Marc van Oostendorp

204 Artikelen
48 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Foto: Fresh On The Net (cc)

Een nuttig werkwoord: zeeleeuwen

COLUMN - Nieuw woord geleerd: zeeleeuwen. Althans, in het Nederlands is het nog niet zo gangbaar in de nieuwe betekenis (al kun je het wel vinden) maar in het Engels wordt het in sommige kringen op de sociale media vrijelijk gebruikt: sealioning.

Het is een verschijnsel dat zich geloof ik ook vooral op die sociale media voordoet. Je beweert iets, liefst iets dat betrekkelijk oncontroversieel hoort te zijn, laten we zeggen “Baudet liegt dat hij zijn tweet ter ondersteuning van Trump niet tijdens maar voor de bezetting van het Capitool heeft geplaatst.” Vervolgens komt er een onbekende, liefst anonieme Twitteraar, die heel vriendelijk vraagt of je dat kunt ‘onderbouwen’. Je laat hem een screenshot zien van de tweet, met de datum en tijd.

Eindeloos veel tijd

Dan vraagt die persoon ook weer heel vriendelijk of je kunt aantonen dat die screenshot inderdaad echt is en niet vervalst? Hij of zij suggereert dat ze heel graag nieuwe dingen wil leren, en natuurlijk altijd bereid is zijn of haar mening te wijzigen, maar dan wel op basis van bewijs. Je zegt dat deze of gene de afbeelding heeft geverifieerd. Maar wat zijn dan precies de credentials van deze of gene?

Dat is sealioning. Je vraagt voortdurend op een heel vriendelijke en constructieve manier door naar steeds meer onderbouwing. Maar omdat we leven in een wereld waarin zekerheid alleen te verkrijgen is in de wiskunde, kan dat spel eindeloos doorgaan. Op het moment dat jij afhaakt, kan de zeeleeuw tevreden constateren dat het kennelijk toch allemaal niet zo zeker is. Word je boos, dan ben jij onbeleefd. Ga je wel eindeloos door, dan verlies je ook eindeloos veel tijd.

Foto: Eric Heupel (cc)

Provoceren zonder te brallen

COLUMN - Iedere week sturen neerlandici een boek aan Mark Rutte, met een begeleidende brief die uitlegt waarom hij dat boek moet lezen. Deze week een bijdrage van Marc van Oostendorp die het project eerder in deze brief toelichtte.

Geachte heer Rutte,

Dertig jaar geleden heb ik u nooit ontmoet, maar in onze oren galmt soms vast hetzelfde Leidse studentengebral nog na. Ik vermoed dat u niet hebt meegebrald, of in ieder geval niet zo vaak, u was geen lid van het corps, maar wel van de JOVD, en die twee overlapten elkaar. Ik had was geen van beiden lid, maar verzeilde telkens weer in kringen van corpsleden en JOVD’ers, omdat die indertijd nog gezellig waren.

Wanneer ze een paar biertjes op hadden, begonnen de provocaties.


Wim Kok was een communist. Een Brabantse huisgenoot, die ijverig meedronk, had een zachte g en dat verklaarde waarom hij gezakt was voor een tentamen. De broek die ik aanhad was fout, alles wat ik aanhad was trouwens fout, ik was een foute man, misschien wel een homo. De volgende dag stond zo’n jongen dan bij mij op de stoep omdat hij dichter wilde worden en hij wist dat ik gedichten las – of ik eens wilde kijken of het iets was? Of hij kookte een enorme pan erwtensoep voor het hele huis.

Foto: Eric Heupel (cc)

Zijn neus, gelijk de regenboog, Is bont en krom en zelden droog

RECENSIE - © Walburg Pers Boekomslag Lachen om Levie van Ewoud Sanders

Ah, de negentiende eeuw: tijd waarin we
bij wijze van kinderfeestje nog onbekommerd konden lachen om joodjes met kromme neuzen. Want dat was toen onze cultuur – een cultuur van duizenden jaren. Toen men nog niet zo politiek correct was om zich wat aan te trekken van de medelanders die huiliehuilie deden omdat ze geen gevoel voor humor hadden!

