Een nieuwe benadering van eergerelateerd geweld

In de voorgaande zes artikelen zagen we dat overheid en hulpverlening geen eenduidige, wetenschappelijke gefundeerde definitie van ‘eer’ en ‘eergerelateerd geweld’ hanteren en dat het leggen van correlaties tussen tendenzen die aan culturen worden toegeschreven enerzijds en (toekomstige) handelingen, karaktereigenschappen of gevoelens (‘eergevoel’) van individuen anderzijds onjuist en niet ethisch is.

Het is tijd voor een aantal nieuwe, frisse en eerlijke uitgangspunten voor hulpverlenings- en opsporingsinstanties.

Voorstellen voor de praktijk

Overheidsinstanties, hulpverleningsorganisatie en kenniscentra hanteren zowel in hun beleid als in hun praktijk allemaal precies dezelfde eenduidige, wetenschappelijk gefundeerde definities en criteria van centrale begrippen. Ze doen dat zoveel als mogelijk onder verwijzing naar de relevante (internationale) wetenschappelijke literatuur. Zo weten de burgers hoe ze worden beoordeeld en waar ze aan toe zijn.

Termen die in de wetenschappelijke literatuur vaag of meervoudig gedefinieerd zijn – zoals ‘groepsculturen’, ‘eergevoel’, ‘eerculturen’, ‘gesloten gemeenschappen’, ‘westers’ – kunnen niet worden gebruikt in een onderzoek, een verslag, proces-verbaal, of in beleidsstukken.

Ik stel voor om nieuwe begrippen als ‘Schadelijke Traditionele Praktijken’ en ‘afhankelijkheidsrelaties’ die niet wetenschappelijk zijn gedefinieerd, laat staan dat hun relatie met eergerelateerd geweld dat is, over te laten aan het politieke domein – waar ze thuishoren.

Het probleem met dergelijke vage overkoepelende begrippen, zo waarschuwen andere wetenschappers (bijv. Ten Boom en Wittebrood, 2019, p. 27) is dat ze een ‘conceptuele mist’ veroorzaken. Ze zijn in elk geval niet geschikt om het gedrag van burgers te analyseren en te beoordelen.

Onderzoekers, hulpverleners, beleidsmedewerkers of politici die geen precieze en heldere definities en toetsingscriteria paraat hebben voor begrippen (als ‘eer’, ‘eergerelateerd geweld’ of ‘gedwongen huwelijk’ en dergelijke) gebruiken deze niet in hun onderzoeken, behandelingen, processen-verbaal of in beleidsdocumenten.

Nieuw theoretisch kader

In plaats van het werken met de lijstjes en aannamen stel ik voor dat we met betrekking tot eer en eer gerelateerd geweld wetenschappelijk onderbouwde, heldere en logische definities en criteria vaststellen. Mijn suggestie en de bijbehorende redenering is de volgende:

In art. 12 van de Universele Rechten van de Mens wordt gepleit voor de bescherming van de eer van het individu tegen smaad en laster. Eer betekent in artikel 12 iemands morele reputatie die door smaad en laster in gevaar komt.

Inderdaad is het zo dat wanneer een individu zijn of haar morele reputatie verliest hij of zij door anderen als onbetrouwbaar en niet integer wordt gezien (Ellemers, 2018).

Hierdoor kan dat individu worden blootgesteld aan sociale stigmatisering, wantrouwen, uitsluiting, isolatie en afwijzing, oftewel ‘sociale dood’ (‘social death’, Williams, 2007). Dit roept enorme stress, spanningen en daardoor ook geweld op.

De rampzalige gevolgen van smaad en laster voor de betrokkene verklaren waarom overheden in art. 12 worden opgeroepen burgers hiertegen adequaat te beschermen.

In Nederland zijn smaad en laster verboden, respectievelijk volgens art. 261 en 262, van het wetboek van Strafrecht. In het basisartikel 261 komt de term ‘eer’ voor.
Behalve door smaad en laster, kan een individu ook wegens werkelijk moreel wangedrag worden blootgesteld aan sociale stigmatisering, uitsluiting, afwijzing en dergelijke.

Uit onderzoek (Goffman 1963, Condry 2007) blijkt dat een moreel stigma gemakkelijk blijft kleven aan groepsgenoten, met name familieleden, van de persoon die al of niet terecht verdacht wordt van moreel wangedrag. Dit morele stigma wordt toegekend door mensen uit dezelfde gemeenschap. (Dit is doorgaans de eigen etnische, culturele, religieuze of nationale groep, ook bij migranten.)

Dit wordt een associatief stigma genoemd (Bos e.a. 2013). Ook bij deze groepsgenoten ontstaan daardoor angst voor een ‘sociale dood’ en de daarbij behorende stress en spanning. En geweld. Dit sociale mechanisme doet zich voor in álle culturen en gemeenschappen ter wereld, zonder uitzondering.

Uit onderzoek blijkt dat zowel mannen als vrouwen daders en slachtoffers zijn van eergerelateerd geweld, inclusief eerwraak (zie o.a. Malik, 2005:149; Ermers, 2018).

In deze redenering staat een eergerelateerde kwestie in verband met twee dingen: [1] moreel wangedrag en [2] de angst bij het individu en zijn of haar naaste groep dat dit gedrag zal leiden tot een moreel stigma en sociale uitsluiting in hun gemeenschap. Alle andere kwesties zijn in deze redenering niet eergerelateerd.

Om het label ‘eergerelateerd’ te kunnen toepassen, dient de hulpverlener aannemelijk te maken dat een probleem voor betrokkenen een moreel stigma (en daardoor sociale uitsluiting, afwijzing e.d.) kan veroorzaken of al heeft veroorzaakt. (Dat wil overigens niet zeggen dat het risico op geweld dan ook altijd hoger is.)

Er zijn verschillen tussen gemeenschappen inzake de (impliciete) opvattingen over wat moreel wangedrag is. Gedrag dat in Nederland wettelijk is toegestaan kan in sommige gemeenschappen toch een serieus en funest moreel stigma veroorzaken voor individuen en hun families.

Dit gegeven levert grote dilemma’s op, niet alleen voor de betrokkenen zelf, maar ook voor de hulpverlening en andere instanties.

Zuivere concepten

Ik stel verder voor dat we de concepten waarmee wordt gewerkt zuiver houden: in alle gemeenschappen ter wereld is morele reputatie oftewel eer iets anders dan maatschappelijke status, maatschappelijk ideaal, ‘gezicht’ (face) of waardigheid (dignity).

Verlies van morele reputatie is in geen enkele samenleving synoniem met gezichtsverlies (‘afgaan’), statusverlies of niet voldoen aan een maatschappelijk ideaal. Ook niet in niet-westerse culturen.

Kwesties die niet eergerelateerd zijn kunnen evengoed uitmonden in hevige ruzies, conflicten en geweld.

Laten we verder we gedrag van medeburgers, los van geografische herkomst, etniciteit en religie, goed observeren en in eerste instantie proberen te verklaren door toepassing van beproefde wetenschappelijke modellen die voor alle menselijk gedrag gelden. Ook als het om geweld of andere misstanden gaat.

Zo dragen we niet alleen bij aan een adequate en inzichtelijke hulpverlening voor de betrokkenen maar ook aan een faire opsporing en juridische vervolging van verdachten. Want geweld kan en mag niet.

-o-o-o-

Een gastbijdrage van Rob Ermers, als gastonderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Via zijn bureau (MO Perspectief) geeft hij trainingen en doet hij onderzoek naar de multiculturele samenleving. Hij heeft met name gepubliceerd over eergerelateerd geweld. Zijn laatste publicatie is Honor Related Violence. A New Social Psychological Perspective (Routledge, Londen).

Met dank aan oud-advocaat Jaap Bakker.

Geraadpleegde literatuur:
Ten Boom en Wittebrood (2019). De prevalentie van huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland. Cahier 2019-1. WODC, Den Haag.
Bos, A.E., Pryor, J.B., e.a (2013). Stigma: Advances in theory and research. Basic and Applied Social Psychol, 35:1–9.
Condry, R. (2007). Families Shamed: The Consequences of Crime for Relatives of Serious Offenders. Willan Publishers, Cullompton.
Ellemers, N. (2017). Morality and the regulation of social behavior. Groups as moral anchors. Routledge, New York.
Ermers, R. (2018). Honor Related Violence. A New Social Psychological Perspective. Routledge, Londen.
Goffman, E. (1979 [1963]). Stigma : aantekeningen over het omgaan met een geschonden identiteit. Bijleveld, Utrecht.
Malik, I.H. (2005). Culture and Customs of Pakistan. Greenwood Press, Westport.
Williams, K.D. (2007). Ostracism: The Kiss of Social Death. Social and Personality Psychol Compass, 1(1):236-247.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren