Kyra

63 Artikelen
5 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: Eric Heupel (cc)

Hemel die nergens ophoudt

‘Ze verdeelt de grote mensen in degenen die verhalen vertellen en degenen die alleen maar vervelend zijn. De meesten zijn alleen maar vervelend. Terwijl de grote mensen toch uitsluitend op de wereld zouden moeten zijn om haar, Meta, te amuseren’. 

Meta heet eigenlijk Marlen. De schrijfster vereenzelvigde zich als kind zo met de hoofdpersoon uit het sprookje van de kleine Meta, die zich in haar vinger prikt en de zwarte put in moet, dat ze zichzelf in de autobiografie van haar jeugd Meta is gaan noemen. Het boek is geschreven in de derde persoon en beschrijft hoe Meta de wereld waarneemt en tegemoet treedt, en hoe die wereld op haar reageert. Er is geen hoofdstukindeling, de verhalen en impressies lijken aan elkaar geregen. Soms is de taal kinderlijk, korte zinnen, te simpel, dat stoort een beetje, want je weet dat deze roman door een volwassen alwetende persoon geschreven is. Naarmate je verder in het boek komt wordt de taal complexer en meer literair, dan beginnen de verhalen te boeien.

Hemel die nergens ophoudt gaat over een meisje, die met haar ouders en een broertje opgroeit in de bergen van Oostenrijk. Haar vader is een boswachter, die het liefst verhalen vertelt. Haar moeder is een ijverige huisvrouw die voortdurend met het bakken van taarten en het verwerken van het geschoten wild bezig is. Iedere jaar komen er zomergasten naar het grote boswachtershuis, ze vertellen Meta verhaaltjes of ze zitten te mekkeren.

Schrijven in de luwte

Literatuur en publiciteit, hoe verhouden zich deze twee fenomenen zich tot elkaar? Kun je een goede dichter zijn terwijl je voortdurend in de spotlights staat? Laat je de bron waaruit je put dan niet te veel vervuilen? Of loop je zelfs het risico dat de bron raakt opgedroogd? Sinds het lezen van de biografie van M. Vasalis, geschreven door Maaike Meijer, houden deze vragen me bezig.

M. Vasalis (1909-1998) was in de vorige eeuw misschien wel de meest aansprekende dichteres van ons land. Bekend is bijvoorbeeld haar gedicht over de Afsluitdijk. Er verschenen van haar drie dichtbundels: Parken en woestijnen (1940), De vogel Phoenix (1947) en Vergezichten en gezichten (1954).  In de jaren zestig constateerde ze dat haar inspiratie niet groot genoeg meer was om tot goede gedichten te komen en verklaarde ze M. Vasalis dood. Ondanks de stilte verdween de belangstelling voor haar poëzie niet. Haar werk werd bekroond met de Constantijn Huygensprijs (1974) en P.C. Hooftprijs (1982). Na haar dood verscheen er postuum een vierde bundel: De oude kustlijn (2002).

De vrouw achter Vasalis was Margaretha Drooglever Fortuyn – Leenmans. De dichteres was wel aanwezig bij de prijsuitreikingen, maar verder wilde ze beslist geen aandacht voor haar persoon, niet alleen omdat ze lang heeft geaarzeld heeft tussen een loopbaan als psychiater of als schrijfster, maar vooral omdat ze van mening was dat haar gedichten voortkwamen uit haar persoonlijke leven. Dat privéleven was de belangrijkste bron voor haar poëzie. Ze wilde niet afgeleid worden door de media. Als die eenmaal beslag op je legt, dan ben je niet meer van jezelf. En daarboven: een gedicht overkomt je, daar hoef je verder geen verantwoording over af te leggen. Wie haar wilde leren kennen, die moest haar werk maar lezen. Vasalis is slechts één keer geïnterviewd, door P.H. de Ritter jr. Hij verschafte zich toegang tot haar door zich voor te doen als patiënt. Frits Abrahams heeft aan dit voorval nog eens een mooie column aan gewijd. Overigens bezocht Vasalis wel meerdere keren het Boekenbal, onder andere in 1956.

