Democratie in soorten

Populisme is ook in Nederland geen nieuw verschijnsel. Joop van den Berg bespreekt in het eerste deel van een drieluik over democratie, welke soorten democratie er zijn en hoe ze zich tot elkaar verhouden.

Over de democratie als politiek stelsel van besluitvorming hebben altijd twee doctrines naast elkaar bestaan. Die verschillen misschien niet fundamenteel van elkaar, maar ze leggen wel heel verschillende accenten met politiek verreikende gevolgen. Ooit heeft de Amerikaanse politicoloog, Robert A. Dahl daar buitengewoon scherpzinnig over geschreven in een klein boekje dat ten onrechte de bescheiden titel Preface to Democratic Theory(1956) heeft meegekregen.

Aan de ene kant staan de pleitbezorgers van de radicale democratie, die het zwaartepunt leggen bij het principe van de altijd en overal beslissende meerderheid. Die mag daarbij niet worden gehinderd door kleine maar taaie elites die voortdurend barri

  1. 2

    In zijn boek ‘The politics of Accommodation’ vraagt de politicoloog Lijphart zich af hoe democratisch Nederland is. Om dat te bepalen gaat L. na wat democratie idealiter is, en komt hij o.a. met Dahl aanzetten

    R.A. Dahl heeft volgens L. geschreven dat ‘volslagen vrijheid en gelijkheid {V}, met V = Democratie, van Fraterniteit {F} afhangen. F definieert Dahl als: een strenge consensus en een sterk gevoel van bij elkaar horen in een gemeenschappelijke situatie. Wanneer deze {F} ontbreekt, wordt vreedzame coëxistentie {C} het volgende hoogste doel. Dat kan soms afwijkingen van de zuivere democratie noodzakelijk maken.
    N.B.: Coderingen {D), {V} enz. zijn van s.d.

    Vóór Dahl heeft Lijphart opgemerkt:’ ‘dat critici van de (Hollandse) democratie vergeten op te merken dat geen democratie kan overleven zonder politieke stabiliteit.’ Daar steken wij in het voorbij gaan van op dat volgens Lijphart democratie nooit of slechts incidenteel politieke stabiliteit kan verschaffen. Maar een politieke stabiliteit van af en toe staat zeker op wat langer termijn beschouwd gelijk aan permanente politieke instabiliteit.

    En wat betekent dat voor de democratie? Dat het een instabiel systeem is, gebaat met politieke stabiliteit die zij zelf niet altijd = nooit kan geven? Waarmee ze dan goed beschouwd een destabiliserend systeem is.

    En dat ziet er met die kanttekeningen bij democratie van Lijphart en anderen voor heel wat democratische landen lelijk uit. En wie zal het met zulke definities van democratie voor ogen nog wagen stabiele, ondemocratisch geregeerde landen te adviseren zich tot haar te bekeren? Zo’n recommandatie komt neer op het aanbevelen van statelijke zelfmoord. Om wat helderheid te scheppen, zet ik de voornaamste begrippen die Lijphart aan de orde stelt op een rijtje:

    [1] D = Democratie; is ook V = Volslagen vrijheid en gelijkheid. Zie [5] V.
    [2] F = Fraterniteit: Strenge consensus etc.
    [3] C = Co-existentie = Vreedzame co-existentie: Een inferieure vorm van fraterniteit. Deze modus van samenleven kan een onzuivere democratie met zich meebrengen.
    [4] Ps = Politieke Stabiliteit. Ik vermoed dat Ps. uiteenvalt in de hoge politieke stabiliteit PsF = [4] + [2] en in de lagere politieke stabiliteit PsC = [4] + [3]. Met PsF kan D zuiver zijn, maar in geval PsC, is D, indien zij zich voordoet, onzuiver. Verder geldt dat Ps

  2. 3

    Met instemming citeerde Tjeenk Willink onlangs Hirsch Ballin toe die schreef: democratie en rechtsstaat zijn niet synoniem, maar ook niet los verkrijgbaar. Donner lijkt zich in zijn Montesquieu-lezing zich daarbij aan te sluiten. Maar het blijft een lastige vraag in hoeverre in praktijk de rechtsstaat grenzen mag stellen aan democratisch genomen besluiten, aan gezien de gedefinieerde grondrechten ook gewoon een product zijn van democratische besluitvorming. Baudet c.s. wijzen er in dat verband op, dat degene die uiteindelijk beslist dat grondrechten prevaleren boven democratische besluiten, i.c. de (Europese) rechter ook nog eens democratische legitimatie mist omdat hij niet gekozen is.

    Ik ben niettemin geneigd me bij de eerder genoemde heren aan te sluiten. De rechtsstaat vormt als het ware de schokdempers van democratie, die vroeg of laat iedereen bescherming biedt. Of de vrijheid van meningsuiting van populisten nu in het geding is, of de godsdienstvrijheid van islamieten.

    Ik maak me eerlijk meer zorgen over de democratie an sich. Alle stelsels zijn een compromis tussen voldoende mate van representatie en voldoende bestuurbaarheid. Maar in landen met een representatieve vertegenwoordiging lijken partijen niet meer in staat stabiele meerderheidscoalities te vormen (Nederland, België, Denemarken, etc.). Terwijl de districtenstelsels, die juist bedoeld zijn om een van de strijdende partijen aan een meerderheid te helpen, alleen minderheidspartijen voortbrengen (Groot-Brittannië, Australië, VS) en dus instabiele coalities.

    Ik kijk uit naar de volgende aflevering.