Wederopstanding van de marktwerking

GeenCommentaar heeft ruimte voor gastloggers. Ditmaal voor Frank Kalshoven, onder andere vaste columnist bij de Volkskrant. Hij betoogt dat een succesvolle samenwerking tussen markt en Staat wel degelijk mogelijk is.

Free Market (Foto:Flickr/David Gallagher)

In antwoord op Evelien Tonkens? column Triomf en afgang van marktwerking schreef ik vorige week over de wenselijkheid van de wederopstanding ervan. Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat de effecten overwegend positief zijn, dus waar is dat anti-marktsentiment toch op gebaseerd? Het was een boos stuk, en een aantal van u stoorde zich aan mijn stevige kwalificaties. Waarvoor excuus.

Tonkens reageert deze week gelukkig inhoudelijk, en begint te zeggen dat de markt ?op veel terreinen prima werkt?. Daarmee is de ?afgang van marktwerking? uit haar eerste column dus van tafel ? het punt waar ik zo boos om werd. Daar ben ik blij mee. Niettemin, schrijft Tonkens, maak ik drie ?elementaire denkfouten?. Het is aardig om het over twee van die drie nog even te hebben, ook omdat ze aansluiten bij veel mails van lezers.

Mijn eerste denkfout: ?Het idee dat de overheid publieke diensten echt op afstand kan plaatsen en er dan ook af is.? Ik durf er heel wat onder te verwedden dat Tonkens geen enkel citaat kan vinden van Nederlandse economen waarin zoiets potsierlijks wordt beweerd. Markt en staat, zeggen economen juist, hebben elkaar hard nodig, en niet alleen bij publieke diensten.

Het interessante aan vormen van gereguleerde marktwerking die in Nederland geïntroduceerd zijn, is dat de publieke belangen (doorgaans) goed geborgd worden. Laat ik een voorbeeld geven uit Tonkens? favoriete sector, de zorg. Een vrije markt van zorgverzekeringen werkt voor geen meter. Er treden allerlei vormen van marktfalen op: van mensen die zich niet verzekeren of de verzekeringspremie niet kunnen betalen tot risicoselectie door verzekeraars. Er is in Nederland niemand die streeft naar dit soort Amerikaanse toestanden.

Bij de introductie van het nieuwe stelsel door het vorige kabinet ? niet bepaald het meest linkse dat Nederland ooit gekend heeft ? zijn daarom regels gemaakt om zulk marktfalen te voorkomen. Iedere Nederlander is verplicht zich tegen ziektekosten te verzekeren. Alle verzekeraars hebben een acceptatieplicht voor het standaardpakket. De kosten van slechte risico?s (mensen met heel veel ziektekosten) worden tot op grote hoogte verrekend. De bijdrage van Nederlanders aan de zorgkosten zijn bovendien afhankelijk van de hoogte van hun inkomen.

Ook zijn er regels voor het helpen van mensen die (illegaal) onverzekerd bij de EHBO binnenkomen: we laten in Nederland niemand doodgaan omdat hij niet verzekerd is. Marktwerking is in Nederland altijd gereguleerde marktwerking, waarbij de regels en voorschriften de publieke belangen borgen. Publieke sectoren verschillen hierin alleen gradueel en niet principieel van wat we private sectoren noemen. Ook bij de productie van potjes pindakaas, hypotheken en telecom komt veel overheidsregulering kijken, die wordt gehandhaafd door achtereenvolgens de Voedsel- en Waren Autoriteit, De Nederlandsche Bank en de Opta. Het ?ontvlechten van staat en markt?, een ideaal dat Tonkens ontleent aan Frank Ankersmit, is domweg onmogelijk. De staat is nodig om markten goed te laten werken. De markt is nodig om de staat efficiënt te houden. Mijn tweede denkfout: ?Dat zorg bestaat uit heldere, goed afgebakende producten.? Dat druist in tegen het wezen van de zorg dat volgens Tonkens bestaat uit een ?open, onvoorspelbaar en relatiegebonden proces?. Als de dienstverlening niet gestandaardiseerd kan worden, kunnen er geen prijzen berekend worden en zorgverzekeraars geen zorg inkopen.

Het interessante in de zorg is nu juist dat het (met vallen en opstaan) steeds beter lukt om wél diensten helder af te bakenen. Dat geldt in de eerste plaats voor ?fabriekswerk? als staaroperaties en orthopedische operaties (nieuwe knieën en heupen) die dezer dagen efficiënt in ?straten? worden georganiseerd. Maar het geldt ook voor die relatiegebonden processen waarover Tonkens schrijft. Denk aan de succesvolle Thomashuizen voor verstandelijke gehandicapten en De Herbergier voor mensen met geheugenproblemen: kleinschalige franchise- formules, gebaseerd op ondernemerschap en vrije patiëntenkeuze. Een groot deel van de zorg, kortom, kan wel degelijk als afgebakende dienstverlening worden aangeboden. Sterker nog: het gebeurt. Nog sterker: met succes.

