De christelijke liefdadigheid van Theodor Holman

ACHTERGROND - Is het nodig om met veel kabaal geld in te zamelen? Theodor Holman betoogt van niet. Jona Lendering dient hem van repliek. Holman is eigenlijk heel christelijk bezig en dat is jammer. We kunnen beter kijken hoe de Romeinen liefdadigheid bedreven.

‘Ik zal nooit in het openbaar geld inzamelen voor een goed doel en ik zal ook nooit hardlopen tegen kanker of op Radio 538 een liedje kopen om zielige moeders te redden. Zo ik al goed doe, doe ik dat in het geheim, want zo ben ik opgevoed. Wantrouw iedereen die zich op zijn Goede Werken laat voorstaan.’

Dat schrijft de door mij gewaardeerde columnist Theodor Holman gisteravond in Het Parool. Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Niet alleen omdat ik de weerzin tegen ‘hardlopen tegen kanker’ en ‘een liedje kopen om zielige moeders te redden’ herken, maar ook omdat de auteur, die christenen pleegt te vergelijken met honden, hier een door-en-door christelijk standpunt inneemt. De beroemdste verwoording is te vinden in het Evangelie van Matteüs:

‘Beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken … als je een aalmoes geeft, laat je linkerhand dan niet weten wat de rechter doet (Mt 6.1, 3).’

Merites

Nu een humanist een christelijk standpunt inneemt, is dat een ongezochte gelegenheid om het christendom eens op zijn merites te beoordelen. Het eerste voordeel is dat de partijen nu erkennen dat ze iets met elkaar gemeen hebben, zodat een totale wederzijdse verkettering niet mogelijk is. Een tweede voordeel is dat de discussie kan gaan over de inhoud, en niet blijft steken in opmerkingen over pedofiele priesters. Een wereldbeschouwing verdient het te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en niet aan de hand van de gedragingen van Gods grondpersoneel. En een derde voordeel is dat de hier genoemde norm – als je iets goeds doet, doe het dan in stilte – zich leent voor een analyse.

Zoals de bekende existentialistische filosoof Bruce Willis het samenvat in Die Hard: ‘Les hommes meurent et ils ne sont pas heureux. Life is shit and then you die.’  Waarom zou je in deze absurde wereld, waarin het menselijk lijden onvermijdelijk is, iets doen voor een ander? De existentialist heeft een antwoord: hij kan een heroïsche daad stellen en de wrede logica van deze absurde wereld ontkennen. De christen gelooft dat deze wereld niet de enige is en dat een weldaad, hier bewezen, in de andere wereld zal worden beloond.

Beide standpunten zijn eigenlijk niet zo overtuigend. Je zou wat meer zekerheid willen hebben dan geloofszekerheid, die immers is gebaseerd op onbewezen aannames. En hoe heroïsch het ook mag zijn om de absurditeit van deze wereld te ontkennen, veel schiet je er zelf niet mee op. Je kunt je heroïsche daad net zo goed achterwege laten.

Liefdadigheid rondbazuinen

De oude Romeinen bazuinden hun liefdadigheid zo luid mogelijk rond. Hieronder volgt de tekst van een van de beroemdste inscripties uit de Oudheid, ooit te zien in een badhuis te Como. De Romeinse senator om wie het gaat, aan gymnasiasten bekend als Plinius de Jongere, somt eerst zijn carrière op en vervolgens zijn weldaden.

‘Caius Plinius Caecilius Secundus, zoon van Lucius, uit het Oufentijnse district, consul, augur, legaat met consulaire bevoegdheden in Bithynië-Pontus en door keizer Trajanus krachtens senaatsbesluit naar die provincie gezonden, curator van de bedding en oevers van de Tiber en van de riolering van Rome, schatkistprefect, prefect van de militaire pensioenkas, praetor, volkstribuun, keizerlijk quaestor, zevenman van de ridderstand, officier in het Derde Legioen Gallica en president in het hof van honderd rechters, stichtte bij testament dit badhuis ter waarde van [lacune] sestertiën en schonk 300.000 sestertiën om het te versieren en de rente van 200.000 sestertiën voor het onderhoud. Voorts liet hij 1.866.666²∕₃ sestertiën na om honderd vrijgelaten slaven te onderhouden en de armen in de stad te voeden. Tijdens zijn leven gaf hij 500.000 sestertiën voor het onderhoud van de kinderen van de stad en 100.000 sestertiën voor dat van de bibliotheek.’

In de Oudheid lazen mensen niet in stilte. Wie het badhuis betrad en de inscriptie las, sprak deze woorden uit en liet zo ook de vele ongeletterden weten hoe goed Plinius was geweest. Er zijn honderden van dit soort inscripties; een fraai voorbeeld uit de Lage Landen is te lezen in het Thermenmuseum in Heerlen. De weldoener kreeg destijds alle eer – en dat was waarom ’ie het deed. Tegenover je weldaad stond een concrete tegenprestatie: aanzien binnen de gemeenschap.

