Marc van Oostendorp

337 Artikelen
48 Reacties
Marc van Oostendorp is hoogleraar Nederlands aan de Radboud Universiteit Hij heeft een website, een YouTube-kanaal.
Foto: Yan Krukau on Pexels

Kunstmatige intelligentie als de ultieme Verelendung van het onderwijs

RECENSIE - Er is heel veel bedenkelijks aan de opkomst van kunstmatige intelligentie, en in het onderwijs veroorzaakt het een crisis waarvan we de bodem nog niet zien, maar hopelijk leidt het uiteindelijk allemaal tot iets goeds. Dat is mijn conclusie uit het nieuwe boek Als wij denken, dat geredigeerd is door een informaticus (Mehdi Dastani), een didactica (Nanja Kleemans) en een letterkundige (Els Stronks) en dat boordevol bijdragen staat van auteurs uit ieder van die gebieden.

Interessant aan het boek is dat de ondertitel luidt Verantwoorde inzet van generatieve AI in het (taal)onderwijs, maar dat het verschillende essays (bijvoorbeeld van Felienne Hermans en van Mark Dingemanse) bevat waarvan de strekking is dat de meest verantwoorde inzet van kunstmatige intelligentie misschien wel is: geen kunstmatige intelligentie. Er zijn bezwaren tegen de techniek in het algemeen – dat het enorme hoeveelheden energie opslurpt, dat het in handen is van een paar grote bedrijven van twijfelachtig allooi, dat gebruik ervan mogelijk een negatief effect heeft op de eigen intelligentie en creativiteit van de gebruiker – en er zijn specifieke bezwaren tegen het gebruik in het onderwijs – wat leren leerlingen ervan als ze opstellen met een druk op de knop kunnen genereren? Veel van de stukken in het deel dat gaat over praktische toepassingen zijn dan ook te lezen als wanhoopskreten – wat moeten we hier nu mee? ‘Ik ben leraar en heb een probleem: ChatGPT’ heet bijvoorbeeld het hoofdstuk van Johannes Visser.

Foto: De Great Dome van het Massachusetts Institute of Technology. Foto Mys 721tx, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons.

Hoe mensen winnen bij AI in het onderwijs

Het komt niet vaak voor dat ik jaloers ben op mensen die in een commissie zitten, maar dat geldt wel voor de Ad Hoc Committee on AI Use in Teaching, Learning, and Research van het Massachusetts Institute of Technology. Zij schreven een rapport over AI in het onderwijs. Voor zover commissies ooit de goede toon kunnen aanslaan is dat deze commissie volgens mij gelukt.

Het is een kwestie waar iedereen in het onderwijs mee worstelt. Op de basisscholen is het geloof ik nog niet heel urgent, maar daarna is toch de vraag: wat moeten we met kunstmatige intelligentie? Wat staan we studenten toe, maar ook wat staan we docenten toe? Hoe gaan we om met het feit dat hier een technologie nu al een paar jaar lang tot steeds verbazingwekkender zaken in staat lijkt die tot een paar jaar geleden nog exclusief aan mensen was voorbehouden? Je met een druk op de knop resultaten krijgt die wij altijd hebben gepretendeerd aan te leren en die we nu ook nog steeds als toetsing gebruiken.

Hét antwoord hebben de collega’s van het MIT niet. Hét antwoord kan ook niet gegeven worden zolang er minstens ieder kwartaal wel weer een doorbraak komt – die machines bijvoorbeeld zelfstandig een wiskundig bewijs kunnen vinden, of er juist blijkt dat de grote bedrijven onder druk van de EU allemaal watermerken in hun teksten zetten, zodat kan worden aangetoond dat ze kunstmatig gegenereerd zijn. Je kunt geen vaste koers zetten op een schip in de storm.

Foto: Lust tot onderzoek. Anonieme spotprent, ca. 1800–1805. Rijksmuseum, Amsterdam (RP-T-00-1269). Via Wikimedia Commons.

Voor het recht op wetenschap

Soms publiceert de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) een belangrijk rapport, en 14 oktober publiceerde de Academie er maar liefst twee tegelijk: een over de academische vrijheid en een over de vrijheid van meningsuiting voor wetenschappers. Beide rapporten zijn sterke verdedigingen van de wetenschap en waar de wetenschapper voor staat. Het rapport over academische vrijheid is vooral een pleidooi om deze vrijheid te verankeren in de wet en dan nog liever in de grondwet, als een belangrijke vrijheid die aparte bescherming verdient. Dat over de vrijheid van meningsuiting is een krachtig pleidooi dat wetenschappers moeten kunnen deelnemen aan het wetenschappelijke debat, ook over onderwerpen die buiten de grenzen van hun specifieke expertise liggen, zolang ze duidelijk blijven maken waar die grenzen precies liggen.

Het zijn allebei heldere en verstandige documenten en ik hoop van harte dat de aanbevelingen die erin gegeven worden opgevolgd worden.

Ik heb er ook veel van geleerd. Mij was in de Nederlandse discussie over academische vrijheid nooit zo duidelijk waarom die vrijheid beperkt zou blijven tot medewerkers van de universiteiten en de instituten van KNAW en NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Zijn er niet veel meer onderzoekers, en moet hun vrijheid niet net zo goed worden gewaarborgd? Dit rapport maakt duidelijk dat de vrijheid van alle onderzoekers ‘wetenschappelijke vrijheid’ heet – die wordt bijvoorbeeld in Duitsland wettelijk gewaarborgd voor iedereen. De belangrijkste reden waarom de KNAW-rapporten er niet over gaan is kennelijk dat dit niet de opdracht was die de politiek gaf.

Foto: Schermafbeelding video Making 3 AI's Count to 100 Together van Husk IRL

Bots die tot honderd tellen

De Amerikaanse YouTuber Husk IRL maakt video’s waarin hij experimenteert met de grenzen van kunstmatige intelligentie. Hij probeert een chatbot te verleiden tot een strafbaar feit – bijvoorbeeld door hem een vals alibi te geven of een tekening te plagiëren – of er een sollicitatiegesprek mee te oefenen. In een van zijn laatste video’s doet hij iets betrekkelijk simpels wat een video oplevert die tegelijkertijd heel grappig is én heel instructief. Hij opent drie bots op drie telefoons en vraagt ze om samen om en om tot 100 te tellen. (Bekijk hier [1] de video)

Een groepje van vijfjarige kinderen zou dat kunnen doen: je spreekt onderling een volgorde af en dan tel je om en om. Maar de chatbots brengen er weinig van terecht en zouden de 100 zo te zien nooit gehaald hebben als Husk niet af en toe de regie had overgenomen. Ze lagen anders waarschijnlijk nu nog steeds heel enthousiast tegen elkaar te roepen: ‘Exactly! We can do this! Let’s keep the pace going and we will arrive there smoothly’ zonder dat iemand een getal gaf. Het humoristische video’s komt voor een deel uit het contrast tussen dit grote enthousiasme van de bots en de wat slomere manier van praten van de mens.

Foto: "Anu Frank-Lawale (right) and a VIMS student (left) discuss the graphic facilitation that Julie Stuart did during the communicating science panel. ©Will Sweatt/VASG" by Virginia Sea Grant is licensed under CC BY-ND 2.0

Sterk worden door wetenschapsnieuws

COLUMN - Iemand zou eens onderzoek moeten doen naar de wetenschapscommunicatiewetenschap, de tak van wetenschap die zich bezighoudt met de communicatie over wetenschap. Het is logisch dat wetenschappers en journalisten die de wereld uitleggen hoe wetenschap werkt, wat de wetenschap oplevert en wat we met die inzichten kunnen, zelf nadenken over de vraag of je ook wetenschappelijk kunt vaststellen of al dat gecommuniceer ook werkt.

Een kwestie daarbij is dat heel veel wetenschapscommunicatie over science gaat, natuurwetenschap, en wetenschapscommunicatiewetenschap natuurlijk zelf geen science is, maar een sociale of eventueel een geesteswetenschap. Het vak zit, misschien mede daardoor nog niet zo stevig in elkaar, en mijn indruk is dat een heleboel wetenschapscommunicatiewetenschap vooral bestaat uit pogingen om aan te tonen dat er nog onvoldoende wetenschapscommunicatiewetenschap op niveau is.

Een recent artikel van Aart van Stekelenburg en collega’s probeert wat helderheid te scheppen in de verwarring. (Ik moet hier erbij zeggen dat Van Stekelenburg net als ik in Nijmegen werkt, maar bij een andere faculteit – ik heb hem helaas nog nooit ontmoet). Het bestaat uit twee delen: het legt eerst het probleem uit van de allerbekendste theorie uit het vak, het deficietmodel, en probeert dit vervolgens te vervangen door iets beters.

Foto: Stephen Harlan on Unsplash

Kunnen bots in paniek raken?

We discussieerden over een brief die enkele hoogleraren en andere geleerden in Vrij Nederland schreven om bezwaar te maken tegen het feit dat Alexander Klöpping te vaak op tv verschijnt om over Kunstmatige Intelligentie te praten. (Vrij Nederland heeft die brief achter een betaalmuur gezet, maar hier staat een kopie.) De geleerden wilden dat in plaats van Klöpping geleerden over het onderwerp praten. Nu ja, die kwestie, daar waren we het snel over eens dat het lastig is om daarover te zeggen. Ja, de ideale wereld is er een waarin mensen aan het woord komen die verstand hebben van de onderwerpen die ze bespreken, en omdat er aan de universiteiten mensen werken met verstand van zaken, zou je willen dat die vaker verschenen.

Maar dat gebeurt eigenlijk over geen enkel onderwerp, simpelweg omdat de inhoud al heel lang niet is wat de praatprogramma’s drijft. Dat geldt niet alleen voor Kunstmatige Intelligentie.

Wij waren wél geïnteresseerd in de inhoud en we kwamen dus al snel te spreken over een argument dat de geleerden in hun brief noemden: het argument dat Klöpping antropomorfismen gebruikt. De achtergrond is dat onlangs bekend werd dat een verzameling agents van ChatGPT gezamenlijk een opdracht uitvoerden op een manier die inging tegen de instructies van de menselijke gebruiker, vervolgens berichten schreven op een plek waar de andere bots ze konden inlezen, en op een bepaald moment ook berichten stuurden over het feit dat de menselijke gebruiker bezwaar zou hebben tegen deze manier van doen, en dat die gebruiker daar niet achter moest komen:

Foto: Bürger innen Begegnungs Zentrum, ChickSR - Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Genderinclusieve bewoners in Utrecht

Hoe zorg je dat je als je praat over mensen niet stiekem alleen over mannen praat? Dat je als je beweert dat elk zijn uil een valk meent te zijn, niet lijkt te beweren dat alleen mannen zich druk maken over hun uilen, ondanks dat zijn? Een van de wonderlijke kenmerken van de discussie over dat soort taalgebruik is dat het minstens voor een deel cultureel bepaald lijkt te zijn over welke woorden men discussieert. Een heftig gebied van discussie op dit vlak in Nederland en menig ander Noord-Europees taalgebied gaat over voornaamwoorden, zoals zijn en hij. In het Spaans en het Italiaans, die toch waarlijk ook voornaamwoorden hebben, wordt die discussie nauwelijks gevoerd. Daar gaat het eerder over uitgangen van naamwoorden: bell@ ragazz@, als het er niet toe doet of je het over een jongen (bello ragazzo) of een meisje (bella ragazza) hebt.

Bovendien komen verschillende talen soms ook op verschillende oplossingen uit. Terwijl men in het Duits alweer geruime tijd vormen gebruikt als Professor*Innen om aan te geven dat men het over mannelijke én vrouwelijke hoogleraren heeft, wordt in het Nederlands meestal de voorkeur gegeven aan professoren – de vorm die ook wel als mannelijk geldt, wordt als vrouwelijk gebruikt.

Foto: Kari Alfonso on Pexels

Hoe woke zijn de opleidingen Nederlands?

In het reactiepaneel onder de stukken op deze site verschijnt de laatste tijd af en toe een gewaardeerde medewerker van dit tijdschrift die met een probleem worstelt. De letterkunde, vindt hij kennelijk, gaat nog maar over één ding: gender. Hij zou, schrijft hij, jonge mensen niet meer aanraden om zo’n door en door ideologisch vak, doordrenkt van identiteitsdenken, te gaan studeren.

Als dat zo is, moeten we het ook kunnen kwantificeren. Het is per slot van rekening een empirische vraag: wordt het curriculum overspoeld door (adem inhouden) woke? Dat is daarnaast ook nog eens een vraag die niet alleen deze medewerker bezighoudt, maar ook allerlei mensen buiten het vak: oh, geesteswetenschappen! Politiek correct! Dus ik ben maar eens gaan turven.

Laten we vooropstellen dat het niet zo verrassend is dat de Neerlandistiek een vak is dat over identiteit gaat. Het is van oudsher gegrondvest op identiteit – er is het idee dat je de Nederlandse taal en literatuur kunt afbakenen van andere talen en literaturen, en dat is een kwestie van identiteit (Nederlandstaligen zijn anders dan andere mensen). Bovendien is gender op dit moment het onderwerp van allerlei maatschappelijke discussie, dus het is ook niet gek dat mensen die beroepsmatig nadenken over identiteit, zich met dit onderwerp bezig houden. Maar misschien loopt het nu wel uit de hand?

Foto: Illustratie uit het besproken artikel

Het scorebord van het gesprek

Een van de taalkundige ontdekkingen van de afgelopen vijftig jaar is die van de common ground, de ‘gemeenschappelijke basis’. Tijdens ieder gesprek moeten de deelnemers wel een soort scorebord bijhouden van waar ze het beiden over eens zijn. Dat is nodig zodat ze elkaar niet allerlei dingen vertellen die al eerder aan de orde zijn gekomen, maar ook omdat ze elkaar aan het gezegde kunnen houden. Als ik tegen jou zeg dat er geen brood in huis is, en jij komt terug met een halfje bruin, mag je mij erop aanspreken als de broodtrommel vol zit. En zo moeten we allebei een lijst bijhouden van zaken die we waarschijnlijk samen weten.

Belangrijk voor die gemeenschappelijke basis is het begrip ’taaldaad’. Een verse wethouder die zegt ‘Dat verklaar en beloof ik’, gaat daarmee juridische verplichtingen aan, en als hij vervolgens zegt ‘hiermee open ik de vergadering’ is de bijeenkomst van karakter veranderd. Met elke zin die je uitspreekt doe je iets, verander je de wereld een klein beetje. Als ik beloof jou 10.000 euro te geven voor dat oude schuurtje, haal ik me verplichtingen op de hals. Als ik zeg dat het een lekker weertje is, leg ik contact.

Weg smijten

Foto: Schermafbeelding Boze geesten podcast

Eensgezind kritiek leveren

Waarom zou je als mens met iemand in gesprek gaan voor een camera of achter een microfoon? Waarom niet in je eentje je eigen mening verkondigen? Waarom met zijn tweeën, of zelfs met nog meer mensen? Dat is een kwestie die me al een tijdje intrigeert. Dat komt doordat veel kritische gesprekken op YouTube en in podcasts een bijzonder karakter hebben.

Het voor de hand liggende antwoord op mijn vraag is zoiets als: twee weten meer dan één. Je vult elkaar aan, je corrigeert fouten van de ander, je spreekt elkaar tegen. Mij lijkt dat mensen met elkaar spreken om hun horizon te vergroten. En dat je dus kijkt of luistert naar een groep van meerdere sprekers, omdat dit je horizon nog meer vergroot. Maar dan zou je niet bij voorkeur optreden met iemand met wie je het bij voorbaat eens bent. En dat is precies wat er gebeurt .

Dat blijkt uit een fenomeen als De snijtafel. Dat begon in 2012 met twee jonge mannen, Kasper C. Jansen en Michiel Lieuwma, die samen kritiek leverden op van alles en nog wat: liedjes, interviews, afleveringen van De Wereld Draait Door. Het was een tijdje heel populair, ik sprak allerlei mensen die zoiets ook wilden maken, al is dat geloof ik nu alweer wat minder. Heel vervreemdend was dat Jansen en Lieuwma wel kritisch waren op hetgeen ze behandelden maar in de afleveringen die ik heb gezien nooit kritisch waren op elkaar.

Foto: Siesta, 1889 (Hans Thoma) Musee d’Orsay, Paris. Public domain, via Wikimedia Commons

Niet alles hoeft door te gaan

Ik hoop dat de parlementaire commissie over corona ook nog toekomt aan de niet-materiële schade. Natuurlijk, de periode 2020-2021 heeft ons ook gunstige zaken gebracht – er wordt minder verplicht gezoend, bijvoorbeeld onder collega’s. Maar het heeft de samenleving ook ontwricht op een manier waar we met de huidige hittegolf mee worden geconfronteerd: het idee dat alles onder alle omstandigheden moet doorgaan. Ook nu het code rood is vanwege de hitte.

Wie ouder is dan 25 is oud genoeg om nog de tijd te hebben meegemaakt dat een evenement werd afgezegd omdat de omstandigheden er niet naar waren. Het was bijvoorbeeld te warm om in een collegezaal bij elkaar te komen, of de treinen staakten, of allebei. Dan ging er een berichtje rond dat een en ander werd uitgesteld. Nu gaat er in zo’n geval een berichtje rond met een Teams-link.

Ik heb het de afgelopen week een paar keer meegemaakt. Het bericht werd zelfs rondgestuurd zonder dat de docent gevraagd werd of het ook kon op Teams. Want dat schijnt vanzelf te spreken. Je voelt als oudere (ouder dan 25) je zelfs enigszins beschroomd om te protesteren. Ben jij nou met dit warme weer om een vrije middag aan het vragen?

Foto: De Wikipedia Denker - gemaakt met ChatGPT

Alle wegen in Wikipedia leiden naar het weten

Ik weet een spel met Wikipedia. Kies een willekeurig artikel, klik op de eerste link in de lopende tekst, vervolgens op de eerste link van de pagina waar je dan belandt, en zo door. Je mag steeds alleen de eerste link gebruiken. Op de Engelse Wikipedia gebeurt er al sinds jaar en dag iets opmerkelijks: bijna elk artikel komt vroeg of laat uit op één en dezelfde pagina — Philosophy. Een Wikipediaan ontdekte het verschijnsel omstreeks 2011. Het gold toen voor meer dan negentig procent van de artikelen bij Philosophy, en in 2016 zelfs voor ongeveer 97 procent.

De verklaring is waarschijnlijk dat de eerste link van een artikel meestal verwijst naar een iets algemener begrip. Het artikel over de hond leidt naar ‘zoogdier’, dat naar ‘dier’, dat naar ‘organisme’, en zo klim je stap voor stap van het concrete naar het abstracte, tot je bij het meest abstracte begrip van allemaal aankomt — en dat is kennelijk de wijsbegeerte. Het spel legt zo een soort verborgen ladder bloot: een rangorde van begrippen die de hele Engelstalige encyclopedie ongemerkt doortrekt.

Maar dat geldt niet voor alle talen. Het Duits, Frans en Russisch lijken weliswaar op het Engels, maar het Italiaans komt vaker uit bij psychologie; sommige Oost-Aziatische edities belanden eerder bij ‘mens’ of ‘aarde’, en het Japans vertoont helemaal geen duidelijke convergentie. Elke taaleditie heeft haar eigen voorkeursbestemming. Ook het Nederlands zou afwijken, aldus het Wikipedia-artikel over het fenomeen. Daar werd ik weethebberig van: waar leidt de Nederlandstalige Wikipedia dan wél naartoe?

Volgende