Goed volk | De Vliegende Hollander (2)

ACHTERGROND - Mijn vorige artikel over de sage van de Vliegende Hollander behelsde een inleiding in het onderwerp en een paar opmerkingen over het onderzoek van Gerrit Kalff jr. uit 1923. Ik had toen nog de illusie dat ik aan twee blogs genoeg zou hebben, maar het worden er drie om het onderwerp voldoende recht te kunnen doen.

Deze week springen we eerst naar de 19e eeuw als de orale traditie van het spookschip in de literatuur en de muziek terecht komt, en daarnaast hoe de oorsprong van de sage juist dankzij die literatuur ten onrechte in Terneuzen wordt gesitueerd. In deel drie hoop ik aan de hamvraag toe te komen: waar komt de sage van de Vliegende Hollander ten principale vandaan ? Wordt dat verantwoord giswerk of kunnen we dichter bij de waarheid komen ?

De ballade van de oude zeeman

Het verhaal van de Vliegende Hollander zoals wij dat nu globaal kennen, kreeg gestalte in de literatuur van de Romantiek in hoofdzakelijk de 19e eeuw, toen het zeemansverhaal in al zijn varianten volgens Thomas Moore al wijd verbeid was en opgepikt werd door schrijvers uit deze periode die maar wat tuk waren op dit soort spookverhalen die zij tot een soort ‘gothic novels’ ombouwden.

In tegenstelling tot de gebrouders Grimm was hun doel niet de verhalen uit de orale traditie zo nauwkeurig mogelijk op te tekenen, maar om er spannende, sfeervolle (griezel-) verhalen van te maken. Het gaat in deze paragraaf om kunstvormen; non-fictionele verhalen zoals scheepsjournaals komen in deel 3 aan bod.

Het eerste van dit soort verhalen met de Vliegende Hollander in de hoofdrol verscheen in 1821, maar het thema had al een paar voorlopers gehad, waaronder het lange strofische gedicht ‘The Rime of the Ancient Mariner’ uit 1798 van de Engelsman Samuel Taylor Coleridge . De ballade gaat over een zeeman die op zee ‘zomaar’ een albatros neerschiet. Hiervoor worden hij en de rest van de bemanning door hogere machten gestraft. Deze zenden een zuidenwind waardoor het schip tenslotte in een windstilte terecht komt. Het drinkwater raakt op. De zeeman, die als teken van boetedoening de dode albatros om zijn nek draagt, is de enige op het schip die niet omkomt van dorst. Als hij in een halfdelirische toestand een aantal waterslangen zegent, valt de albatros van zijn nek en wordt zijn schuld uitgewist. Het schip komt op miraculeuze wijze in de thuishaven aan waar de zeeman de absolutie krijgt van een heremiet. Vanaf die tijd zwerft hij rusteloos de wereld over om aan iedereen zijn verhaal te vertellen.

Hoewel het gedicht niet expliciet verwijst naar de sage van de Vliegende Hollander komen diverse motieven die in deze sage een rol spelen, hier al naar voren: de misdaad (het neerschieten van de albatros), de straf hiervoor van een hogere macht, niet alleen voor de zeeman (kapitein) maar voor de hele bemanning, en tenslotte het eeuwig dolen over zee, hoewel de ‘ancient marriner’ dit doet nadat zijn zonde hem was vergeven. The Rime of the Ancient Mariner kan gezien de motieven ook beïnvloed zijn geweest door de legende van de Wandelende Jood (zie “The Ancient Mariner and the Wandering Jew”. Studies in Philology, nr 66) . Voor wie inmiddels nog niet op het idee gekomen was: de sage van de Vliegende Hollander is in wezen de natte versie van de legende van de Wandelende Jood, maar daarover in deel drie meer.

In de film ‘Pandora and the Flying Dutchman’ uit 1951 worden de verhalen van de Vliegende Hollander en de oude zeeman met elkaar gecombineerd. Een bloedige witte albatros vliegt hierin constant boven het spookschip. Een combinatie van zowel de Vliegende Hollander als de ballade van de oude zeeman als de Wandelende Jood wordt verteld door H. Welters in zijn werk ‘Limburgsche legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen’ (1876) waarin de Vliegende Hollander de vervloekte Hollandse ridder Reginald van Valkenburg heet. Net als in de Rime of the Ancient Mariner komt in dit verhaal een heremiet voor die aan de ridder vertelt hoe hij boete kan doen voor zijn misdaad. Na als een Wandelende Jood vele maanden gelopen te hebben komt Reginald bij de kust aan waar hij een schip treft dat al 600 jaar over de zeeën doolt zonder stuurman of roeier.

Gedichten uit deze tijd waarin wel verwezen wordt naar de Vliegende Hollander of de motieven die hierin voorkomen werden geschreven door de Schotse indoloog John Leyden, de eerdergenoemde Ier Thomas Moore (niet te verwarren met zijn 16e eeuwse naamgenoot van het boek ‘Utopia’) en de beroemde Walter Scott  in een voetnoot bij zijn gedicht ‘Rokeby’.
Het zal de lezer inmiddels duidelijk zijn dat de sage van de Vliegende Hollander vele varianten kent. De corresponderende elementen zijn archetypische motieven als zee, eenzaamheid, eenzaamheid en eeuwige verdoemenis. Deze varianten zetten zich voort in de roman- en verhaaltradities van de sage.

De eerste verhalen en romans

Meeliftend op het succes van de publicatie van het scheepsjournaal van ‘gentleman criminal’ George Barrington uit 1795, dat overigens nooit door Barrington zelf geschreven kan zijn, maar dit terzijde, verschijnt in 1821 in het Blackwoods Edinburgh Magazine het anonieme verhaal “Vanderdecken’s Message Home or The Tenacity of Natural Affection’. In dit verhaal valt voor het eerst de naam ‘Van der Decken’. Hiernaast introduceert de schrijver andere nieuwe elementen in de sage, zoals de vervloeking wegens godslastering en de ‘onbestelbare brieven’: brieven van honderden jaren oud die de spookbemanning probeert te slijten aan gewone zeelui, maar die bij aanname zullen leiden tot een waterig graf. Deze nieuwe elementen zouden hernomen en bewerkt worden door talloze andere auteurs, zodat de varianten uiteindelijk een soort exponentiële groei gaan vertonen terwijl de oorspronkelijke orale traditie toch al divers was. Van der Decken is misschien gebaseerd op Barend Fockesz, een V.O.C.-kapitein die zijn bemanning tot het uiterste dreef om met grote snelheid naar een bestemming te varen. In de orale traditie van zeelieden wordt de naam Falkenberg genoemd als mogelijke kapitein van het schip. In Washington Irving’s boek heet hij Rambout van Dam. Ook de naam Pieter van Halen komt voor.

Het betreffende verhaal kreeg een enorme populariteit en werd nog in de 19e eeuw herdrukt in diverse bloemlezingen. De zegetocht van de Vliegende Hollander als ‘invented tradition’ was begonnen. Varianten op het verhaal werden al snel onder meer geschreven door Washington Irving (The Storm Ship, 1822), Heinrich Smidt (Der ewige Segler, 1821), Thomas Hood (The Demon Ship, 1826) en Edward Fitzball met het toneelstuk ‘The Flying Dutchmann’ uit 1827. Opgemerkt zij dat in geen van deze bewerkingen Terneuzen voorkomt als locatie – meestal is dat Amsterdam – maar daarover straks meer. In 1836 schrijft J.J.A. Gouverneur en de allereerste Nederlandse versie van de sage van de Vliegende Hollander.

Als klap op de vuurpijl voltooide Richard Wagner in 1841 zijn opera ‘Der fliegende Holländer’. Mocht iemand het fenomeen van het spookschip tot nu toe gemist hebben, vanaf dan heeft niemand meer een excuus.

De opera is naar wagneriaanse begrippen vrij kort (twee en een half uur) waardoor er bij een uitvoering niet drie plaspauzes voor musici en publiek ingelast hoeven te worden, zoals ik eind zeventiger jaren bij een uitvoering van ‘Tristan und Isolde’ (vier en een half uur) in het oude Circustheater in Scheveningen meemaakte. Het libretto schreef Wagner op basis van een satire van Heinrich Heine: ‘Aus den Memoiren des Herrn von Schnabelewopski’ uit de bundel ‘Der Salon’ (1834). In Heines’ verhaal bekijkt de verteller een uitvoering van een fictief toneelstuk over het thema van een kapitein die vanwege godslastering vervloekt is om voor eeuwig over de zeeën te varen. Heine stelt de hoofdpersoon voor als een soort Wandelende Jood van de oceaan en voegt daarbij het thema dat Wagner in veel opera’s heeft opgenomen: de hoofdpersoon kan alleen verlost worden door de liefde van een vrouw. In de versie van Heine wordt dit gebracht in de vorm van satire met de nodige ironische humor. Wagner nam het thema serieus en de vrouw uit zijn opera is trouw tot in de dood.

Het boek van Marryat en Terneuzen

In 1837 publiceert de Engelse marine-officier en schrijver Frederick Marryat het boek ‘The Phantom Ship’, eerst in maandelijkse afleveringen in het Britse tijdschrift ‘New Monthly Magazine’ en daarna (1839) werd het in drie delen als boek uitgegeven. Het boek is in het Nederlands vertaald onder de titel ‘Spookschip de Vliegende Hollander” (1838/1839). De predikant A.C.H. Römer plaatste een bewerking van Marryats roman met de titel ‘Het Vliegend schip’ in de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846. Marryat geeft een geheel eigen draai aan het verhaal waarbij zelfs Arabische magie, een weerwolf en de heksen van de Harz een rol spelen. Hij is de eerste die Terneuzen noemt als thuisbasis van het schip in plaats van Amsterdam.

Marryat en zijn dochter woonden in de jaren dertig van de negentiende eeuw een tijd in het Zeeuwse vestingstadje Terneuzen. Daarnaast had Marryat deelgenomen aan de Engelse invasie op Walcheren in 1809. Kennelijk had Marryat als maritiem schrijver in Terneuzen inspiratie opgedaan voor zijn boek. In het boek wordt een woning aan de Havenstraat in Terneuzen aangewezen als het huis waar kapitein Willem van der Decken met zijn vrouw Catherina en zoon Philip woonde. Ook vermeldt Marryat een pand aan de Noordstraat waar Van der Decken geboren zou zijn. De plaatsvermelding Terneuzen door Marryat berust waarschijnlijk op een vergissing en gaat wellicht terug op een legendarisch groot schip, ‘Ternuten’ of ‘Schip van Sinternuit’ (zie: Canon met de kleine c, 2008, p. 54). Bovendien was Terneuzen todat in 1827 het Kanaal van Terneuzen naar Gent werd geopend slechts een bescheiden vissershaven. Dat een V.O.C.-schip vanaf hier naar de oost was vertrokken is hoogst onwaarschijnlijk; dan ligt Amsterdam heel wat meer voor de hand.

Inmiddels heeft Terneuzen de Vliegende Hollander geclaimd. Er is in 1972 een monument van P. Griep van het schip De Vliegende Hollander onthuld en inmiddels is er een Vliegende Hollander Festival, Vliegende Hollander-glazen, Vliegende Hollander-bier, Vliegende Hollander-gebak, een Vliegende Hollander café aan het Tuinpad, een ‘Op pad met de Vliegende Hollander’-wandelroute en replica’s van het standbeeld van Griep. In de Grote Kerk hangt het schilderij The Flying Dutchman van Walter Hagenaars uit 2005.

Met de oorspronkelijke sage heeft het allemaal niets te maken. Maar wie misgunt Terneuzen deze invented tradition ?

Wordt vervolgd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren