De politiek-economische sfeer van het internet

Op 17 augustus 1982 werd de eerste Compact Disc gemaakt, door Polygram, een bedrijfsonderdeel van Philips. Daar was decennia aan onderzoek voor nodig geweest, onder andere in het NatLab van Philips in Waalre. Er was veel tijd en geld geïnvesteerd en dat resulteerde uiteindelijk in een vernieuwend product dat z’n weg vond op de consumentenmarkt. De CD werd een succes. Het werd de nieuwe standaard als opslagmedium voor muziek. De CD was op dat moment een belangrijke innovatie en de investeringen die daaraan vooraf gingen moesten natuurlijk terugverdiend worden. De adviesprijs van één CD, met meestal een klein uur aan muziek, was bijna veertig gulden. Twee keer zoveel als de LP. Een speler kosten vele honderden guldens. Consumenten moesten daar dus wel iets voor willen neerleggen. Gezien het succes van de CD waren ze daar echter graag toe bereid. In 2007, 25 jaar na de introductie, waren er zo’n 200 miljard CD’s verkocht. De CD heeft zich op de consumentenmarkt dus ruimschoots terugverdiend. Het is daarmee ook een illustratie van hoe het kapitalisme in die jaren werkt. Innovatieve technologiebedrijven investeren in onderzoek en productiefaciliteiten en ontwikkelen nieuwe technieken. Dat leidt tot nieuwe producten die op de consumentenmarkt verkocht kunnen worden. Daarmee worden de investeringen terugverdient en wordt er, als het mee zit, nog jaren winst gemaakt. Een andere economische sfeer Dan de wereld van vandaag. Hebben we het tegenwoordig over high-tech en innovatie, dan denken we vooral aan de wereld van Big Tech. Een wereld waarin duizenden programmeurs werken, maar die vooral draait op wereldwijde netwerken en talloze datacenters. Dat is waar techbedrijven in investeren. Daar draaien duizenden computers, op grote hoeveelheden stroom die samen de fysieke infrastructuur vormen die het internet draaiend houdt. De hardware die de software mogelijk maakt waarmee we e-mailen, chatten, videobellen, zoekopdrachten geven, schrijven, filmpjes kijken, berichtjes doorsturen en hartjes uitdelen. Als de economische sfeer van het internet hetzelfde zou werken als dat jaren-80-kapitalisme, dan zouden consumenten voor het gebruik geld neerleggen. Een middelbare scholier zou een bijbaantje hebben, om tegen betaling TikTokfilmpjes te kunnen zien, om Google zoekopdrachten te kunnen geven en via WhatsApp berichten te kunnen sturen. Maar het kapitalisme van big tech werkt niet zoals het kapitalisme van toen. Een groot deel van de economische sfeer van het internet werkt heel anders, mede doordat het gebaseerd is op software waar je niet voor betaald. Privé-gegevens als betaalmiddel? Dàt het niet zo werkt weten we allemaal. Niemand betaalt voor het gebruik van TikTok, Google en WhatsApp. Toch moeten die investeringen terug worden verdiend. Dat gebeurt natuurlijk vooral door onze persoonlijke gebruiksgegevens met advertentie-inkomsten te gelde te maken.[1] Tot zover niets dat u niet al wist. De vraag is alleen, hoe werkt die economische sfeer van het internet dan? De conclusie die je in ieder geval niet kunt trekken is dat wij als consumenten onze privé-gegevens als betaalmiddel inzetten. Want stel je maar eens voor hoe het eruit zou zien als we met onze privé-gegevens zouden betalen. Je wilt TikTok gebruiken en bij het starten van de app wordt je gevraagd met welke gegevens je wilt afrekenen. Je kunt kiezen uit allerlei privé-gegevens die voor van alles zullen worden gebruikt. Je stemt in met het afstaan van drie dagen aan locatiegegevens, zodat TikTok en alle bedrijven die daarvoor willen betalen, je drie dagen mogen volgen. Of je verkoopt je zoekgeschiedenis, berichten aan bekenden, of foto’s. Vervolgens krijg je een uur de tijd om filmpjes kijken. In zo’n geval zijn je privé-gegevens betaalmiddel geworden. Er is een afweging van de consument die duidelijk weet wat betaald moet worden en wat hij daarvoor ontvangt. Als de consument akkoord gaat vindt de transactie plaats. Zo werkt het economisch contact met Big Tech echter niet. [caption id="attachment_370308" align="aligncenter" width="641"] Zo zou een betaalscherm voor transacties met privé-gegevens eruit kunnen zien[/caption]   Gebruiker is niet de consument maar het product Het kapitalistische model van de internet-economie en haar gratis software, is wel gebaseerd op privé-gegevens. Ze worden alleen niet door de gebruiker als betaalmiddel ingezet. We kunnen de activiteiten van Big Tech beter vergelijken met de activiteiten van de olie-industrie. Want zoals de olie-industrie olie oppompt, zo tapt Big Tech privé-gegevens af om deze vervolgens te verkopen. Voor dat aftappen van privé-gegevens heeft Big Tech spionage-infrastructuur [2] gebouwd, die aan de aardlagen van onze telefoons, pads en computers doorlopend gegevens onttrekt. Daar bovenop wint ze waar mogelijk nog gegevens uit ons privé-domein, via onze camera’s en