderen van de babyboomers zelf ook weer kinderen: als er veel babyboomers zijn, zullen er dus ook veel kinderen van die kinderen zijn, zelfs als dan inmiddels de gezinsgrootte geleidelijk een heel stuk gedaald is.

    Bij het artikel van vandijke wil ik wel de duidelijke kanttekening maken, dat de arbeidsparticipatie van ouderen veel meer van de arbeidsmarkt afhankelijk is dan van de werklust van een generatie. Werklust verschilt niet tussen generaties. De mogelijkheden om werk te krijgen en aan het werk te blijven wel. Voor individuele mensen is het veel meer een kwestie van geluk hebben, al wil veel mensen, die veel geluk hebben gehad, dat nog wel eens een keertje ontkennen.

  19. 27

    Feitelijk is iedereen die ouder wordt dan 65 een probleem… En zo kunnen we nog vele halve waarheden verkondigen.

    We kunnen volgens mij beter genuanceerde oplossingen zoeken, dan problemen ongenuanceerd blijven benoemen.

  20. 28

    Je moet de generatie die voortgebracht is door de babyboom generatie met de babyboom generatie vergelijken.
    Dus eigenlijk 1945-1955 moet je met 1965-1975 vergelijken

    Dat betekent dat je alleen kan vergelijken babyboomers geboren in 1946 die kinderen hebben gekregen voor hun 30ste en van de boomers geboren in 1955 alleen als zij kinderen voor hun twintigste hebben gehad.

  21. 29

    @21: Dat hangt nogal van de data af. Als het (zoals hier) om percentageverdelingen gaat van nominale variabelen, zijn cirkeldiagrammen eigenlijk veel nuttiger/overzichtelijker dan staafdiagrammen.

  22. 30

    Over je laatste alinea. Het werkloosheidspercentage was in 2000 een stuk lager dan 10 jaar later.
    Het gaat ook niet om de werklust, maar om wat normaal is. De stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen is daar zeer wel debet aan. Je ziet dat duidelijk in figuur 2 waar de zorg voor huis en gezin met 13% voor de oorlogsgeneratie in 2000 10 procentpunt hoger is dan voor de babyboom in 2010.
    Ook ‘anders’ is veel lager: van 15 naar 7 procent. Bij elkaar 18 procentpunt daling.
    Vrijwel allemaal vrouwen die nu wel werken. Voor de oorlogsgeneratie was het nog grotendeels normaal dat vrouwen thuiszaten. Voor de babyboom niet meer en voor de patatten nog minder.

    Ik zal eens wat cijfertjes opzeoeken over de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt over langere tijd. Best interessant.

  23. 31

    Nope. D’r zijn een paar dingen niet zo lekker aan taartdiagrammen: je moet een percentage afschatten aan een hoek, en een oppervlakte. Die oppervlakte schaalt met pi * straal^2, waardoor je kleine percentages onderschat en grotere veel meer gewicht geeft. Daarnaast zijn mensen helemaal niet zo goed in het vergelijken van hoekgroottes.

    Staafdiagrammen hebben veel minder van dat soort issues. Eigenlijk is d’r maar een publiek waar taartdiagrammen voor geschikt zijn: managers. Maar dan boeit ’t toch niet wat je presenteert, de uitkomst ligt toch al vast.

  24. 32

    Dat valt fors tegen. Zo kun je aan staafdiagrammen niet meteen zien of de optelsom wel 100% is. Bovendien impliceren ze minimaal ordinaal meetniveau (hier niet het geval). Verder geldt je kritiek op oppervlak afschatten net zozeer bij staafdiagrammen (kleine staafjes worden onderschat grote overschat) en vergeet je dat bij cirkeldiagrammen altijd percentages bij de taarten vermeld horen te zijn (en dus percentages duidelijk zijn), waar je ze bij staafdiagrammen zelf moet schatten aan de hand van de Y-as. Bovendien moet je bij staafdiagrammen altijd die Y-as nog even checken of die wel bij 0% begint. Het kost dus veel meer tijd om de informatie uit een staafdiagram te halen. Niet alleen managers besteden liever onnodige tijd diagrammen die op andere wijze sneller tot ontsluiting leiden.

  25. 33

    Op mijn speurtochten in de krochten van de data kom ik nogal wat figuren en tabellen tegen die voor mij ook niet 1,2,3 duidelijk zijn. Kost soms even voor je het snapt.
    Ik probeer altijd te bedenken wat het mooiste, duidelijkste figuur is. Taarten vind ik mooier dan staven en lijnen, maar niet altijd duidelijker. Ik gebruik ze weinig, maar nu vond ik het goed kunnen.

    Het is echter jammer om een zeer belangrijk onderwerp als dit te laten in een taartengevecht te laten uitmonden. Daarom ook een staaf gemaakt van figuur 3.

  26. 34

    ik snap je punt niet, voor alle percentages is de straal hetzelfde. Net als de staafdiagram in #33 verhouden percentages zich tot oppervlakte… (wat ik bedoel: het is lineair, twee keer zoveel oppervlakte = twee keer zo groot percentage in beide grafieken)

  27. 35

    Even voor de duidelijkheid: het artikel gaat niet over de vergrijzing maar over een vergelijking van verschillende generaties -tienjarige leeftijdsgroepen in dit verhaal- op dezelfde leeftijd. De vergrijzing wordt slechts in het begin als tussenopmerking gemaakt.

    Enkele mensen schieten weer in de gebruikelijke reflex waar zij altijd in schieten. Iets dan voor ze om op te kauwen: indien het percentage boomers dat werkt net zo hoog zou zijn als dat van de oorlog in 2000 dan zouden er 327.000 minder babyboomers werken dan nu.

    Discussie over de vergrijzing wil ik graag voeren, maar dan op basis van een stuk dat gaat over de vergrijzing.

  28. 37

    Wat gronk zegt. Piecharts zijn een ramp. Visuele communicatie op het gebied van statistiek is een vak apart.

    Helaas is dat soms nog moeilijker uit te leggen dan de data, dus ik ga niet eens poging wagen.