Mensen stelden er zó veel eer in iets voor de gemeenschap te doen, dat ze bereid waren zich te ruïneren of ruzie riskeerden met andere aanzienlijken, die het niet konden velen dat een ander meer eer kreeg dan zij. De Romeinse provincie Bithynië-Pontus kwam er aan het begin van de tweede eeuw n.Chr. zó ernstig door in de problemen dat het leidde tot een keizerlijke ingreep: de elite had haar financiële reserves uitgeput en kon daardoor de provinciale belastingen niet langer voorfinancieren. Keizer Trajanus zond daarop de genoemde Plinius als een soort interim-manager naar het crisisgebied.

Over zijn krankjorume titel ‘legaat met consulaire bevoegdheden in Bithynië-Pontus en door keizer Trajanus krachtens senaatsbesluit naar die provincie gezonden’ zou nog een blogpost zijn te schrijven, maar het gaat me om een ander punt: het Romeinse systeem, waarin je in ruil voor een weldaad eer en aanzien genoot, werkte. Het bracht mensen ertoe hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Op het riskante af.

Je kunt het platvloers vinden. Een weldaad in ruil voor eer is inderdaad zoiets als opzichtig hardlopen tegen kanker of een liedje voor de zielige moeders. Het mist het heldhaftige van iemand die in stilte goed doet. Maar het werkt, en vermoedelijk zelfs efficiënter dan de christelijke norm dat je je linkerhand niet moet laten weten wat je rechterhand doet. Ik heb althans nog nooit gehoord dat Staphorst, Urk of Spakenburg zich ruïneerden uit compassie met minderbedeelden.

Begrijp me niet verkeerd: ik heb enorme bewondering voor de miljonair die zijn geld gebruikt om jonge mensen de kans te geven een ongebruikelijk idee te verwezenlijken, voor een ex-vriendin die als tropenarts ging werken in Malawi en voor een echtpaar dat de verpleging betaalt van iemand met een chronische aandoening. Allemaal zonder dat ze zich erop laten voorstaan, uit medemenselijkheid, uit religieuze overtuiging of uit ontkenning van de absurditeit van het leven.

Ze leven naar een hondsmoeilijke ethiek. Voor middelbare talenten is het Romeinse systeem misschien beter. Als de gemeenschap er baat van ondervindt, gun weldoeners dan wat eer. Vraag niet van ze dat ze alles in stilte doen, want dan doen ze vermoedelijk niets. De christelijke ethiek is voor de gemiddelde mens vermoedelijk te zwaar.

  1. 1

    Dat schrijft de door mij gewaardeerde columnist Theodor Holman gisteravond in Het Parool.

    Tering. Morgen op Sargasso: “Dat schrijft de door mij gewaardeerde Bert Brussen in De Volkskrant.”

    Vroeger. Toen vonden Carmiggelt en Hofland de krant nog een meneer. Nu is de krant een hufter. En Jona glimlacht.

    Sterf Holman. Sterf Brussen. Sterf Jona Ellendeling. Sterf op een brandstapel van columns.

  2. 3

    Misschien is belangeloze naastenliefde een (te) hoog doel, maar liefdadigheid gemotiveerd door eerzucht doet het ook niet zo best. Je ziet in Nederland weinig rijken met veel bombarie hun geld uitgeven ten behoeve van de armen. Wel hoor je soms over mensen die zichzelf in stilte hebben verrijkt. In de VS is dat andersom, maar dat is dan ook een christelijk land.

  3. 4

    Jaja als je naastenliefde toont wordt je straks zeker ook beticht van christelijke trekjes

    Wat een vergezocht kul-artikel dit. Van dezelfde stommiteit als opmerkingen van christenen dat zonder geloof geen echte naastenliefde mogelijk is.

    Daarnaast is de bijbel nou niet echt een goede bron voor welke argumentatie dan ook. It’s fiction baby! Auteur onbekend.

  4. 6

    Ik wou net gaan typen wat #4 ook al typte. Maak ik mij ook schuldig aan christelijkheid wanneer ik mijn naaste lief heb of niet met een man slaap?

  5. 7

    Zeg #4 en #6, Jona schrijft toch niet dat naastenliefde een puur christelijke aangelegenheid is? Hij schrijft dat het verzwijgen ervan, het niet koketteren ermee, een christelijk trekje heeft. En hij stelt daar de schreeuwerige naastenliefde van de Romeinen tegenover. Wat een stukje oplevert waar je wat van leert en dat ook nog eens verdomd leuk is opgeschreven. Wat, in Godsnaam, wil je nog meer? Verder is Theodor Holman een uitstekende schrijver, met een handvol vermoeiende stokpaardjes die hij node eens bij het grofvuil zou moeten zetten.

  6. 8

    @7 Onder liefdadigheid versta ik iets anders dan naastenliefde. Voor mij is liefdadigheid juist gericht aan niet-naasten.

    Los daarvan is mijn punt van kritiek dat het nergens op slaat om een gedraging of mening christelijk te verklaren omdat die ook door het christendom wordt gepropageerd. En aangezien die veronderstelling nu net de kern van het verhaal is, vind ik het verhaal als geheel niet zo zinnig.

  7. 9

    Theodor Holman, Theodor Holman….dat is toch die Breivik-bewonderaar die graag mensen uit Polen wilde laten doodschieten?
    Dat zo iemand noig van deze of gene op ‘waardering’ kan rekenen…

  8. 11

    @8: Het lijkt mij best verdedigbaar dat Holmans voorkeur voor stille liefdadigheid het gevolg is van een Christelijke moraal, waarvan de Nederlandse samenleving op sommige punten doordrongen is. Calvinistisch noemen we dat ook wel. De Katholieken, om maar een andere Christelijke stroming te noemen, gaan volgens mij heel anders met dit soort dingen om. Vandaar wellicht dat ze er Rooms voor hebben staan.

    Overigens vind ik niet dat Jona’s stuk Holmans stelling ontkracht dat je mensen die te koop lopen met hun liefdadigheidsdaden moet wantrouwen. De Plinius de Jongere bijvoorbeeld lijkt mij een blaaskaak van het ergste soort. Ik zou er met een flinke boog omheen hebben gelopen destijds. Hoe groot de donatie ook zou zijn geweest die hij aan het ouderhuis waar mijn grootmoedertje haar laatste dagen sleet had gegeven.

  9. 13

    @10: Klopt. “Ausrotten”. “Ausradieren”…het worden steeds gangbaardere termen in het verder zo armzalige vocabulaire van fascistisch Nederland. Van de Schutjes, de Niemöllertjes, de Wintertjes en ook de Holmannetjes. Van de wanabe SS’ertjes van morgen zullen we maar zeggen.

  10. 14

    “In de Oudheid lazen mensen niet in stilte.”

    Ik meen dat dit een hardnekkig misverstand is, gevormd op basis van één enkele tekst die verkeerd is geïnterpreteerd.

  11. 16

    Die Romeinse aanpak is niet zo gedateerd: in Amerika is het vrij gebruikelijk om klinieken, scholen, bibliotheken, musea etc te vernoemen naar mensen die er veel geld in hebben gestoken. Meestal compleet met standbeeld of plaquette.

    Toch zijn ze daar veel christelijker dan hier. De premisse van dit stukje rammelt dus nogal, en niet alleen op dit punt.

  12. 17

    In de Bijbel, Nieuwe Testament, staat het verhaal van Ananias en Saffira, het echtpaar dat zijn schenking aan de Christelijke Gemeente groter voorstelde dan het was. Petrus, als Paus I, bracht hun bedrog aan het licht, het echtpaar kwam om het leven.
    Dat deze gebeurtenis in de ‘Acta’ is vermeld, laat zich leerstellig verklaren. Om reden van prestige kwamen A. resp. S. publiekelijk met een Gift aanzetten, maar die (Romeinse) tijd was voorbij. Nu gold het Christelijk motief om te geven: uit medelijden, en dat moest in die Kerk-in-aanbouw worden gedemonstreerd en onthouden. Via een drastisch lesje.
    Wat we van A&S en passant ook nog leren, is het gevaar van de Gift. Op zich, los van ruil of religieuze binding; leidt zij tot opgeblazenheid. Geven is goddelijk.

    Ook Bidez heeft oog voor het specifieke karakter van de Christelijk gift.
    ‘In functie van Pontifex Maximus ontwierp Keizer Julianus voor zijn priesters voorschriften gebaseerd op voorstellingen van Cybele en Attis, Mitra en Griekse wijsgeren, en droeg hij hen ook op de goede werken na te volgen.
    Dat te doen deed hij niet in termen van medelijden (aalmoes), maar fundeerde hij op begrippen als ‘gelijkwaardigheid, broederschap en liefde voor de medemens, net zo als de Griekse wijsgeren’ – en onze humanisten – ‘en hij beroept zich op Homerus en de orakels van Apollo.’
    Daarvan schrijft Bidez: ‘de ondervinding waarop hij zich beroept, is toch die uit het christelijk leven, en feitelijk stelt hij aan de heidenen de christelijke weldadigheid tot voorbeeld. (Hij had) met een opmerkelijk juist begrip ingezien wat in zijn tijd het meest doeltreffend middel was om de nieuwe godsdienst te laten doordringen.’ (Bidez, J., KEIZER JULIA¬NUS, Spec¬trum, Aulaserie, p. 31).

    Als erfgenamen van het Christendom en van het Romeinse Rijk, mogen we geloven dat hun principes van de gift in verschillende mengverhoudingen ons nog steeds moveren. Ik denk aan ontwikkelingshulp (OWH) en de spectaculaire opbrengsten van Goede Doelen Acties (GD) hier. Nergens ter wereld vangen zij meer en duizenden GD organisaties stropen dan ook ons land belastingvrij af. Maar dat is collectief zo. Privatelijk zijn we zo gul niet, en is ’going Dutch’ een wereldgezegde.
    Wat OWH betreft, die wanstaltige Gift lijkt een fifty-fifty ‘joint venture’ van enerzijds seculiere krachten, uit op prestige, en anderzijds van gedrevenen door de ‘contemplatio Christi.’ Een onzalige combinatie waarvan de vruchten navenant zijn.