Elders in de wereld verliest groen en winnen de vrouwen

Voor veel commentatoren kwam de uitslag van de Algerijnse verkiezingen van vorige week donderdag als een volslagen verrassing. De opkomst was met 42,91 procent veel hoger dan verwacht en een zege van de islamisten bleef uit. Wie het wel goed deden waren de vrouwen, zij wonnen een derde van de parlementszetels. Wel in lijn met de verwachtingen veroverde le Front de Libération Nationale (FLN), de partij die al regeert sinds Algerije in de jaren zestig onafhankelijk werd van Frankrijk, bijna de helft van de zetels veroverde. Terwijl buitenlandse waarnemers spreken over redelijk eerlijke en transparante verkiezingen, beschuldigen de islamisten de regering van ‘gecentraliseerde verkiezingsfraude’.

In een eerste analyse spreekt Jadaliyya over een uitslag die onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk is, en mogelijk maar niet gevalideerd. Hoewel het nog te vroeg is om de balans op te maken, geeft Jadaliyya al wel een aantal verklaringen. Zowel de overheid als veel politieke leiders hebben de beelden van de Arabische Lente in andere landen met succes geframed als buitenlandse interventie, islamistisch radicalisme en burgeroorlog. Dat de Algerijnse bevolking gevoelig is voor die boodschap, is niet zo vreemd in het licht van de islamistische overwinning en de burgeroorlog van de jaren negentig. Bovendien zijn de islamisten in Algerije, anders dan in Tunesië en Egypte, geen onbekenden in de politiek. Velen zien hen dan ook als belanghebbenden bij het huidige systeem. In ieder geval is de uitslag een steuntje in de rug voor secularisten elders in de regio.

Al Jazeera op haar beurt vraagt zich af of de – vergeleken met eerdere verkiezingen – hoge opkomst geen koren op de molen is van het regime en de kans op veranderingen er kleiner door wordt. Slaat de Arabische Lente Algerije over?

Minder rooskleurig zijn de ontwikkelingen in Syrië. Joshua Landis geeft op Syria Comment in twee achtergrondartikelen een uitgebreid overzicht van de huidige situatie en het oordeel daarover van buitenlandcommentatoren.

Het eerste artikel stelt dat de belangrijkste pijlers van het regime een voor een omvallen. Zo werd recent de universiteit van Aleppo gesloten en zullen andere wellicht snel volgen. Het regime heeft steeds meer moeite om graan en brandstof te importeren. Daarmee kan het niet meer voldoen aan een van haar belangrijkste taken, het voorzien in de basisbehoeften van de bevolking. Landis signaleert ook dat meer en meer Syriërs de wijk nemen naar het buitenland als gevolg van de toename van het geweld. ,,Damascus moet zich zorgen maken dat het niet te veel gaat lijken op Bagdad of Kabul.’’ Het regime moet op zoek naar andere manieren om te importeren en er circuleren berichten dat Iran de financiën daarvoor beschikbaar stelt. Op de korte termijn zal het regime dan ook niet instorten, maar duidelijk is wel dat de pijlers aan slijtage lijden en de oppositie groeit in aantal en sterkte.

In het tweede artikel stelt Landis dat, terwijl de milities van de rebellen steeds dodelijker optreden, commentatoren proberen vast te stellen hoe islamitisch ze zijn, hoe ze verenigd kunnen worden, en welke rol het westen kan spelen om een voor haar gunstige uitkomst te bevorderen. De Syrische regering exploiteert de westerse zorgen dat de Syrische milities wel eens schadelijk zouden kunnen zijn voor de westerse en Israëlische belangen. Wat het artikel vooral ook laat zien, is hoezeer de meningen verdeeld zijn. Met aan de ene kant verhalen over de arrestatie van gematigde critici door Assads regime om het Westen en Syriërs zelf te dwingen om te kiezen tussen hem en de onderling verdeelde islamisten. En aan de andere kant verhalen over de brutaliteit en islamistische kenmerken van sommige rebellengroeperingen, daarmee suggererend dat de keuzes waar de de Syriërs voor staan niet worden opgelegd door het regime, maar feitelijk bestaan.

Tot slot publiceerde het Council for Foreign Relations deze week een interview met Peter Harding van de International Crisis Group. Hij spreekt van een patstelling. Het regime van Assad is goed ingegraven, maar verliest tegelijkertijd de controle. De oppositie heeft te veel geïnvesteerd in internationale interventie en schuwt een meer constructieve politiek. Buitenlandse strijders en jihadisten hebben, verrassend genoeg, geen grote rol tot nu toe. En Kofi Annan’s plan voor een staakt-het-vuren komt voort uit het onvermogen van de internationale gemeenschap om het over iets anders eens te worden. Harding stelt dat zolang die patstelling voortduurt, het plan steun zal blijven houden, ook van staten die er geen vertrouwen in hebben maar geen werkbaar alternatief te bieden hebben.