microfoons. [3] En zoals de olie-industrie olie raffineert voor ze die verkoopt, zo vindt er ook een soort data-raffinage plaats. Gegevens die gebundeld en geordend worden, alvorens ze te gelde worden gemaakt. Essentieel daarbij is dat die gegevens-winning onze rol in het economische spel verandert. We zijn wel de gebruikers van de gratis producten van big tech, maar we zijn niet de consumenten. Ons gebruik van die gratis producten is de grondstof waar het winningsproces om draait. Het levert Big Tech de gegevens op die ze na bewerking verkoopt aan adverteerders. Dat onderscheid, tussen gebruiker en consument is in de oude economie ongebruikelijk. De gebruiker van de CD was ook de consument die de CD aanschafte. De consumenten van Big Tech zijn echter de adverteerders. Door ons gebruik van alle gratis software zijn wij het product geworden dat door die adverteerders wordt geconsumeerd. Deze veranderde rol van het grote publiek dat voorheen altijd de consument was en de verreikende spionage-infrastructuur die daar de basis voor vormt, zijn bepalend voor de inrichting van de economische sfeer van het internet. Dat heeft allerlei gevolgen. Drie daarvan, elk van een andere orde, wil ik verkennen. 1. Anti-trust en mededinging Het eerste gevolg heeft te maken met economische macht en hoe die ingeperkt kan worden. In de economisch orde van voor de jaren tachtig waren er twee belangrijke machten waar bedrijven mee te maken hadden. De eerste was de macht van de consument. Als een bedrijf een product maakte dat de consument niet beviel, dan kon de consument ‘met z’n voeten stemmen’ door te vertrekken naar de concurrent. Dat kan echter niet bij een monopolist, omdat er geen concurrenten (meer) zijn. Daarom was er die andere macht, de overheid met haar anti-monopoliewetgeving. Op basis van die wetgeving kon de te grote macht van monopolisten aangepakt worden. Deze tegenmachten werken niet meer zo. Om te zien hoe dat is veranderd en te begrijpen wat dat betekent voor de door Big Tech ingerichte economische sfeer van het internet, hebben we enige historische context nodig. Een blik in de geschiedenis van de anti-monopoliewetgeving. Deze begint, in de V.S., rond het aannemen van de Sherman Act in 1891. Dat was een reactie op de macht van de robberbarons, de bazen van grote bedrijven als Standard Oil. Het luidde het begin in van een strijd tegen die macht en kreeg handen en voeten met het instellen van The Bureau of Corporations in 1903. Dat onderzocht de olie-industrie en op basis van dat onderzoek werd Standard Oil, het zakelijk imperium van Rockefeller, in 1911 opgesplitst. In 1915 werd The Bureau of Corporations onderdeel van de in dat jaar opgerichte Federal Trade Commission (FTC), die nog steeds bestaat. De FTC onderzoekt monopolistisch machtsmisbruik en waar ze dat aantreft worden bedrijven voor de rechter gedaagd. Na Standard Oil volgde er in de twintigste eeuw verschillende grote zaken, zoals tegen Alcoa (eind jaren 30, begin jaren 40) en AT&T (jaren 70). [4] Die zaken werkten vooral ook preventief. In de woorden van Matt Stoller over Thurman Arnold - de ‘trustbuster’ die eerst werkte voor de FTC en vanaf 1938 de anti-trustdivisie van het Amerikaanse ministerie van Justitie leidde - "As Congress publicly exposed how monopolies acted in the economy, Arnold didn’t even have to prosecute cases.” [5] — — — Dit artikel is onderdeel van de substack Workshop Nieuw Kapitalisme. Geïnteresseerden kunnen zich daar inschrijven voor een nieuwsbrief. Nieuwe artikelen ontvang je dan per mail. — — — In de loop van de jaren 70 veranderde echter het denken over de macht van grote bedrijven. Onder het neoliberale gesternte werden de criteria voor problematische monopoliemacht aangepast. Cruciaal daarbij werd - en daarmee zijn we terug waar we begonnen - de consument. In navolging van het boek The Antitrust Paradox (1978) van Robert Bork, werd het probleem van monopoliemacht teruggebracht tot de vraag of een monopolie het consumentenwelzijn aantastte. Dat was het geval wanneer een monopolie leidde tot hogere consumentenprijzen. Als dat niet kon worden aangetoond, dan was er volgens deze neoliberale uitleg van de antitrustwetten, geen probleem. [6] Kijken we vervolgens naar Big Tech, dan bestaat de indruk dat wij als gebruikers ook de consumenten zijn. Aangezien het grootste deel van de software kosteloos is, zou je daarom tot de conclusie kunnen komen dat de consument überhaupt niet hoeft te betalen aan Big Tech en gratis is natuurlijk nooit te duur. Daarmee vervalt, volgens het criterium van Bork, de grond om de macht van Big Tech aan te pakken. We weten nu echter dat dat niet is hoe de economie van Big Tech werkt, omdat niet het grote publiek, maar adverteerders de consumenten zijn. Zij betalen veel geld aan de weinige aanbieders die deze markt van persoonsgegevens domineren. Een oligopolistische markt met slechts enkele spelers die mede daardoor immense macht in handen hebben en hoge prijzen kunnen vragen. Prijzen die de adverteerder ophoest en via andere wegen aan het grote publiek doorberekent. Laten we in meer detail kijken naar die verhouding tussen Big Tech en de gebruiker. 