Dé geest bestaat niet

Om zinnig over de geest te praten moeten we wel eerst goed weten waarover we het precies hebben. Een lezing van Herman Philipse, gehouden door Studium Generale Utrecht.

Wanneer je de kleur geel ziet of mooie muziek hoort, bestaan die kleur en die muziek dan echt of zijn het slechts constructies van de hersenen? Hersenwetenschappers als Colin Blakemore beweren dat laatste. Volgens hen krijgen de oren en de ogen prikkels binnen, die de hersenen dan tot bepaalde kleuren of muziekklanken omvormen. Dit zou betekenen dat we alleen kennis hebben van de buitenwereld door de manier waarop de hersenen vorm geven aan die buitenwereld.

Volgens Herman Philipse hebben we hier echter te maken met de zogeheten mereologische drogreden: het verwarren van een deel van het geheel met het geheel. Het zijn niet de hersenen die een kleur ‘zien’ of muziek ‘horen’, maar de mens in zijn geheel. Zien en horen zijn menselijke kenmerken, geen kenmerken die we een-op-een kunnen toeschrijven aan de hersenen. De hersenen spelen een grote rol bij het verwerken van zintuiglijke indrukken, maar we kunnen niet zeggen dat de hersenen ‘zien’ of ‘horen’.

Wat is een getal?

Volgens Philipse zijn er veel drogredenen en begripsverwarringen in het debat rondom het lichaam-geestprobleem (mind-body-probleem). Dat komt voornamelijk omdat het woord mind betekenis krijgt door de manier waarop we dat woord gebruiken, en niet omdat het naar een bepaald ding zou verwijzen. Om dat te illustreren vraagt Herman Philipse ons om aan een getal te denken. Filosofen hebben zich eeuwenlang beziggehouden met de vraag wat de definitie van het woord getal is. Is er echter wel iets in de werkelijkheid waaraan we het woord ‘getal’ kunnen hangen? Nee, het krijgt betekenis door de manier waarop we het gebruiken. Het valt dus niet te definiëren of aan te wijzen, omdat de inhoud van het woord afhangt van het gebruik ervan.

Dat is ook het geval met het woord mind. Het wordt gebruikt in allerlei uitdrukkingen die zeer uiteenlopende betekenissen hebben. Zo is er bijvoorbeeld ‘to call to mind’ (=herinneren), ‘to have a dirty mind’ (=pervers zijn) of ‘to be of one mind with’ (=het eens zijn met). Je bedoelt uiteraard niet dat er iets aanwijsbaar in jou is dat vies is of dat je met iemand één geest deelt. Het woord mind kan allerlei verschillende betekenissen hebben, zonder naar een concreet ding te verwijzen. Daarom is de vraag wat dé mind of geest is volgens Philipse onzinnig, omdat die vraag het gebruik van de term ‘mind’ ten onrechte interpreteert als verwijzend naar een ding. Er is niet zoiets als dé geest en we moeten daarom op een andere manier naar het lichaam-geest-probleem kijken.

De onmogelijkheid van een privétaal

De neurowetenschapper Antonio Damasio biedt een oplossing. Volgens hem is wat wij met ‘geest’ aanduiden eigenlijk het bewustzijn. Het mentale noemt hij het ‘innerlijk’, dat waar ieder van ons direct privé toegang toe heeft. Door middel van introspectie (‘ik heb pijn’, ‘ik voel iets’) kunnen we onszelf waarnemen. Maar is de geest wel volledig privé? Soms weten andere mensen dicht om jou heen, zoals familieleden of je partner, beter wat je denkt of voelt dan je dat zelf weet. Bovendien is het de vraag of we door introspectie wel te weten kunnen komen wat psychologische termen (zoals ‘pijn’) betekenen.

