Nederlandse families zijn heel stabiel

Individualisering, secularisering en toenemende etnische diversiteit, plus de opbouw en renovatie van de verzorgingsstaat, onderwijsexpansie en flexibilisering van arbeid zouden negatieve gevolgen hebben voor het functioneren van families. Uit onderzoek blijkt echter het tegendeel, stelt hoogleraar Empirische Sociologie Pearl Dykstra.

De grote meerderheid van de Nederlandse bevolking kiest voor een betrekkelijk traditioneel bestaan. De diversiteit in familierelaties neemt weliswaar toe, maar lang niet zo sterk als populaire denkbeelden soms suggereren. Nederlandse families zijn niet in rep en roer. Ze worden gekenmerkt door veel contact en onderlinge steun. Oftewel, de kwaliteit van familierelaties is over het algemeen goed. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat jongvolwassenen, nadat zij het ouderlijke huis hebben verlaten, frequent contact met hun ouders houden. En uit het feit dat de gedachte dat kinderen nu vaker in een éénoudergezin opgroeien, een historische misvatting blijkt. En: de veronderstelling dat het buitenshuis werken van de vrouw ten koste gaat van de zorg die zij haar familie biedt, vindt geen steun in de data.

Familie en overheid

In Nederland wordt evenals in de andere ontwikkelde landen de verantwoordelijkheid voor de zorg voor en de financiële ondersteuning van jong en oud op de een of andere manier gedeeld tussen families en overheid. Afhankelijkheden in families – tussen oudere en jongere generaties en tussen mannen en vrouwen – worden gecreëerd en bestendigd of juist verlicht door de juridische en beleidsvoorzieningen. Wetten definiëren de afhankelijkheidsrelaties tussen generaties en seksen, terwijl beleidsmaatregelen bepaalde familiepatronen en -praktijken belonen of ontmoedigen.

Internationale verschillen in de dagelijkse zorg door grootouders vormen een voorbeeld van de wijze waarop publieke arrangementen intergenerationele familierelaties structureren. Grootouders verlenen vooral dagelijkse zorg aan een kleinkind als er weinig publieke arrangementen zijn die de combinatie van betaald werk en ouderschapstaken vergemakkelijken. In Nederland is ouderschapsverlof in vergelijking met andere landen niet riant en de beschikbaarheid van kinderopvang is aan de lage kant Toch zijn er weinig grootouders die dagelijks voor hun kleinkinderen zorgen. Het kleine aandeel voltijds werkende moeders ligt hieraan mede ten grondslag.

De zorg die grootouders geven kan worden gezien als een streven om de levenskansen van de middengeneratie (de volwassen zoons en dochters) te vergroten De hulp die de middengeneratie bij de opvang van hun kinderen ontvangt, stelt hen in staat om te investeren in een arbeidscarrière en om hun maatschappelijke positie te verbeteren. Maar grootouders doen meer dan oppassen. Wat ze doen, heeft ook een vormende betekenis. Naast een impliciete emotionele betrokkenheid die liefde en toewijding uitdrukt, is er de ontwikkeling van sociale identiteit via de overdracht van familiewaarden.

Betrokkenheid van de familie

Een welbekende redenering is: overheidszorg is duur en met de komst van nog meer ouderen zullen de kosten alleen maar toenemen. Een andere redenering is: overheidszorg verdringt de informele zorg, en dat heeft tot gevolg dat de sociale cohesie in onze samenleving verzwakt omdat wederzijdse verplichtingen afnemen. In de literatuur spreekt men van de verdringingshypothese (crowding out).

De resultaten van vergelijkend Europees onderzoek bieden geen steun voor de verdringingshypothese. Herhaaldelijk blijkt dat het niveau van de informele zorg aan ouderen in genereuze welvaartsstaten (zoals Noorwegen of Nederland) niet lager is dan dat in minder genereuze welvaartsstaten (zoals Spanje of Italië). Onderzoeksresultaten tonen steeds aan dat genereuze welvaartsarrangementen zelfs complementair zijn aan de hulp die familieleden bieden in plaats van een substituut ervoor zijn. Publieke zorg blijkt de betrokkenheid van de familie te vergroten (crowding in) omdat die specialisatie mogelijk maakt. Wanneer gesubsidieerde beroepskrachten de complexe, planbare en intensieve zorg overnemen, hebben familieleden meer ruimte om spontane en niet-technische hulp te bieden.

Uit een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau naar informele helpers van tehuisbewoners in Nederland blijkt dat het een misvatting is om te veronderstellen dat de familie zich terugtrekt als publieke zorg wordt ingeroepen. Volwassen kinderen nemen in tehuizen aardig wat zorgtaken voor hun rekening. De zorg die door familieleden wordt verleend houdt niet op bij het inroepen van de thuiszorg of de verhuizing naar het verzorgingshuis. Meer algemeen zien we dat in landen waar de publieke zorg genereus is volwassen kinderen als een belangrijke intermediair fungeren tussen de oudere en de institutionele zorg.