2. Transactieloze keuze-arme gebruikerservaringen In een klassieke economie heeft de consument een belangrijke functie in die zin dat zijn aankopen sturend zijn voor wat er geproduceerd wordt. We zijn allemaal consument en met onze aankopen bepalen we dus het succes, of falen van producten die de industrie levert, zoals de CD. Dat draait om een hele basale economische mechaniek, namelijk de afweging die plaatsvindt rondom een (mogelijke) transactie. De consument zoekt een product, maakt een inschatting over de kwaliteit, weegt de kosten af en neemt uiteindelijk een beslissing die soms tot aankoop leidt. Die transacties tussen gebruikers en Big Tech bestaan binnen het ecosysteem van gratis software niet. De vraag hoeveel het iemand waard is om van Whatsapp en TikTok gebruik te maken, wordt nooit gesteld. Terwijl die afwegingen in het klassieke kapitalisme richtinggevend waren. Dat betekent dat de macht die de consument heeft, door ‘met de voeten te stemmen’ en naar de concurrent te gaan, niet op die manier werkt. Producten waar je niet voor betaalt zijn nooit te duur, dus dat is nooit een reden om naar een andere producent te gaan. Een belangrijke overweging daarbij is dat voor veel van de gratis producten van Big Tech er nauwelijks alternatieven bestaan. Op de meeste I-Phones draait alleen het besturingssysteem IO/S van Apple. Andere telefoons worden standaard geleverd met Android (van Google/Alphabet). Alternatieven zijn nauwelijks bekend en omdat Android al geïnstalleerd staat, ingewikkelder om te gaan gebruiken. Voor YouTube van Google bestaan alternatieven, maar die bieden maar een fractie van het filmmateriaal van wat op Youtube te zien is. Dus ben je toch op YouTube aangewezen. Belangrijker nog is het fenomeen dat het netwerk-effect wordt genoemd. Dat geldt met name voor software als Whatsapp en TikTok. Als al je familie en vrienden gebruik maken van zo’n app, dan val je buiten dat netwerk op het moment dat jij kiest voor een alternatief. Het zorgt voor een soort sociale binnensluiting, waar je als individu niet uitkomt. Kortom, de consument in de klassieke economie maakt altijd een afweging, over of het product de prijs wel waard is. Hij heeft keuzevrijheid en kan dus ook ‘met z’n voeten stemmen’ en bij een andere fabrikant aankloppen. Zo oefent hij de macht uit die hij als consument heeft. De gebruiker in het ecosysteem van gratis software maakt die afweging om tot aankoop over te gaan helemaal niet. Zijn keuzevrijheid is grotendeels gecompromitteerd door het functioneren van dat ecosysteem dat op allerlei manieren obstakels opwerpt om alternatieve keuzes te maken. Tegenover het gratis gebruik staat dus minder tegenmacht en minder keuzevrijheid. We hebben gezien dat het loskoppelen van gebruiker en consument, in combinatie met de antitrustwetten die sinds de jaren 80 op consumentenprijzen focussen, een immense machtsconcentratie bij Big Tech heeft mogelijk gemaakt, die nauwelijks wordt aangevochten. Mede doordat gebruikers het probleem niet zien. Verder is duidelijk geworden dat het grote publiek niet meer uit consumenten bestaat die en masse met hun voeten stemmen. De gebruiker is geen consument, sluit geen transacties met Big Tech af en wordt zoveel mogelijk binnengesloten in het door Big Tech ingerichte ecosysteem van gratis software, die de winning van persoonsgegevens mogelijk maakt. Die alomvattende spionage-infrastructuur zelf heeft ook gevolgen, waar ik mee wil besluiten. 3. De (on)persoonlijke economie Milton Friedman dichtte een eigenschap aan de klassieke economie toe, waar niet vaak bij wordt stilgestaan, maar die door de infrastructuur van Big Tech weleens ongedaan zou kunnen worden gemaakt. “The essence of a competitive market is its impersonel character”. [7] Dat onpersoonlijke heeft te maken met het transactionele karakter van de economie en de rol van prijzen daarin. Prijzen zijn neutraal in die zin dat ze geen onderscheid maken tussen soorten mensen. Het maakt niet uit wie de mensen zijn die een product maken, welke politieke opvattingen ze hebben, of wat hun culturele achtergrond is. Op de markt gaat het om de prijs en de kwaliteit van het product. Dat is waar het om draait in een vrije markt economie. Dat onpersoonlijke karakter van de economie vormt ook een fundament voor politieke vrijheid. Dat zien we het best als we begrijpen hoe dat in een dictatuur werkt, waar economie en politiek niet van elkaar gescheiden zijn. De economische productie is er of in handen van de overheid, of is onderwerp van vergaande overheidsbemoeienis. In zo’n situatie is kritiek op bijvoorbeeld een politieke leider niet mogelijk zonder het risico op vergaande