De twintigste-eeuwse filosoof Ludwig Wittgenstein dacht van niet. Als iedereen zijn eigen definitie van ‘pijn hebben’ zou hanteren, zouden we dat woord in onze omgangstaal nooit goed kunnen gebruiken. Iedereen zou er immers wat anders mee bedoelen. Dat we elkaar wel kunnen begrijpen heeft volgens Wittgenstein te maken met het feit dat we taal leren gebruiken in relatie tot anderen. Een klein kind begint hard te huilen wanneer hij pijn heeft, maar een volwassene heeft geleerd om in dergelijke gevallen ‘ik heb pijn’ te zeggen. De betekenis van psychologische termen leren we dus niet door een soort privétaal, maar intersubjectief. Damasio’s idee van de geest als volledig geprivatiseerd bewustzijn stuit zodoende ook op allerlei problemen.

De filosoof als conceptuele therapeut

Om helder over het lichaam-geest-probleem te kunnen praten is het volgens Herman Philipse dus allereerst noodzakelijk om duidelijke begrippen te gebruiken. Daarnaast is het belangrijk om ons te realiseren dat we op dit moment slechts een fractie van alle mogelijke kennis over de hersenen bezitten. Om de exacte werking van allerlei hersenprocessen begrijpen, is  nog veel onderzoek nodig. De filosofie moet zich met betrekking tot dit probleem niet zozeer bezighouden met theorievorming, maar met conceptuele analyse en het blootleggen van drogredenen.

Kijk de lezing terug: De filosoof als conceptuele therapeut. Meer weten over het lichaam-geest-probleem? Op de programmapagina van Filosofie van de geest vind je links naar alle opnames en nieuwsblogs. Download ook het e-book over deze thema’s, onder andere met een bijdrage van prof. Herman Philipse: Zijn wij ons brein.

Foto Flickr Mutsmuts

  1. 2

    Nou de mijne wel hoor, de heer Philipse loopt al jaren naast zijn schoenen van verwaandheid en mist het zogenaamde EQ en daarmee inlevingsvermogen. Kan je daar wel weer een onderzoekje naar doen maar een beetje zelfkennis is strikt noodzakelijk in deze, anders kunnen we wel aan de gang blijven met die flauwekul, “wij zijn ons brein” “zijn wij ons brein?” “Ons brein zijn wij” enz.

  2. 3

    Dé geest bestaat niet

    Wat doet dat rare accent aigu op het eerste woordje? Dat maakt de hele kwestie immers onbespreekbaar. Zonder accent is de stelling vergelijkbaar met “De ziel bestaat niet”, mét accent echter is het net zoiets als “Dé Nederlander bestaat niet”. Sinds Maxima kan iedere Nederlander weten dat dit soort stellingen niet informatief zijn, niet informatief kúnnen zijn en dat zulke stellingen hooguit leiden tot verschillende verzamelingen mensen rond verschillende totempalen.

    Dit soort stellingen mét accent: “Dé huppeldepup bestaat niet” is per definitie onbespreekbaar. Waarom? omdat ze als het ware vragen naar zoiets als het bestaan van de Platonische ideeën. Maar die bestaan nooit op de wijze waarop “bestaan” vandaag de dag altijd begrepen wordt omdat met “bestaan” tegenwoordig per definitie iets anders bedoeld dan het bestaan als idee. Een “geest” is niets anders dan een grote hoeveelheid ideeën bij elkaar inclusief de neiging ervan om er een zekere ordening in aan te brengen. Om tegelijkertijd te vragen het oerbeeld ervan in de materiële wereld aan te wijzen (want dat doe je als je naar het “bestaan” van iets vraagt) is het stellen van een onmogelijke vraag, de loutere vorm van de vraag sluit ieder antwoord al van tevoren uit.

    Jammer. Gemiste kans. Mooie discussie om zeep geholpen met deze kop die alle problematiek al in zich draagt terwijl je van tevoren kunt weten dat het reaguurdersplebs, zelfs de meer ontwikkelde onder hen dit niet meer kan behappen. Het medium “blog” ingezet als instrument voor obscurantisme. Een plantje sla gepoot in november. Meer is er niet van te maken. Helaas.

  3. 4

    Het is niet dat we alleen kennis zou hebben van de buitenwereld door de manier waarop de hersenen vorm geven aan die buitenwereld, aangezien dat alleen mogelijk is omdat de hersenen reeds over de noodzakelijk daaraan voorafgaande intentionalteit beschikken.

