Rechtspraak kan transparanter

ACHTERGROND - Het is te veel werk om alle uitspraken van rechters geanonimiseerd online te zetten, volgens het ministerie van justitie. Onzin, zolang het openbaren van de uitspraken een uitgangspunt is, beargumenteert Dirk Kloosterboer.

In theorie is de rechtspraak openbaar. In de praktijk hebben we rechtspraak.nl, een redelijk gebruiksvriendelijke website waar uitspraken kunnen worden opgezocht. Daar is echter lang niet alles te vinden: slechts 2% van de uitspraken wordt online gezet. Bovendien kan het soms best lang duren voordat dit gebeurt.

Op zich hoeft het misschien niet te verbazen dat veel uitspraken niet online staan. Ook in andere opzichten is Nederland niet zo transparant – zo is overheidsinformatie niet heel erg toegankelijk, we scoren matig als het gaat om openbaarheid van bedrijfsgegevens en na aanscherping van de regels rond partijfinanciering blijft het voor politieke partijen mogelijk om giften geheim te houden.

Toch doet Nederland het internationaal gezien niet slecht als het gaat om het publiceren van rechterlijke uitspraken. Dat blijkt althans uit een overzicht van Marc van Opijnen, senior ICT-adviseur bij de Raad voor de rechtspraak. Ook in veel andere landen wordt slechts een selectie van de rechterlijke uitspraken online gepubliceerd. Nederland heeft tenminste nog relatief duidelijke criteria om te bepalen wanneer dit gebeurt. In Groot-Brittannië is het publiceren van uitspraken afhankelijk van particulier initiatief en giften. Een positieve uitzondering is Estland, waar een groot deel van de uitspraken online wordt gezet.

Ondoenlijk

Een belangrijk argument om slechts een klein aantal uitspraken te publiceren is dat het veel werk is om uitspraken te anonimiseren. Namen van individuen worden in principe vervangen door termen als ‘verdachte’ of ‘eiser’ (namen van bedrijven en advocaten worden meestal niet geanonimiseerd). In het verleden is gepleit om uitspraken inclusief alle namen online te zetten, onder meer omdat dit meer recht zou doen aan de openbaarheid van de rechtspraak. Daar ben ik geen voorstander van: het lijkt me geen goed idee dat je je privacy moet opgeven om je recht te kunnen halen (om nog maar te zwijgen over het risico van identiteitsdiefstal als allerlei persoonlijke gegevens online staan).

Volgens het ministerie van justitie zou er 200 fte aan menskracht ofwel 12 miljoen euro per jaar nodig zijn om alle 1,6 miljoen uitspraken van rechters online te zetten (als er niet wordt geanonimiseerd zou 60 fte nodig zijn). Deze cijfers zijn redelijk in lijn met de Spaanse situatie, waar 31 personen jaarlijks 350.000 geanonimiseerde uitspraken online zetten.

Toch kan je vraagtekens plaatsen bij de cijfers. Ze lijken ervan uit te gaan dat het anonimiseren en publiceren een afterthought is, een extra klus die er nog eens bijkomt nadat rechters hun uitspraak hebben gedaan. Waarom zouden rechters niet aan kunnen leren om bij het uittypen van hun uitspraken – wat sowieso moet gebeuren – meteen de betrokken personen aan te duiden met termen als ‘eiser1’ en en ‘gedaagde’? De bijbehorende persoonsgegevens kan je dan vermelden in een niet-openbare bijlage. Op deze manier is het publiceren van de geanomiseerde uitspraak een kwestie van een druk op de knop, waar nauwelijks extra kosten mee gemoeid zijn.

Niet interessant

Een ander argument om terughoudend te publiceren is dat het merendeel van de uitspraken gewoon niet interessant zou zijn. Het standaardvoorbeeld: niemand zit te wachten op honderdduizenden incassozaken van telefoonmaatschappijen en postorderbedrijven.

Zoals gezegd zijn er criteria om te bepalen wanneer een uitspraak wel gepubliceerd moet worden. Bijvoorbeeld als er belangstelling is van journalisten of van de vakpers, als een uitspraak nieuwe jurisprudentie oplevert of als er een maatschappelijk belang mee gemoeid is. De gedachte lijkt te zijn dat uitspraken gepubliceerd moeten worden als ze inhoudelijk interessant of vernieuwend zijn, maar dat de grote bulk niet online hoeft te staan.

Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat je ook kwantitatieve analyses wil kunnen maken. PVV-Kamerlid Van Klaveren meende bijvoorbeeld op basis van rechtspraak.nl iets te kunnen zeggen over de vraag hoe vaak in Nederland ‘shariarechtspraak’ wordt toegepast. Wat je er inhoudelijk ook van vindt, dat is een legitieme vraag. Doordat rechtspraak.nl slechts een selectie van de uitspraken bevat, kunnen we echter niet weten of zijn cijfers hout snijden. Om dezelfde reden kon minister Schippers van Volksgezondheid vorig jaar geen antwoord geven op de vraag hoe vaak mensen naar de rechter zijn gestapt omdat ze het niet eens zijn met een wmo-beschikking. En ik kan me goed voorstellen dat iemand een kwantitatieve analyse zou willen maken van die honderdduizenden incassozaken van telefoonmaatschappijen en postorderbedrijven.

Kortom, de argumenten om slechts een klein deel van de uitspraken te publiceren zijn niet echt waterdicht. Rechtspraak.nl is een mooi initiatief waar we internationaal gezien waarschijnlijk geen slecht figuur mee slaan, maar ik zie geen reden waarom we niet de volgende stap zouden zetten naar een situatie waarin alle uitspraken in principe (meteen) online worden gezet.

Dirk Kloosterhuizen blogt op dirkmjk.nl

  1. 1

    Nog ondoorzichtiger en schever is in Nederland de Jeugdrechtspraak. Deze vindt immers achter gesloten deuren plaats en juist dat gesloten karakter leidt tot slechte rechtspraak “omdat het toch niet gecontroleerd wordt”.