economische consequenties. Want die kritiek wordt opgemerkt binnen het bedrijf en gerapporteerd aan de staat, of andersom. De staat noteert de kritiek in de media, of tijdens een demonstratie en geeft dat door aan de werkgever van de criticus. Het bedrijf weet wat te doen. De persoon die z’n mond open durfde te doen is z’n baan kwijt en vindt geen nieuwe, omdat alle bedrijven onder toezicht van de staat staan. Inkomen weg, huis weg, bestaan weg. In een liberale democratie wordt politieke vrijheid mede mogelijk gemaakt doordat politiek en economie gescheiden zijn. Dus zelfs als een politiek leider het niet zo op heeft met zijn critici, zal dat niet leiden tot economische consequenties. De communicatie tussen bedrijven onderling en met de overheid is transactioneel, waarbij prijzen leidend zijn. Dat betekent dat je niet weet of het brood dat je eet is gemaakt van graan dat is geoogst door iemand met een andere politieke overtuiging, een ander geloof, of een andere kleur. Dat illustreert, in de woorden van Friedman “how an impersonal market separates economic activities from political views and protects men from being discriminated against in their economic activities for reasons that are irrelevant to their productivity - whether these reasons are associated with their views or their color.[8] Binnen de democratie bestaat er een scheiding van machten, de zogenaamde trias politica, die te grote machtsconcentraties voorkomt en de vrijheid van burgers waarborgt. In het verlengde daarvan draagt ook de scheiding tussen economie en politiek daaraan bij en zorgt voor het voortbestaan van onze vrijheid. Die scheiding tussen politiek en economie en het onpersoonlijke karakter van de economie zelf dreigen verloren te gaan. De basis voor die verandering is de spionage-infrastructuur van Big Tech, die een omvang heeft die geheime diensten in de koude oorlog niet voor mogelijk hadden gehouden. Die infrastructuur wordt, zoals we weten, gebruikt voor het verzamelen van immense hoeveelheden persoonlijke gegevens, waaruit bijvoorbeeld duidelijke politieke profielen kunnen worden afgeleid. Wat die infrastructuur echter ook doet is het op allerlei manieren verweven van economische organisaties, met elkaar en met de politiek. Dat gebeurt op het moment dat data als product op de markt wordt verkocht, of als overheden data toe-eigenen, bijvoorbeeld op basis van anti-terrorismewetgeving. Dan worden werelden samengebracht, die om goede redenen gescheiden zouden moeten blijven. Een ogenschijnlijk onschuldig voorbeeld zijn bedrijven die bij het zoeken naar personeel hun uitingen op social-media doorlichten. De infrastructuur van Big Tech, geeft toegang tot politieke opvattingen, soms van lang geleden, en maakt dat doorlichten mogelijk. Het zal dus voorkomen dat sollicitanten vanwege hun (vroegere) politieke opvattingen economisch worden benadeeld. Dat het veel verder kan gaan illustreert de installatie van DOGE direct na de inauguratie van Donald Trump in januari 2025. Dit door zakenman Musk geïnitieerde Department of Government Efficiency krijgt een vrijgeleide van Trump om alle overheidsonderdelen die iets met diversiteit, gelijkheid en inclusie te maken hebben (DEI) te ontmantelen en medewerkers te ontslaan. Musk betrekt daarbij technici van zijn eigen bedrijven, die de computersystemen van de overheid overnemen, koppelen en doorlichten, op zoek naar afdelingen en mensen die dit gedachtegoed onderschrijven of uitdragen. Dit teneinde de overheid te zuiveren van dit gedachtegoed en deze praktijken.[9] Kortom, een versmelting van politieke en economische macht, waarbij de digitale infrastructuur en medewerkers van bedrijven worden ingezet om bepaalde politieke opvattingen van mensen in overheidsdienst economisch te bestraffen. Het levert terecht geschokte reacties op, maar maakt vooral goed zichtbaar, wat in andere gevallen onzichtbaar zal blijven. Dat de infrastructuur van Big Tech economie en politiek met elkaar verweeft en daardoor onze politieke vrijheid vergaand kan ondermijnen. — — — [1] Ter illustratie de advertentie inkomsten van Meta tot 2024 [2] Het woord spionage kan in deze context wat ongepast klinken, omdat we daarbij eerder denken aan de activiteiten van de staat. Maar laat je de praktijken van Big Tech tot je doordringen, dan kan de conclusie geen andere zijn dan dat het woord spionage de lading uitstekend dekt. [3] Denk aan de Facebook-pixel en Alexa van Amazon. [4] Matt Stoller, Goliath. The 100 year war between monopoly power and democracy, Simon & Schuster Paperbacks, 2019. Pagina 135 [5] Ibid. Pagina 150 [6] Tim Wu, The Curse of Bigness. Antitrust in the new gilded age, Columbia Global Reports, 2018. Pagina 88 [7] Milton Friedman, Capitalism and Freedom, The University of Chicago Press, 2002. Pagina 119 [8] Ibid. Pagina 21 [9] Meer informatie is bijvoorbeeld te vinden op deze gearchiveerde pagina van de Washington Post.