Marktwerking gaat over de zoektocht naar de beste ordening van sectoren: publieke belangen borgen, en binnen die randvoorwaarden zo veel mogelijk efficiëntie afdwingen. Nederland heeft niets aan het verkwanselen van de publieke belangen, maar is evenmin gediend bij inefficiëntie. Marktordening hoort daarom thuis in het centrum van het serieuze publieke debat.

  1. 1

    Twee problemen die aan bod komen in de column:
    – Gereguleerde marktwerking vereist een hoop controle en regels door de overheid, wat een hoop kosten en bureaucratie met zich meebrengt, terwijl de commerciële bedrijven pr-budgetten hebben. Een simpele lompe overheidsregeling kan daarom soms goedkoper zijn.
    – Marktwerking vereist een hoop onderzoek van de consument: vergelijken van prijzen en voorwaarden. Lager opgeleiden kunnen hier problemen mee hebben. Bovendien is uit de economische psychologie bekend dat zelfs als mensen rationeel gezien beter af zijn met heel veel keus, ze er vaak toch ongelukkiger door worden.

  2. 2

    Beste Frans,

    Ik ben het in grote mate absoluut eens met je analyse. De introductie van marktwerking in traditionele overheidsdiensten heeft in de praktijk nooit betekend dat de overheid compleet afstand heeft gedaan van haar verantwoordelijkheid t.a.v. de borging van publieke belangen. Een verantwoordelijkheid die sterk nodig is en een voorwaarde vormt voor succes. Het woord “marktwerking” is dan ook misleidend, beter kan men in dit soort gevallen spreken van “gereguleerde marktwerking”. Wel is jouw analyse van de zorgsector naar mijn idee iets te rooskleurig. Ik ben het met je eens: de solidariteit die aan de basis ligt van ons zorgstelsel is door overheidsregulering in stand gehouden (danwel met enkele “verschuivingen”). Maar vervolgens stel jij: “Het interessante in de zorg is nu juist dat het (met vallen en opstaan) steeds beter lukt om wel diensten helder af te bakenen.” Dit druist haaks in op de recente berichtgeving om de geplande invoering van prestatiebekostiging voor de ziekenhuizen uit te stellen. Dit naar aanleiding van de NZa, die constateert dat ziekenhuizen nog steeds de beschrijving van hun producten, de zogenoemde diagnose-behandelingcombinatie (dbc), niet op orde hebben. Het gevolg is dat ziekenhuizen niet precies weten wat ze leveren en zorgverzekeraars niet wat ze inkopen. Zonder helderheid op dit punt brengt liberalisering grote risico?s met zich mee. Ik zie in andere woorden nog heel veel “vallen”. Marktwerking is in andere woorden een groot goed, maar dit soort ongeregeldheden impliceren dat marktwerking geen doel op zich mag worden, gekenmerkt door een grote politieke druk om het willens en wetens in te willen voeren tijdens een bepaalde kabinetsperiode. Het is deze politieke kortzichtigheid die vaak de reden is geweest voor de negatieve berichtgeving omtrent de uitwerking van marktwerking voor overheidsdiensten, niet de marktwerking an sich. Pas als de overgang van publiek naar privaat doordacht en niet te gehaast plaatsvindt zal er na het “vallen” ook weer ongedeerd en wel worden “opgestaan”.

  3. 3

    Deze ideeën zijn al zo oud als Keynes, die in de jaren 20 van de vorige eeuw al tot de conclusie kwam, dat de vrije markt op heel veel terreinen te kort schoot en dat daarom de overheid altijd een belangrijke rol zou moeten en blijven vervullen. Maar ze staan wel haaks op de privatiseringen van de publieke bedrijven tijdens de vorige kabinetsperiodes (ook en met name onder Kok hebben de grote privatiseringen plaats gevonden), waarbij de publieke belangen niet goed geborgd werden (dan waren immers de infrastructuur van NS en het telefoonnet bijvoorbeeld gewoon in publieke handen gebleven). Ik ben het dus niet eens met de stelling, dat bij de privatiseringen van de laatste 10-15 jaar de publieke belangen altijd goed geborgd zijn.

    Voor de rest ben ik het met de column grotendeels eens.

    @Martijn: “Marktwerking vereist een hoop onderzoek van de consument: vergelijken van prijzen en voorwaarden. Lager opgeleiden kunnen hier problemen mee hebben”. Niet alleen lager opgeleiden hebben hier problemen mee. Heel veel mensen hebben helemaal geen zin om om de haverklap uit te gaan zoeken, waar ze per jaar een dubbeltje goedkoper uit kunnen zijn. Het uitzoeken alleen kost je al meer tijd (en indirect dus geld) dan dat het oplevert. En als de prijzen van de geprivatiseerde diensten nu lager zouden zijn dan vroeger, zou het de moeite nog wel lonen om dat eenmalig uit te zoeken, maar ook dat is niet het geval: de prijzen zijn alleen maar gestegen. Vanuit de -oligopolische- marktpartijen bekeken is dat ook volkomen terecht: waarom zou je minder gaan vragen voor die diensten dan wat de mensen vroeger ook al betaalden? Ze kunnen het blijkbaar betalen en je hebt maar een paar concurrenten, dus zo lang die hun prijzen niet verlagen, is er geen enkele reden om dat zelf wel te doen. De consument kan dus meer uitzoeken, maar wordt er niets beter van. Ik weet trouwens ook niet hoe je dat op kunt lossen, hoor. Misschien is het mogelijk overheidstoezicht op de marketingbudgetten te houden, zodat de oligopolisten gedwongen worden op prijzen te concurreren in plaats van op ´het binnenhalen van klanten met enorme reclamebudgetten, waarna de klanten gewoon de door de aanbieder en niet door de markt vastgestelde prijs moeten gaan betalen´. Maar als je weet hoe gemakkelijk het is om de cijfers zo te manipuleren, dat het net lijkt alsof je niets aan marketing uitgeeft, dan zal dat altijd wel een utopie blijven. Socialistische economische theorieën bieden daar wel een antwoord op, maar die ontwikkelen zich nu eenmaal langzamer dan kapitalistische economieën en verliezen dus die concurrentiestrijd, omdat in kapitalistische economieën het kapitaal op wordt gehoopt op enkele plaatsen (vandaar: kapitalistisch) en dus sneller beschikbaar kan zijn voor nieuwe investeringen, en omdat de beslissingsbevoegdheid over de inzet van dat kapitaal bij slechts een of enkele personen ligt (tegenover allerlei overlegstructuren en daaruit voortvloeiende planningen, die het proces daardoor veel statischer maken).

  4. 4

    Eens met #1. En ik mis nog iets:
    – (het ontkrachten of aanstippen van) de claim dat marktwerking altijd tot én de goedkoopste oplossing én de meest tevrede klant/patient/client leidt.

    Daarnaast:

    ”Markt en staat, zeggen economen juist, hebben elkaar hard nodig, en niet alleen bij publieke diensten.”

    Ow-ja? Wel eens van Milton Fiedman gehoord? En nu niet zeggen: dat is de VS. Er zijn in Nederland genoeg mensen die dat ook vinden; tel de zetels in de peilingen voor VVD, PVV en ToN maar bij elkaar op.

  5. 5

    Friedman? Ja, daar heb ik wel eens van gehoord. Die wilde de centrale overheidsbanken gebruiken om monetair beleid te voeren, maar was achteraf groot genoeg, om toe te geven, dat zijn theorie niet alleen zalig makend is, bij het aftreden van Alan Greenspan als directeur van de Fed: “Finally, though, when Chairman Greenspan?s term ended, Friedman, assessing his use of discretionary policies, instead of ?strict rules to control the amount of money created?, conceded that ?his performance has persuaded me that he is right ? in his own case? (?He has set a standard,? January 31, 2006, Wall Street Journal)”.

    Daarnaast kan natuurlijk ook worden geconstateerd, dat de theorieën van Friedman m.n. in de jaren 80 van de vorige eeuw op diverse plaatsen uit zijn geprobeerd en dat al die experimenten stop zijn gezet, omdat ze niet werkten.

    Keynesianen (als ik) roepen dan maar al te graag: zie je wel, oude wijn wordt er niet beter op als je ze in nieuwe zakken stopt. De theorie van Friedman verschilt immers niet erg veel van die van Hume. Gezien de nog altijd grote aanhang voor de theorieën van Friedman, is het bijna jammer, dat de centrale banken zijn theorieën niet tot het einde toe door hebben gevoerd, waardoor 19 oktober 1987, na jarenlang reaganomics en thatcheriaans (beiden op Friedman gestoeld) economisch beleid, niet net zo´n grote ramp werd als 24 oktober 1929.

  6. 6

    Ooit ben ik in de zorg gaan werken om mensen te helpen. Daar is het me om te doen. Mensen leren kennen en vooruit helpen in het leven, geeft een goed gevoel. Nu is het geen wat ik doe, een produkt geworden op een markt. Een soort appel, step of voetbal. Dat is erg typisch van ons mensen. Door de patient; klant, te gaan noemen en zorg; markt, vluchten we van onze ethische verantwoordelijkheid te zorgen.
    We worden een soort super individu, die enkel nog consument en arbeidskracht kan zijn, zonder een echte relatie te zoeken of te kunnen zoeken met de ander. Blijkbaar het nieuwe dogma van deze tijd…..