    Gastredakteur: “Dat komt voornamelijk omdat het woord mind betekenis krijgt door de manier waarop we dat woord gebruiken, en niet omdat het naar een bepaald ding zou verwijzen.”

    Elk woord krijgt betekenis door gebruik, wat dan ook de kern van het filosofisch discours is. Anders konden we het wel af met het woordenboek. Never mind.

    Gastredacteur: “Daarnaast is het belangrijk om ons te realiseren dat we op dit moment slechts een fractie van alle mogelijke kennis over de hersenen bezitten.”

    – Dat klopft niet. Alles wat we op dit moment (ons) realiseren, is helemaal niet een fractie van alle mogelijke kennis over de hersenen, maar ís juist reeds alle mogelijke over de hersenen. Mehr kennis is wat men nog gaat realiseren, wat dan = realiteit maken, oftewel: praktiseren.

  4. 6

    “bestaan die kleur en die muziek dan echt of zijn het slechts constructies van de hersenen?”
    Misschien zijn beide beweringen waar.
    Overigens is het altijd goed om in discussies te kijken of de verschillende deelnemers wel hetzelfde bedoelen met een term. Mijn ervaring in de natuurwetenschappen is dat discussie vaker wel dan niet vertroebeld worden door verschillende definities van dezelfde term. Daarin heeft Philipse in ieder geval gelijk.

  5. 7

    Alles wat we op dit moment (ons) realiseren, is helemaal niet een fractie van alle mogelijke kennis over de hersenen, maar ís juist reeds alle mogelijke over de hersenen. – Erg goed gevonden. +!!

  6. 8

    “Dé geest bestaat niet”

    Morika:”de loutere vorm van de vraag sluit ieder antwoord al van tevoren uit.”

    Het is helemaal geen vraag, het is een constatering.

    (Morika vraagt zich af of die constatering wel terecht is en ziet er daarom een vraag in; typisch geval van projectie)

  7. 9

    Niet als dat betekent dat je dan bij de oppervlakte blijft. Ook als je over de kop heen zou lezen (zoals jij doet in jouw reactie) blijft de kritiek dat in essentie gevraagd wordt naar de materialiteit van Platonische Ideeën. Wat denk je anders dat men bedoelt met term “bestaan”? en wat denk je anders dat ík bedoel met: “Mooie discussie om zeep geholpen met deze kop die alle problematiek al in zich draagt“?

  8. 10

    Misschien maakt de eindredakteur, net als in de mainstream pers, ook hier de koppen, en niet de gastredakteur zelf. Flexibiliteit valt wat dat betreft derhalve aan te bevelen.

    Bijkomende reden voor mij om dat te schrijven, is omdat ik meen dat in ieder mens, qua modus vivendi, in normale doen zowel de kopijproducent, als ook de eindredakteur van die gegenereerde kopij schuilt; of beter gezegd: openbaart.

  9. 11

    Volgens Morika is een “geest” niets anders dan een grote hoeveelheid ideeën bij elkaar, inclusief de neiging ervan om er een zekere ordening in aan te brengen.

    Maar hij stelt zich geen ogenblik de vraag hoe die grote hoeveelheid ideeen daar komen, laat staan dat hij dat proces benoemt, noch wat (of welke illusie) ten grondslag ligt aan (het proces van) de ordening.

    Blijkbaar gaat er iets vooraf aan, of is er een dieper nivo dan, de “geest” van Morika.

  10. 13

    Zou ik graag doen, maar helaas is de snelheid van mijn internetverbinding onvoldoende. Het gaat erover hoe het lichaam denkt, als ik het goed begrepen heb, oftewel het lichaam als oorsprong, bron, van het onderbewustzijn.

    Zit ik goed? Het komt wel overeen met mijn eigen uitgangspunt, mocht dat zo zijn. Ik zal het vannacht nog eens proberen, misschien dat ik dan wat meer bandbreedte heb.

  11. 14

    Ja, dat waren dan min of meer de intenties vooraf, en zo pakte het, min of meer, ook wel uit.

    Het was weer een—wat mij betreft, en zoals gewoonlijk—’feestelijke’, uitzending, waarbij de gasten hun stellingen goed wisten te formuleren.

    Want als filosoferen geen goede formuleringen zou opleveren, die betrokkenen dan niet al doende niet performatief weten te belichamen, dan zou het betrekkelijk pointe-less zijn.

    Instinct versus intuïtie, halfweten om tot handelen te komen, de late spraakontwikkeling bij Einstein als reden om de samenhang tussen ruimte en tijd als niet vanzelfsprekend te ervaren… etc…

    Ik ga zelf morgen ofzo online het nog eens closeviewen.

    Het meeste dat we denken te weten bestaat uit beweringen

  12. 15

    Eens op een nacht liet ik mijn hond uit en opeens was het of ik hem aan een elastiekje had. Honden weven altijd een heel patroon om je heen: ze gaan voor je uit, pissen hier, snuffelen daar, blijven wat achter en maken dat weer goed met een huppeldrafje om bij te komen, waarna het spel weer opnieuw begint. Vooral herders en labradors, dat soort honden, hebben dat heel sterk.

    En omdat het gedrag van de hond helemaal op jouw gericht is kun je zo ook met hem communiceren. Door je als hond te gedragen, zeg maar. Niet echt iets bijzonders, zul je misschien zeggen, en dat is het mischien ook niet.

    Maar ik liep dus te trippen en opeens ging ik door die grens heen en heb toen een tijdje bewust zo met mijn hond lopen communiceren. Nou kan het best zijn dat je er misschien op trip meer van maakt als het werkelijk is, maar het was wel een heel bijzondere ervaring.

    Eigenlijk zou je dansend door het leven moeten gaan.
    Maar dat staat zo raar.

  13. 16

    Heerlijk als Wittgenstein in een column behandeld wordt. En met ‘Dé Geest’ wordt toch duidelijk gedoeld op onze christelijke opvatting van een mens, wellicht dat sommige lezers daarom zo vallen over een klein populistische inslag van een titel?

    Ik snap ook niet dat sommigen zoveel moeite hebben met de gedachte dat eens een zeer complexe biologische computer is. Maakt dat juist niet het leven nog veel complexer en mooier dan we ooit hadden kunnen voorstellen? Daarbij, EQ is aangeleerd, waarbij empathie pas een recente aanwinst is in de Westerse cultuur.

  14. 19

    Een mens heeft 3 soorten van intelligentie : verstandelijke intelligentie + emotionele intelligentie + lichamelijke intelligentie = bewustzijn

  15. 22

    De mens zou zich, inderdaad, beter concentreren op de hoogtepunten dan op de dieptepunten.

    Colin Wilson:

    Some years ago, an American psychologist, Abraham Maslow, felt the same kind of instinctive revolt against the ‘atmosphere’ of Freudian psychology, with its emphasis on sickness and neurosis, and decided that he might obtain some equally interesting results if he studied extremely healthy people. He therefore looked around for the most cheerful and well-adjusted people he could find, and asked for their co-operation in his studies. he soon discovered and interesting fact: that most extremely healthy people frequently experience of intense affirmation and certainty; Maslow called these ‘peak experiences.’ No one had made this discovery before because it had never struck anyone that a science calling itself ‘psychology’ and professing to be a science of the human mind (not merely the sick mind), ought to form its estimate of human beings by taking into account healthy minds as well as sick ones. A sick man talks obsessively about his illness; a healthy man never talks about his health; for as Pirandello points out, we take happiness for granted, and only begin to question life when we are unhappy. Hence no psychologist ever made this simple and obvious discovery about peak experiences.

    http://en.wikiquote.org/wiki/Colin_Wilson

  16. 23

    Ik probeerde onder woorden te brengen dat er iets is dat vooraf gaat aan taal en ideeen, zelfs/ook als het communicatie betreft, als “bindmiddel” tussen alles wat leeft. Je kunt het niet zien, maar slechts ervaren en het is moeilijk onder woorden te brengen, tenzij je zou afspreken dat je dat “geest” noemt.

    Niettemin een aardige associatie Karl: zonder ‘peak experiences’ zou het leven een tredmolen voor slaapwandelaars zijn.