Quote du Jour | The cost of fire trucks

Why couldn’t the LAFD keep its equipment in working order? A lot of people blame budget cuts, but there’s another root issue – increasing prices and metastasizing production delays for these vehicles.

The cost of fire trucks has skyrocketed in recent years––going from around $300 -500,000 for a pumper truck and $750-900,000 for a ladder truck in the mid-2010s, to around $1 million for a pumper truck and $2 million for a ladder truck in the last couple years.

Meanwhile, the time it takes to get a fire truck delivered has grown dramatically, from less than a year before the pandemic to anywhere between 2 and 4.5 years today. (It’s not just trucks, all fire equipment is increasing quickly in price, from air supply packs to maintenance contracts.)

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: stalkERR (cc)

Twitter. Wat is het? (3/3)

ANALYSE - Een draadje over Twitter. Over vrijheid, meningsuiting en waarom presidenten geen Twitteraccount moeten hebben. Over monopolies en het sociale mechanisme dat Twitter macht geeft. Over de vraag of Twitter eigenlijk wel een bedrijf moet zijn. |deel 1| |deel 2|

Standard Oil

Theodoor Roosevelt, de 26ste president van de V.S., liet het Bureau of Corporations een rapport opstellen over Standard Oil dat in 1906 naar het congres werd gestuurd. Sinds 1890 was de Sherman Antitrust Act tegen monopolievorming van kracht. Maar hoewel ze was aangenomen, werd ze nog niet afgedwongen. Daar moest verandering in komen. Zeker na de publicatie van 19 artikelen van journalist Ida Tarbell onder de naam The History of the Standard Oil Company. Het vernietigende rapport liet nog duidelijker het machtsmisbruik zien dat Standard Oil gebruikte om concurrenten uit te schakelen.

Maar alvorens de zaak naar de rechter te sturen nodigde hij directeur John D. Rockefeller uit voor een geheime bijeenkomst in het Witte Huis. Hij opperde dat het private kartel Standard Oil niet perse opgebroken hoefde te worden. Het zou ook een publiek kartel kunnen worden, met de staat als aandeelhouder. Het ging hem namelijk niet zozeer om het economische probleem, het monopolie en het gebrek aan concurrentie. Dat zou in een publieke variant immers blijven bestaan. Het ging hem om het politieke probleem. Het ging hem om de macht van Standard Oil, dat zich boven de wet waande. Dat ondermijnde de macht van de democratie.

Foto: stalkERR (cc)

Twitter en het HEMA rookworstmonopolie (2/3)

ANALYSE - Een draadje over Twitter. Over vrijheid, meningsuiting en waarom presidenten geen Twitteraccount moeten hebben. Over monopolies en het sociale mechanisme dat Twitter macht geeft. Over de vraag of Twitter eigenlijk wel een bedrijf is.

Begin januari besloot Twitter het account van Trump uit te zetten. Van verontwaardiging over de vermeende censuur van de president (zie deel 1) verplaatste de aandacht zich echter al snel naar de macht van Big Tech. Dat werd goed geïllustreerd in enkele tweets van Thijs Kleinpaste:

Dat klinkt niet onredelijk en sluit naadloos aan bij hoe er in de V.S., waar hij woonachtig is, in toenemende mate over big tech gedacht wordt. Onderzoeker en journalist Matt Stoller, bevindt zich in het hart van die discussie en schreef:

Tiny Tech

Beide opmerkingen zijn begrijpelijk als Facebook of Amazon worden bedoeld, maar niet als het gaat om Twitter. Twitter kunnen we niet rekenen tot Big Tech zoals dit plaatje van SOMO laat zien. Twitter is Tiny Tech. Het woord Big Tech helpt overigens ook niet bij een analyse van Big Tech. Het suggereert een gelijkvormigheid, van zowel de bedrijven als de problemen die ze veroorzaken, die er niet is.

Maar over Tiny Tech Twitter, is dat relatief kleine bedrijf een monopolie? En wat is eigenlijk een monopolie? Het woord kennen we voornamelijk uit de economische theorie. Een fabrikant heeft een monopolie als hij een bepaalde markt domineert, omdat hij (nagenoeg) de enige producent van een bepaald product is.

Foto: stalkERR (cc)

Twitter moet @JoeBiden de mond snoeren (1/3)

ANALYSE - Een draadje over Twitter. Over vrijheid, meningsuiting en waarom presidenten geen Twitteraccount moeten hebben. Over monopolies en het sociale mechanisme dat Twitter macht geeft. Over de vraag of Twitter eigenlijk wel een bedrijf is.

Al drie weken rust. Waar sommige volgers al tijden naar snakten gebeurt op 9 januari. Twitter zet Trump uit en beëindigt zo informeel z’n presidentschap. Vragen volgen: is dit een goed idee? Wordt hier de vrijheid van meningsuiting overboord gegooid? Is dit een monopolistisch probleem? Enig ongeloof. Veel reacties van mensen die wel zien wat er gebeurt, maar niet begrijpen wat ze zien. In gradaties van onbegrip. Een driedelige poging om de situatie te verhelderen, waarbij ook duidelijk wordt waarom @Joe Biden op zwart moet.

Vrijheid van staatsbemoeienis

Don junior, wiens belezenheid we natuurlijk niet in twijfel trekken, weet wel waar hij het zoeken moet als z’n vader van Twitter wordt verbannen.

Maar was vader Trump de dag na z’n verbanning even door de westvleugel naar de Press Briefing Room gelopen, dan had de hele wereldpers hem daar opgewacht. In alle vrijheid hadden zijn woorden een breed gehoor bereikt. Via traditionele media, maar ook via Twitter en Facebook. Die verbanning heeft Trump geenszins zijn vrijheid om te spreken ontnomen.

Foto: USAG- Humphreys (cc)

Verboden te tweaken

COLUMN - Amerikaanse autofabrieken willen niet meer hebben dat hun klanten met hun tengels aan hun producten zitten. Nu ja: mechanische onderdelen zoals bougies, banden of schokbrekers mag u desnoods zelf nog wel vervangen, maar de code die voor de besturing en diagnostiek van de auto wordt gebruikt, beschouwen de automakers voortaan graag als hun exclusieve terrein. Zodra iemand anders die software bekijkt, onderzoekt, verbetert of aanpast, wensen ze dat te betstempelen als een inbreuk op hun intellectueel eigendom. Als piraterij, kortom.

Da’s voor de veiligheid, hoor, claimen de fabrikanten. Vanzelfsprekend. Stel je voor dat iemand niet weet wat-ie doet en per ongeluk de cruise control vernaggelt, of de botsingsdetector.

Alleen is de groep mensen die in hun schuurtje, met een thermoskan koffie en de laptop erbij, de elektronische control unit (ECU) van hun auto eens fijn gaat uitpluizen, natuurlijk niet bijster groot. Om hen is het de fabrikanten ook niet te doen. Hun offensief richt zich op onafhankelijke bedrijven die zich hebben toegelegd op de tinkering, tuning & tweaking van moderne auto’s.

Want dat lijkt de automakers nou juist zelf zo’n lucratieve vorm van klantenbinding: wie een auto van ze koopt, mag tot in lengte der dagen de elektronica daarvan uitsluitend laten updaten, controleren of repareren bij door hen geautoriseerde dealers, die op hun beurt natuurlijk weer een percentage van de omzet aan diezelfde fabrikant afdragen. Via licenties, ketenbeheer en een beroep op intellectueel eigendom wordt de markt dichtgetimmerd, en de concurrentie tot piraterij verklaard.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Dossier Cito: de lange tentakels van een toetsfabriek

REPORTAGE - Het tijdschrift Didactief deed met behulp van een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur onderzoek naar de innige relatie tussen het ministerie van OCW en het Cito.

Didactief ontdekte dat de Nederlandse overheid het Cito wel erg gemakkelijk heeft gemaakt om geld te verdienen. En terwijl heel Nederland denkt dat Cito ´van de overheid´ is, strekt de toetsontwikkelaar zijn tentakels uit tot in belastingparadijzen als Delaware en de Bahama’s. Verliezen van de commerciële poot Cito BV worden gedekt met subsidiegelden van Stichting Cito.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Cybercrime; preventie vs. repressie

<Webwereld column>

Cybercrime en cyberoorlog zijn op dit moment de hippe termen om als overheid extra middelen en mogelijkheden te verwerven. Als men cybercrime kan combineren met de distributie van afbeeldingen van kindermisbruik (ook wel bekend als kinderporno) is het helemaal prijsschieten. Dan mag bijna alles. Wat daarbij vreemd blijft, is dat al die aandacht gaat naar het distribueren van afbeeldingen, terwijl het toch om die kinderen zou moeten gaan. Ik heb nooit helemaal begrepen hoe die kinderen worden beschermd door het filteren op die afbeeldingen.

Bart Schremer gaf afgelopen week in zijn opiniestuk een overzicht van de vragen waar opsporingsinstanties mee zitten. Enerzijds verwacht de samenleving (of liever het mediasysteem) van wetshandhavers dat alle misdaad onmiddellijk en perfect wordt opgelost, en dan liefst ook nog voor een bescheiden budget. Anderzijds willen de meeste Nederlanders nog steeds liever geen politie-staat naar Noord-Koreaans of Amerikaans model.

Maar wat in alle discussies over toelaatbare opsporingsmethoden, (cr)(h)ackende KLPD-ers en crime-fightende politici ontbreekt, is de vraag waarom cybercrime zo enorm gegroeid is. Het feit dat we veel meer en complexere IT gebruiken zal daar zeker aan hebben bijgedragen. Maar een belangrijke andere factor is de enorme digitale ongeletterdheid onder verreweg de meeste burgers en een extreme technische mono-cultuur op de desktop. Afgezien van wat slappe voorlichtingscampagnes doet de overheid er weinig aan burgers echte kennis en volwassenheid bij te brengen.

Als je al wat langer online zit (=langer dan 15 jaar) is het lastig je voor te stellen dat veel internetgebruikers van vandaag helemaal niet weten hoe een URL in elkaar zit. Met de browsers van vandaag is dat ook niet meer zo nodig. Vaak zie ik mensen een naam van een site in Google intikken (die als homepage ingesteld staat) en daarna doorklikken. En dus voert men ook zonder blikken of blozen bankgegevens in op helpdesk.br.ru/ING, of iets dergelijks. Want het logo stond in de mail en het is toch de helpdesk van de ING? Als mensen het verschil zouden snappen tussen een top level domein en de rest van de URL, kunnen ze zelf waarschijnlijk wel bedenken dat hun ING bank niet in Rusland huist.

Een van de belangrijkste oorzaken van het succes van cybercrim is dus de diepe onwetendheid van de meeste computergebruikers. Deze onwetendheid wordt mede veroorzaakt door een onderwijssysteem dat op trucjes traint in plaats van dat het mensen echt inzicht biedt. Het ‘computerrijbewijs’ is gewoon een cursus MS-Windows & MS-Office en geeft geen enkel inzicht in wat een computer doet of hoe netwerken functioneren. Niet dat iedereen tot systeemprogrammeur hoeft te worden opgeleid, maar en set minimale inzichten (zoals het kunnen ‘lezen’ van een URL) zou al veel leed kunnen voorkomen.

Daarnaast blijft de enorme monocultuur van computersystemen een groot probleem dat de overheid nog steeds actief groter maakt. Zo is het in Nederland vrijwel onmogelijk de middelbare school af te maken zonder toegang tot een systeem met MS-Windows en MS-Office. Een school besturen en gefinancierd krijgen is nog veel moeilijker. Studeren aan veel universiteiten is zonder Google-account in hoog tempo onmogelijk aan het worden en voor het functioneren aan andere instellingen is een Facebook-account verplicht.

De Tweede Kamer, horend de beraadslaging, constateerde in 2002 al dat software een cruciale rol speelde in de kennissamenleving, en dat de aanbodzijde van de softwaremarkt op dat moment sterk geconcentreerd was. De Kamer verzocht de regering dan ook zich maximaal in te zetten om hier verbetering in aan te brengen.

Het zijn de eerste zinnen van de Motie Vendrik over de niet-functionerende markt voor desktopsoftware, die al vrij snel buiten beeld zijn geraakt in alle discussies over PDF/A en welk opensource CMS nou het beste is. Maar het ging dus in eerste instantie om een verstoring van de softwaremarkt, niet de interne bedrijfsvoering van middelbare scholen, gemeentes en agentschappen. Die verstoring oplossen is een veel taaiere klus dan ‘iets met open standaarden doen’.

Hoewel steeds meer rekenwerk in mistige wolken gebeurt, verloopt de interactie met die wolken nog steeds voornamelijk via desktop/laptopsystemen. En de markt voor deze systemen is nog vrijwel net zo gemonopoliseerd als in 2002. Diegene die controle heeft over deze desktops, heeft de facto controle over de informatievoorziening van Nederland. Tot nu toe lijken vooral criminelen interesse te hebben in onze desktops. Het desktoplandschap van Nederland is een extreme software mono-cultuur. Deze mono-cultuur maakt ons kwetsbaar, en de afgelopen tien jaar heeft de overheid vrijwel niets gedaan om deze kwetsbaarheid te verlagen.

De rol van IT voor het van seconde tot seconde functioneren van onze samenleving is de afgelopen jaren echter sterk toegenomen. Ziekenhuizen, havens, vliegvelden, scholen, politiebureaus en ambulance dispatchers? Allemaal kunnen ze alleen functioneren met werkende desktop Pc’s. En die Pc’s draaien vaak Windows zonder de laatste updates. Criminelen of buitenlandse cyberlegers die deze systemen kunnen overnemen of uitschakelen hebben onze samenleving in een wurggreep.