De historicus en journalist Ewoud Sanders is sinds een aantal jaar met een interessant project bezig: de talloze populaire boeken en boekjes op te diepen uit het Nederlandse verleden waarin Joden een rol spelen. Door al die teksten systematisch te beschrijven en vergelijken krijg je een idee van hoe het beeld van dé buitenstaander bij uitstek in de Nederlandse cultuur zich ontwikkelde.

Hij schreef eerder een proefschrift over het zogeheten bekeringsverhalen en heeft op Neerlandistiek een langlopende serie over ‘jeugdverhalen over Joden‘. Deze week verschijnt van hem een nieuw boek, Lachen om Levie, over een klein subgenre in deze populaire literatuur, die van humoristisch bedoelde, in een (namaak-)Joods Nederlands geschreven, verhalen van een Joodse soldaat Levie Zadok in de Krim-oorlog.

Saillant is dat het eerste Zadok-verhaal geschreven is door Jan Schenkman, die óók de eerste auteur was die Sinterklaas een zwarte knecht gaf. Schenkman was een zeer succesvol broodschrijver, die het idee voor zowel de grappige ‘jiddisje’ stijl als voor het verhaal bij elkaar had gejat, maar er zulk groot succes mee boekte dat het genre nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw bleef voortbestaan.

Foto: Eric Heupel (cc)

Het probleem van de moedertaalspreker

De Amsterdamse politicoloog Dawid Walentek deed gisteren op Twitter een schokkende mededeling: Radio 1 had hem willen spreken om zijn deskundigheid, maar hem uiteindelijk afgebeld om zijn accent. Dat zou “te veel afleiden van de inhoud”.

Schokkend, maar niet nieuw. De Nederlandse publieke omroep straalt sowieso een groot verlangen uit naar uniformiteit. Iedereen moet liefst klinken alsof hij of zij 43 is, en geboren in Amersfoort. De rest leidt maar af van “de inhoud”.

Het blijft ook niet beperkt tot de radio. Nederlanders beschouwen het Nederlands als hun eigendom, als iets waar anderen vanaf moeten blijven. Met die anderen praten wij wel Engels, laten ze met hun tengels van ons idioom afblijven.

Stomverbaasd

De Britse neerlandicus Christopher Joby geeft er saillante voorbeelden van in een artikel dat onlangs verscheen in Internationale Neerlandistiek. Joby is een van de beste sprekers van het Nederlands die ik ken, iemand die de taal door en door kent, van binnen en van buiten – zowel het hedendaagse Nederlands als het zeventiende eeuws. Het zou me niet verbazen als hij moeiteloos met Constantijn Huygens zou kunnen converseren zonder dat die merkte dat er iets vreemds aan de hand was.

Foto: Eric Heupel (cc)

Terug naar de grottekening

Thomas Mann - De Toverberg

Je mag van mij van alles en nog wat ter discussie stellen, maar niet de waarde van het lezen. Wie zegt dat ‘de jeugd nu eenmaal is opgegroeid met het internet’ en dat het dus heel begrijpelijk is dat ‘ze’ niet meer lezen, of dat ‘we er maar aan moeten wennen dat hetgeen wij als belangrijk beschouwen’ tegenwoordig ‘nu eenmaal niet meer zo belangrijk is’, of dat ‘we duizenden jaren geleden ook niet met boeken met elkaar communiceerden, maar met grottekeningen’, zo iemand drijft me tot razernij.

De barbaren!

Ik was onlangs op een Teams-bijeenkomst over de toekomst van het lezen waar sommigen onbekommerd zulke dingen beweerden. Of hardop vroegen wat nu het unique selling point was van het boek, waarom het allemaal niet ook in YouTube-filmpjes kon. Veel handleidingen konden toch ook tegenwoordig de prullenbak in omdat video’s het allemaal zo veel helderder uitlegden? Als kinderen nu niet wilden lezen waarom moesten we ze dat dan opdringen, was dat niet vreselijk elitair van ons?

Het is niet waar. Het is zo evident niet waar dat ik niet eens wist hoe te reageren.

Het probleem was, geloof ik, dat deze mensen twee soorten lezen erkenden: het lezen van technische informatie, en het lezen ‘voor de lol’. Die technische informatie kan dus misschien soms – als het eenvoudige, korte informatie is – ook op een andere manier worden overgedragen dan in geschrifte. Voor de lol hebben we tegenwoordig naast De Zauberberg ook Netflix, dat is zo ongeveer de redenering.

Foto: Steve Jurvetson (cc)

Geletterd programmeren

COLUMN - Tijd voor een Gerrit Krol-Academie!

Een van de vaardigheden die we momenteel waarschijnlijk nog te weinig benutten bij taalstudenten: in een recent onderzoek blijken ze betere programmeurs. Het is een beetje vroeg om heel stellige conclusies te trekken – het is een best klein onderzoek en de effecten zijn nu ook weer niet zo groot – maar het lijkt erop dat mensen die goed zijn in het leren van (natuurlijke) talen, ook goed zijn in het leren om zich uit te drukken in een programmeertaal.

Goed kunnen rekenen bleek veel minder belangrijk. Er is trouwens ook wel (veel) ouder onderzoek dat hetzelfde laat zien.

Het is vermoedelijk een beroepsperspectief dat we onze studenten nu te veel onthouden. Ik weet eigenlijk niet of er programma’s Nederlands zijn die hun studenten de mogelijkheid geven te leren programmeren.

Technologisch doel

Programmeren is, volgens mij, ook en vooral een genoegen, en wel op ongeveer de manier waarop een heleboel schrijven leuk is: een manier van ideeën heel precies uitdrukken én een manier om met woorden de wereld letterlijk een beetje te veranderen.

Ik weet wel dat er de afgelopen decennia allerlei opleidingen zijn geweest die taalwetenschap en informatica met elkaar combineerden – ik heb zelf zo’n opleiding gedaan, in Tilburg. Voor een deel bestaat het ook nog wel – vaak in de vorm van kunstmatige intelligentie geloof ik, al heb ik er niet veel zicht op. Dat zijn heel goede opleidingen, ik heb nooit spijt gehad van de mijne, maar ze is natuurlijk per definitie gericht op een technologisch doel – het bouwen van een apparaat dat met taal kan omgaan.

Foto: Yuri Samoilov (cc)

Hoe kom ik de dag door?

COLUMN - Cover 3R-s Groene en Witte Kruisschriftjes via Canon Zorg voor de Jeugd NederlandEen van de goede dingen van crises als deze is dat je merkt wie je werkgever is. Ik heb er twee en ze blinken allebei uit in menselijkheid. (‘Ja, jongen, dat moet ook wel, als ze jou in dienst houden.’) Uit bepaalde hoeken van de academische wereld klinken allerlei gruwelverhalen, maar zowel op het Meertens Instituut als aan de Radboud Universiteit pikt iedereen het allemaal heel menselijk op.

Ik heb mijn bazen op beide plaatsen beter leren kennen, en dat waren aangename lessen.

Nu is een kernaspect van het bestaan natuurlijk dat mensen zo verschillend kunnen reageren op zelfs alledaagse gebeurtenissen – en dus al helemaal op zoiets onverwachts als een quarantaine.

Vorige week publiceerde Daniël Wigboldus, de voorzitter van het Nijmeegse College van Bestuur, bijvoorbeeld een column waarin hij beschrijft hoe hij de afgelopen weken ontdekte hoe belangrijk ‘rust, reinheid en regelmaat’ voor hem zijn: hoe hij een heel strak schema heeft, Ook schrijft hij:

Tip: blijf een helder onderscheid maken tussen werken en vrije tijd. Met al dat thuiswerken wordt het wel heel makkelijk om continu met werk bezig te zijn.

Dat lijkt wel een aardige tip, maar in ieder geval kan ik er in mijn huidige leven niets mee. Dat komt doordat er, behalve een vrouw die óók vanuit huis college geeft, een zesjarige in mijn huis rondloopt.

Loveboat naar ons Indië

RECENSIE - In de roman De passagiers van ‘De Rembrandt’ (1919) van Thérèse Hoven (1860-1941) is een verpleegster openlijk uit op een one-nightstand. Ze manipuleert een knappe officier naar een afgezonderde ruimte, maar als blijkt dat hij verliefd is op een ander wordt ze kwaad:

En ’t pleegzustertje is woedend en uit eenige invectieven, niet bepaald complimenteus voor haar onwilligen cavalier, maar evenmin getuigende van een goede opvoeding of een liefderijk gemoed. […] ‘Hè, wat een mispunt! Zoo’n ongelikte beer! Ik had juist zoo’n dollen zin in een beetje pret. ’t Is een miserabele reis. Hè, toen wij uitgingen, die Deli-planter! Ik wou, dat ik er weer zoo een ontmoette.

