Waarom politici soms feiten ontkennen
Wetenschappelijke kennis mag dan onderhevig zijn aan inflatie, toch komt het soms voor dat onderzoekers onderwerp worden van politieke strijd. De vraag is hoe onderzoekers daarmee om moeten gaan. Op dit moment zijn het vooral de niet-deskundigen die uitmaken wat de ‘waarheid’ is: beleidsmakers en het brede publiek, zegt Sjoerd Karsten, bijzonder hoogleraar Beleid en Organisatie van het Beroepsonderwijs aan de UvA.
Stelt u zich eens voor: u heeft zojuist van een specialist gehoord dat uw ziekte niet te genezen valt. Hoe groot is de kans dat u voor een ‘second opinion’ gaat naar een andere specialist? Hoe groot is de kans dat u (eventueel na het tweede oordeel) gaat ‘shoppen’ in het alternatieve circuit? Nu echter het geval, dat u bij de eerste specialist te horen heeft gekregen, dat alles in orde is. Gaat u dan nog te rade bij een andere specialist? Waarschijnlijk niet. Met andere woorden, er moeten verschillende doktoren aan te pas komen om een overtuigend bewijs te leveren als er iets mis is, maar een enkele volstaat om overtuigd van te zijn van een blijde boodschap.
Een soortgelijk gevoel overkwam mij het afgelopen jaar als beleidsonderzoeker. Samen met mijn collega Henk Blok van het Kohnstamm Instituut leverden we vorig najaar een rapport af over het thuisonderwijs in Nederland; of liever gezegd hoe het kinderen vergaat met een vrijstelling van de leerplicht vanwege richtingbezwaar, zoals dat in het officiële jargon heet. Het gaat om ongeveer driehonderd kinderen.