Drie patronen

In het kader van MULTILINKS, een onderzoek gefinancierd door het zevende kaderprogramma van de Europese Commissie, zijn recentelijk drie patronen in juridische regelingen en beleidsvoorzieningen geïdentificeerd die inzicht geven in de verdeling tussen familie en staat wat betreft de verantwoordelijkheden voor jong en oud. Gekeken is naar zorg voor kinderen, financiële ondersteuning van kinderen, zorg voor kwetsbare ouderen, en financiële ondersteuning van ouderen.

De drie patronen onderscheiden de mate waarin specifieke institutionele kaders afhankelijkheden binnen families afdwingen, ondersteunen of verlichten. Het eerste patroon is familialisme bij ontstentenis: er zijn van overheidswege weinig of geen alternatieven voor zorg en financiële ondersteuning door de familie. Het tweede patroon is ondersteund familialisme: er is beleid, meestal in de vorm van financiële overdrachten, dat families ondersteunt om te voorzien in hun financiële en zorgverplichtingen. Het derde patroon is defamilialisering: financiële en zorgbehoeften worden ten dele vervuld via publieke voorzieningen (diensten, basisinkomen, pensioenen).

De drie patronen in juridische regelingen en beleidsvoorzieningen gaan verder dan een dichotomie van publieke versus private verantwoordelijkheden. Ze maken inzichtelijk dat publieke arrangementen het aangaan van zorgtaken door familieleden kunnen stimuleren, maar tegelijkertijd ook familiale zorgtaken kunnen verlichten. Een verlofquotum voor vaders bijvoorbeeld, ondersteunt de zorgende rol van mannen (familialisering), maar draagt ook bij aan een betere verdeling van ouderschapstaken tussen de seksen (verlichting van de zorgtaken van de moeder).

Thuiszorg, dagopvang en institutionele woonvoorzieningen voor kwetsbare ouderen vormen ten dele een substituut voor zorg verleend door de familie. Datzelfde gebeurt wanneer financiële vergoedingen alleen mogen worden ingezet voor het formeel inhuren van dienstverleners. Niet-geoormerkte financiële vergoedingen ondersteunen familiezorg (omdat ze een compensatie bieden voor verrichte inspanningen), maar stimuleren ook een toevlucht tot de informele markt. In Italië bijvoorbeeld zien we dat een groot aantal families migranten in dienst neemt om zorg te verlenen aan oudere familieleden.

Wanneer een publieke voorziening in natura of in geld wordt geboden, dan ligt de afweging om zorg in te kopen dan wel het geld te behouden voor het gezinsbudget en de zorg zelf te verlenen anders voor families in verschillende sociaaleconomische omstandigheden. De keuze om thuis te blijven om zorg te verlenen zal vermoedelijk eerder worden gemaakt door mensen (in de praktijk: vrouwen) met beperkte mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Het gevolg zou een verdere vermindering van arbeidsmarktperspectieven kunnen zijn en een vergroting van de kans op armoede op latere leeftijd vanwege een onvolledig pensioen. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze veronderstellingen kloppen.

Pearl Dykstra is hoogleraar Empirische Sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit artikel is een bewerkte versie van de oratie die zij heeft uitgesproken bij de aanvaarding van dat ambt op 27 januari jl.

  1. 1

    Wat staat hier nou? Ik kan toch redelijk begrijpend lezen.

    “En uit het feit dat de gedachte dat kinderen nu vaker in een éénoudergezin opgroeien, een historische misvatting blijkt.”

    Staat hier dat kinderen NIET vaker in een eenoudergezin opgroeien dan vroeger?

    Uit:

    “De grote meerderheid van de Nederlandse bevolking kiest voor een betrekkelijk traditioneel bestaan. De diversiteit in familierelaties neemt weliswaar toe, maar lang niet zo sterk als populaire denkbeelden soms suggereren. Nederlandse families zijn niet in rep en roer. Ze worden gekenmerkt door veel contact en onderlinge steun. Oftewel, de kwaliteit van familierelaties is over het algemeen goed. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat jongvolwassenen, nadat zij het ouderlijke huis hebben verlaten, frequent contact met hun ouders houden. En uit het feit dat de gedachte dat kinderen nu vaker in een éénoudergezin opgroeien, een historische misvatting blijkt. En: de veronderstelling dat het buitenshuis werken van de vrouw ten koste gaat van de zorg die zij haar familie biedt, vindt geen steun in de data.”

  2. 3

    Nederlandse families zijn niet in rep en roer.

    Kan iemand mij uitleggen wat Nederlandse families zijn? Gaat dit over roomblanke dochters en haar ouders of over de dwarsdoorsnede van de Nederlandse samenleving.

    Ik schiet in de lach en krijg kromme tenen bij dit stuk.
    Ik wens mevr. Pearl Dykstra heel veel succes en sterkte bij de uitoefening van haar ambt.

    En verder had ik dezelfde stuip als sjap : Wat staat hier nou? Ik kan toch redelijk begrijpend lezen.

    NB : Heb tien jaar gestudeerd – jaja, lacht u maar – en heb een universiteit cum laude afgerond. Ik kan echter slecht tegen dit soort teksten. Ligt dit nu aan de opleiding van vroeger (van mij) van gisteren (van mevr. Dijkstra) of van vandaag (haar leerlingen die dit soort spul moeten vreten).

    En verder : volgens mij is Sociologie altijd en per definitie Empirisch.