Uit de archieven diepte de leraar Nederlands Coen van ’t Veer tientallen romans op zoals De passagiers van ‘De Rembrandt: boeken waarin de boottocht tussen Nederland en Nederlands Indië een belangrijke rol speelde en die verschenen tussen 1850 (ongeveer het moment waarop die reis een intree doet in de Nederlandse letterkunde) en 1940 (rampspoed geboren).

Het resultaat van dat onderzoek is een boeiend proefschrift, De kolonie op drift, dat door uitgeverij Verloren voorbeeldig is vormgegeven: een boek dat laat zien hoe Nederland zijn koloniale samenleving verbeeldde in de vorm van romans over de kleine koloniale kosmos die zo’n schip was.

Foto: cc commons.wikimedia.com CassetteTypes1

Een zwarte bladzijde in de forensische neerlandistiek

COLUMN - Het nieuwe boek Vrienden van Tim Krabbé gaat over zijn relatie met Ferdi E., de moordenaar van Gerrit-Jan Heijn, maar omdat het boek 800 pagina’s telt gaat het ook heel even over neerlandici:

En natuurlijk moet ik denken aan die daderanalyse, gemaakt door echte wetenschappers (psychiaters, psychologen, neerlandici) die op een bende van vier of vijf wees (ze hadden het immers over ‘wij’ in die brieven) waarbij, ‘gezien het veelvuldig gebruik van verkleinwoordjes’, ook een vrouw moet zijn.

Het is inderdaad allemaal genant, wat onze collega’s dertig jaar geleden te berde brachten.

Nog even los van de vraag of je uit het ‘veelvuldig gebruik van verkleinwoordjes’ inderdaad kunt afleiden dat er een vrouw aan het woord is, laat Krabbé zien dat er in alle door de ‘neerlandici’ geanalyseerde brieven maar één echt verkleinwoord voorkwam: groepje. De andere verkleinwoorden zijn eigenlijk niet te voorkomen: zo kun je nu eenmaal alleen tussen haakjes zeggen, of cassettebandjes. En dat natuurlijk los van de vraag of het wel klopt, dat verkleinwoordjes vooral door vrouwen worden gebruikt.

Indonesisch

Alle geleerdheid leidde dus tot de conclusie dat het om een groep mensen moest gaan, omdat er in de brieven immers sprake was van wij, of dat de tekst vermoedelijk geschreven was door iemand met een mavo-opleiding die probeerde de taal van hoger opgeleiden te imiteren, omdat er dingen in stonden als ‘datum poststempel’. (Ferdi E. was vliegtuigbouwkundig ingenieur.)

Foto: Eric Heupel (cc)

Bepaalt je taal je emotie?

© Credit T.H. Henry, Max Planck Institute for the Science of Human History,. Comparison of universal colexification networks of emotion concepts with Austronesian and Indo-European language families
Comparison of universal colexification networks of emotion concepts with Austronesian and Indo-European language families

COLUMN - Waarover hebben we het als we het over emoties hebben? Dat valt nauwelijks te zeggen. Wie als kind leert wat een poes is, kan door een volwassene in de buurt tenminste nog worden gewezen op een aantal geslaagde voorbeelden van poezen. Maar je kent als mens alleen je eigen gevoelens: hoe weet je dan dat het liefde is dat je voelt, of woede, of eenzaamheid?

Berouw

Het lijkt alleen al om die reden bijzonder ingewikkeld om in te zien of sprekers van verschillende talen ook verschillende gevoelens hebben: of de manier waarop je je emoties uitdrukt ook implicaties heeft voor die emoties zelf. Toch wordt het een beetje gesuggereerd in sommige presentaties van een recent in Science gepubliceerd onderzoek naar termen voor 24 emoties in bijna 2500 talen uit 20 taalfamilies.

In dat onderzoek werd vergeleken wat voor termen precies samenvallen in een bepaalde taal: colexificatie wordt dat genoemd.

In het Klassieke Grieks zijn er bijvoorbeeld verschillende woorden voor geestelijke en lichamelijke liefde: agapè en eroos. In het Nederlands vallen die twee termen samen in liefde. Op dezelfde manier heeft het Perzisch maar één woord voor zowel rouw als berouw, terwijl in Dargwa (gesproken in Daghestan) rouw en angst hetzelfde woord betekenen.

Foto: Mike Licht (cc)

Taal krijgt zijn autoriteit van buiten

COLUMN - Het komt slechts zijdelings aan de orde in het artikel dat de Australische taalkundige Ingrid Piller schreef voor het Journal of Sociolinguistics: het failliet van de gedachte dat je met taal je autoriteit kunt opbouwen. Het is een oud idee, dat ten grondslag ligt aan de klassieke retorica én aan veel latere analyses. Maar het stort volledig in elkaar wanneer we het succes bezien van de Amerikaanse president Donald J. Trump.

Er zijn wel mensen die proberen allerlei standaard retorische technieken toe te passen op zijn taalgebruik om daar dan zijn overtuigingskracht op zijn publiek mee te verklaren, maar mij heeft dat nooit overtuigd.

Vlak na zijn verkiezing schreef ik dat al over de framing-theorie: die zegt dat mensen de waarheid in een bepaald licht plaatsen wanneer ze iets zeggen.

Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat VVD-politicus Klaas Dijkhoff door gebruik te maken van de wachtgeldregeling een grote graai doet uit de staatsruif of dat hij gebruik maakt van uitgesteld salaris. Dat zijn allebei feitelijk correcte beschrijvingen, maar ze hebben verschillende implicaties.

Maar bij Trump gaat dat allemaal niet op, want in zijn communicatie lijkt de eeuwige zoektocht naar de waarheid verlaten. Als hij Dijkhoff was zou hij bijvoorbeeld eerst zeggen dat hij inderdaad dat geld ontving, en het de volgende dag ontkennen, vervolgens roepen dat Lodewijk Asscher schandalig veel wachtgeld ontvangt, en dan weer dat Asscher een loser is omdat hij het wachtgeld niet durft aan te nemen. En dit alles zonder zelfs maar de suggestie te wekken dat je zelf weet dat dit alles niet tegelijkertijd waar kan zijn.

Foto: TaylorHerring (cc)

Hoe publieker hoe EMOTIONEEELERRR!!! :-D

COLUMN - De eigenaardigheden van de taal die vooral jongeren gebruiken op onder andere de sociale media is inmiddels vrij uitvoerig in kaart gebracht. Ze verkorten woorden en zinnen. Ze gebruiken meer informele taal dan in andere geschreven genres. En ze gebruiken allerlei expressieve middelen die je buiten het beeldscherm niet vindt: verdubbelde letters, en hoofdletters, en emoji, bijvoorbeeld:

  • Dit vind ik echt SUUUUPERRR!!!!! ?

Een recent onderzoek van Lisa Hilte, Reinhild Vandekerckhove en Walter Daelemans werpt nieuw licht op de zaak. De drie wonnen onlangs de Academische Jaarprijs 2019 voor het beste taalkundige artikel.

Hartjes

Ze kijken in hun artikel specifiek naar die extra expressieve middelen die hierboven zijn geïllustreerd, door automatisch te zoeken in een betrekkelijk groot aantal bronnen – niet alleen van de sociale media zoals tweets, maar ook privé-gedeelde chatberichten.

Sommige van hun resultaten zijn niet zo verrassend. Zo gebruiken jongeren deze middelen vaker dan oudere mensen en meisjes meer dan jongeren. Vooral hartjes worden vooral door jonge meisjes gebruikt om hun berichten op te fleuren.

Dat is allemaal heel degelijk gedaan, maar erg verrassend is het niet. Ik vermoed dat de jury van de Academische Jaarprijs is gevallen voor een ander aspect: dat de onderzoekers ook verschillende digitale genres hebben vergeleken. Tot nu toe worden die meestal op een hoop gegooid, maar de onderzoekers laten zien dat ze juist een groot verschil maken – groter dan leeftijd en sekse: in publieke berichten komen ze veel meer voor dan in privé-berichten.

Vorige Volgende