Hemel die nergens ophoudt

‘Ze verdeelt de grote mensen in degenen die verhalen vertellen en degenen die alleen maar vervelend zijn. De meesten zijn alleen maar vervelend. Terwijl de grote mensen toch uitsluitend op de wereld zouden moeten zijn om haar, Meta, te amuseren’. 

Meta heet eigenlijk Marlen. De schrijfster vereenzelvigde zich als kind zo met de hoofdpersoon uit het sprookje van de kleine Meta, die zich in haar vinger prikt en de zwarte put in moet, dat ze zichzelf in de autobiografie van haar jeugd Meta is gaan noemen. Het boek is geschreven in de derde persoon en beschrijft hoe Meta de wereld waarneemt en tegemoet treedt, en hoe die wereld op haar reageert. Er is geen hoofdstukindeling, de verhalen en impressies lijken aan elkaar geregen. Soms is de taal kinderlijk, korte zinnen, te simpel, dat stoort een beetje, want je weet dat deze roman door een volwassen alwetende persoon geschreven is. Naarmate je verder in het boek komt wordt de taal complexer en meer literair, dan beginnen de verhalen te boeien.

Hemel die nergens ophoudt gaat over een meisje, die met haar ouders en een broertje opgroeit in de bergen van Oostenrijk. Haar vader is een boswachter, die het liefst verhalen vertelt. Haar moeder is een ijverige huisvrouw die voortdurend met het bakken van taarten en het verwerken van het geschoten wild bezig is. Iedere jaar komen er zomergasten naar het grote boswachtershuis, ze vertellen Meta verhaaltjes of ze zitten te mekkeren.

In de andere jaargetijden is het leven vrij eenzaam in het woud en dan moet Meta zich verhouden tot de grote levende steen, waarmee ze vriendschap sluit, en met de brandnetels, die ze te lijf gaat als ze weer de behoefte op voelt komen om te vechten. Haar kleine broertje wordt haar speelkameraadje nadat ze haar jaloezie jegens hem heeft overwonnen door zich in haar moeder te verplaatsen:

‘Plotseling voelt ze geen pijn en woede meer. Ze is niet meer Meta, maar mama. Ze zit bij het vuur en houdt Nandi op schoot. En ze ruikt de geur van zijn huid, warm, zoet en een beetje naar melk’.

Alles wat het buitenleven onaangenaam maakt, dat komt voorbij: het slachten van het varken, het openen van de gierput, het wegrennen van de kippen zonder kop van het hakblok, het verwerken van de buit na de wildjacht. Marlen Haushofer weet het zo te vertellen dat het nooit te onaangenaam wordt. Toch is de grote eenzaamheid van Meta het pijnlijkst, die is voelbaar in iedere zin. Dit boek over de kinderjaren laat zien dat de meeste thema’s van de verhalen en romans van Marlen Haushofer uit haar jeugd stammen. Natuur is alom aanwezig en ook het vermogen om zich niet aan te passen komt steeds terug. Die onaangepastheid komt goed uit de verf in een gesprek met een zomergaste: 

‘Kun je eigenlijk al haken?’ vraagt de vreemde vrouw schijnheilig. ‘Nee’, fluisert Meta. ‘Maar je bent toch al op school. Leer je daar dan niet haken?’ Meta zwijgt. Wat moet ze ook zeggen. Inderdaad moest ze al kunnen haken, maar ze zal het nooit leren en de juffrouw ziet het door de vingers ‘Jammer’, zegt de vlakke slechte stem. Kleine meisjes die niet leren haken worden nooit goede vrouwen’…’Je vindt jezelf zeker beter dan de dorpskinderen. Maar dat ben je niet hoor. Je moet het net zo goed leren haken als iedereen’.

Na verloop van jaren is het zover: de kleine Meta wordt een grote meid. Ze mag niet langer met de jongens spelen, ze moet met de meisjes naar school lopen: 

‘Het leven wordt grauw en vervelend. De meisjes zijn volkomen onbruikbaar, ze kennen geen spelletjes, klimmen niet op de rotsen en stelen geen knollen. Aan de andere kant weten ze dingen waar Meta versteld van staat. Het zijn eigenlijk geen echte kinderen, maar heel volwassen vrouwspersonen die zich verkleed hebben…’

Op een gegeven moment moet Meta naar een meisjesinternaat en dan besluit ze zich aan te passen. Hoe dit proces precies verloopt, dat heeft Marlen Haushofer meesterlijk beschreven in het laatste deel van deze uitzonderlijke roman. Dit boek brengt je terug naar je eigen jeugd en laat je nadenken over hoe je kinderen het beste tegemoet kunt treden.

‘Himmel, der nirgendwo endet’ verscheen in 1969 en is nu vertaald door Ria van Hengel.

Marlen Haushofer: Hemel die nergens ophoudt, Uitgeverij Van Gennep, 192 pagina’s.

Bestel hier

  1. 1

    Is de Verelendungsthese dan toch geldig? Er staat op Wikipeadia dan wel een interessante discussie (is Marlen Haushofer een Oostenrijkse schrijver/schrijfster of een Duitse?), maar ik generaliseer toch, en vraag me af waarom er uit Oostenrijk altijd van die sombere boeken komen. Is Herta Mueller in die zin niet ook een Oostenrijkse? En Elfriede Jellinek?

  2. 2

    Interessante discussie!
    Onlangs was ik in het Deutsches Historisches Museum in Berlijn. In de permanente tentoonstelling is er aandacht voor Mozart. Hij is geboren in Salzburg, destijds behoorde die stad tot het Heilige Roomse Rijk. Dus de Duitsers zien Mozart ook als een Duitser.
    Herta Mueller is geboren in Roemenië, ze stamt uit een etnisch Duitse familie. Later woonde ze in West-Duitsland, waar ze lid werd van de Duitse PEN-club. In 1997 stapte ze uit de club, omdat de West-Duitse afdeling samenging met de DDR-afdeling.

  3. 3

    Dus er komt uit Oostenrijk niet alleen sombere literatuur maar ook vrolijke muziek. Plus: Lederhosenhumor, Schnäpse en zoet snoep.. Toch kunnen die prettige dingen het gevoel van depressiviteit niet verdringen dat ik zie in verband met opgroeien in Oostenrijk. Maar ik zal eerst maar eens gaan lezen hoe het Meta vergaat als ze besluit zich aan te passen.