Als cybercrime en wellicht cyberoorlog echt zo belangrijk is, zou het logisch zijn als de overheid een begin maakt met computeronderwijs dat ook echt onderwijst, het zo snel mogelijk afbouwen van onze software-mono-cultuur en het reduceren van de hoge afhankelijkheid van buitenlandse dienstverleners. Op deze gebieden echte stappen zetten heeft meer zin dan nog meer macht geven aan een overheids-apparaat dat daardoor steeds meer totalitaire trekjes krijgt, terwijl de competentie ervan terecht nog zeer ter discussie staat.

Update, terwijl ik de column aan het schrijven was maakte een vermoedelijk Russische crimineel mijn punt nog eens even door 100.000 computers te besmetten via een java kwetsbaarheid en een hack van de website nu.nl. Alle besmette system draaiden MS-Windows. Veel meer details in het post-mortum rapport van Fox-IT.

Met een grote snuit

Wat op deze plek besproken wordt is niet zelden betrekkelijk obscuur nieuws. Het haalt dikwijls de kranten niet, laat staan het journaal. Ontwikkelingen rondom ons eten staan nu éénmaal niet zo op de radar bij de grote media. Maar heel soms kan ook de mainstream niet om ons voedsel heen. Bijvoorbeeld als super nummer 3 super nummer 2 opslokt.

Het is tekenend voor de krachtsverhoudingen onder de grootgrutters dat Jumbo, de relatieve nieuwkomer onder de Nederlandse supers, daarmee niet in één klap de grootste wordt. Daarvoor is het verschil tussen de Blauwe Reus en de rest te groot. Wel is AH niet langer ruim tweemaal zo groot als de nummer twee, die met deze overname een marktaandeel van 23% heeft, tegen 34% voor ’s lands grootste kruidenier.

De reacties zijn over het algemeen positief. Jumbo heeft kennelijk qua imago de wind in de rug en staat bij consumenten kennelijk beter aangeschreven dan C1000 en AH. Ook bij een aantal marktpartijen konden tevreden reacties worden opgetekend. Groente- en fruitspecialisten nieuwe stijl Willem en Drees twitterden “Jumbo en C1000 samen, dat is goed nieuws voor lokaal-voor-lokaal eten!”. Ook de Consumentenbond ziet de zaken zonnig in.

Uit andere hoeken kwamen somberder reacties. Dan wordt er gesproken van een oligopolie: een situatie waarin een product of dienst in handen is van een extreem klein aantal partijen. Dan heerst er ook onbegrip dat deze overname kennelijk genade kan vinden in de ogen van de NMa, hoewel ze ertoe leidt dat de grootste twee marktpartijen samen 57% van de markt in handen hebben.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

De taxi kwam van links

[i]GeenCommentaar heeft altijd ruimte voor gastloggers. Vandaag is dat wederom SanteBrun.[/i]

De grimmige taxistandplaats bij Amsterdam CS (Foto: Flickr/mpauws)

Het is een kwestie van tijd tot het moment dat de PvdA en meer in het bijzonder Wouter Bos de moord op een taxipassagier in Amsterdam in de schoenen geschoven krijgt.

Want ga maar na: de chaos in het taxibedrijf is ontstaan doordat PvdA-minister Tineke Netelenbos in het jaar 2000 de taxibranche liberaliseerde, waardoor iedereen die een rijbewijs had een taxivergunning kon gaan aanvragen. Daardoor zou een compleet vrije markt ontstaan met superbeleefde en bekwame chauffeurs die je voor ongeveer niets desnoods naar het einde van de wereld reden.

Sindsdien kijkt iedereen vreemd op als er weer verhalen de ronde doen over taxichauffeurs die ritten van minder dan vijfhonderd kilometer botweg weigeren, doodleuk de taximeter bij vertrek op vijftig euro zetten en de passagiers de hele rit lang in het Kirgizisch op racistische teksten onthalen en onderweg zeventien keer aan voorbijgangers een duidelijke verwijzing naar het gewenste adres vragen waardoor een ritje dat in een kwartier afgewikkeld had kunnen worden, heel gemakkelijk anderhalf uur in beslag neemt.

Het gekke is: in andere landen is het taxibedrijf net zo liberaal als in Nederland, maar, enkele uitzonderingen daargelaten, hoor je dat soort verhalen nooit. Een taxichauffeur in Manhattan mag dan een Nigeriaan zijn, of een Palestijn of een Rus, hij weet precies de weg ? dat is, toegegeven, in Manhattan een heel stuk makkelijker dan in Amsterdam ? en hij rekent altijd een eerlijke prijs. Maar in Nederland kan zoiets blijkbaar niet. Voor een deel is het een gevolg van een vicieuze cirkel: de meeste afstanden zijn zo kort dat je ze makkelijk loopt, en het taxibedrijf heeft het odium op zich duur te zijn en oncomfortabel ? de chauffeur die in onvervalst Amsterdams, brandende zware peuk in de mondhoek, met de radio keihard aan op André Hazes, krasse racistische taal uitkraamt is helaas eerder regel dan uitzondering. Daardoor is het aantal klanten waar nog iets aan te verdienen valt veel te klein voor de enorme chauffeurspopulatie en dan begint vroeg of laat het matten.