Loten voor een mooie toekomst

Afgelopen zondag hoorde ik dat een Turkse afvaardiging mag meevaren in de botenparade van de Gay Pride: de groep is ingeloot. Ik schoot in de lach, niet om het idee van Turkse homo’s en lesbiennes in een grote schuit, echt niet. Ik moest lachen, omdat er eindelijk weer eens iets vrolijks voorbij kwam waarvoor geloot moest worden. Loten voor de Canal Parade staat in schril contrast met de lotingen voor het voortgezet onderwijs die in nu volle gang zijn. Kinderen die zich aangemeld hebben voor een populaire school moeten er rekening mee houden dat ze kunnen worden uitgeloot. Als ze in de eerste lotingronde buiten de boot vallen, dan weten ze vrijwel zeker dat er op de school van hun tweede of derde keuze geen plek meer zal zijn. Ze zullen naar een school moeten waar ze nooit naar toe hebben gewild.

Loten voor een plekje op de middelbare school wordt steeds gewoner. Het is allang geen exclusieve aangelegenheid meer voor toekomstige gymnasiasten in Amsterdam. Dit jaar wordt er bijvoorbeeld geloot in Almere, Amstelveen, Den Haag, Groningen en Utrecht. Om even in de hoofdstad te blijven: daar is nu vooral een tekort aan havoplaatsen in het westen van de stad. Misschien komt daar een nieuwe havoschool, maar dat is nog lang niet zeker.

Foto: Eric Heupel (cc)

Liever Holland dan heimwee

Vorig jaar was hij nog de ster van het Boekenbal, dit jaar verscheen postuum zijn essaybundel tijdens de Boekenweek. Hans Keilson, die vorig jaar op honderdeneenjarige jarige leeftijd overleed, schreef niet alleen romans en gedichten, hij schreef ook non-fictie. Samen met vertaler Piet de Moor maakte hij voor Uitgeverij Van Gennep een selectie uit zijn essays, boekbesprekingen, voordrachten en vakpublicaties.

Hans Keilson schreef in het Duits een klein, maar briljant oeuvre, dat vorig jaar door Van Gennep in Nederlandse vertaling werd uitgegeven. De auteur van Joodse afkomst vluchtte na zijn debuut in 1933 naar Nederland, zijn eerste boek werd door de nazi’s verboden. Na de oorlog bleef hij in Nederland wonen, hij werd psychiater en hield zich bezig met de begeleiding van getraumatiseerde Joodse kinderen.

Keilson was van mening dat fictie en non-fictie niet zonder elkaar kunnen en die opstelling wordt duidelijk bij het lezen van de essays. In de teksten wordt regelmatig teruggegrepen op gebeurtenissen die ook al eens in zijn romans zijn verwerkt. Doordat de essays in sommige gevallen bewerkingen zijn van toespraken of artikelen, die eveneens in de bundel zijn opgenomen, stuit je soms meerdere keren hetzelfde verhaal, maar storend of vervelend is dat niet. Het accent ligt iedere keer net iets anders en het geeft ook een inkijkje in het ontwikkelingsproces van de auteur. Door de herhalingen ga je je steeds meer thuisvoelen in het boek, sommige essays zijn behoorlijk complex, vooral de teksten hij voor zijn vakgenoten heeft opgesteld. In die gevallen is het prettig dat je al bekend bent met de kern van het verhaal, daardoor kun je als leek het vakjargon wel aan.

Welk boek moet op het witte doek? De uitslag!

Vandaag is de laatste dag van de Boekenweek, een mooie gelegenheid om de uitslag van de poll ‘Welk boek moet verfilmd worden?’ bekend te maken. Het is lastig om een duidelijke winnaar aan te wijzen, er zijn niet heel veel stemmen uitgebracht in de laatste stemronde. Ik heb twee rekenmethoden in toegepast: het tellen van het aantal stemmen per boek en een gewogen meting. In dat laatste geval heeft de stemmer zes punten te verdelen. Als een reaguurder slechts één boek noemt, dan levert dat zes punten op voor de betreffende roman. Als er twee boeken worden genoemd, dan drie punten per boek, en bij drie boeken worden het twee punten per boek. En dan nu de uitslag:

1. Ik stel voor om Het leven gaat verder (1933) van Hans Keilson en De wandelaar (2007) van Adriaan van Dis uit te roepen tot de grote winnaars.

2. De tweede plaats wordt gedeeld door Adriaan en Olivier (1939) van Leonard Huizinga en Ik, Jan Cremer (1964) van Jan Cremer.

 3. Op de gedeelde derde plaats staan Dubbelspel (1973) van Frank Martinus Arion en Het grijze kind (1927) van Theo Thijssen.

 

Toelichting:

Het leven gaat verder van Hans Keilson werd het vaakst genoemd (5x), maar in bijna alle gevallen gaf de reaguurder ook een tweede voorkeur aan. De wandelaar van Adriaan van Dis werd drie keer genoemd, slechts één keer werd bij dit boek een tweede keuze aangegeven.

Welk boek moet op het doek? Stem…nu!

In verband met de boekenweek vroeg ik vorige week: Welke roman zou jij graag verfilmd zien? Omdat de vraag was ingegeven door een discussiemiddag tijdens het Nederlands Film Festival ging het mij vooral om romans binnen ons eigen taalgebied. In totaal werden er 47 boeken genomineerd. Vandaag kom ik met een selectie uit de nominaties. Je kunt nu stemmen!

Ik heb alleen romans en novellen geselecteerd die niet nog niet verfilmd zijn. Kinderboeken en strips heb ik niet opgenomen. Bij de selectie heb ik een uitzondering gemaakt voor ‘Het leven gaat verder’ van Hans Keilson. Dit boek is in het Duits geschreven, de auteur vluchtte na de publicatie naar Nederland, zijn boek werd verboden in Duitsland.

Er kan tot donderdag gestemd worden. Hopelijk kunnen we aan het einde van boekenweek een winnend boek aanwijzen. Iedere reaguurder mag maximaal 3 boeken kiezen uit de onderstaande lijst. Het volstaat om de hoofdletters voorafgaand aan de titels te vermelden.

A)  Westerlingen (Arjaan van Nimwegen, 2011)

B)  De Nederlandse maagd (Marente de Moor, 2010)

C)  De wandelaar (Adriaan van Dis, 2007)

D)  De literaire kring (Marjolijn Februari, 2007)

E)  De val (August Willemsen, 1991)

F)  Een weekend in Oostende (Willem Brakmam, 1982)

Herhaling: Welk boek moet verfilmd worden?

Er zijn al tientallen nominaties binnen. Als je graag een boek van een vrouwelijke auteur verfilmd zou willen zien: laat het weten! Zelf nomineer ik ‘Het geheim van Appeltern’ van Hella Haase.

Je hebt nog twee dagen de kans om je voorkeur kenbaar te maken.

Een half jaar geleden waren we op zoek naar de beste boekverfilming. Ik kwam tot die poll door een discussiemiddag die door De Bezige Bij en het filmfestival was georganiseerd onder de titel Het boek is beter!? Jammer genoeg werden er in deze poll nauwelijks films genoemd die gebaseerd zijn op Nederlandstalige romans. Uitzonderingen waren ‘De helaasheid der dingen’ (Dimitri Verhulst), ‘Van de koele meren des doods’ (Frederik van Eeden), ‘Karakter’ (Bordewijk) en ‘De Tweeling’ (Tessa de Loo).

De discussiemiddag over boekverfilmingen werd door Felix Rottenberg afgesloten met de vraag: Welk boek zou met urgentie verfilmd moeten worden? Het panel kwam met titels zoals ‘Knielen op een bed violen’ (Jan Siebelink) en ‘Bonita Avenue’ (Peter Buwalda), dat was geen toeval: voor deze boeken bestonden toen al filmplannen. Er was te weinig tijd om de laatste vraag van Rottenberg uitgebreid te behandelen en daarom grijp ik vandaag de kans:

Welke roman zou jij graag verfilmd zien?

Foto: Eric Heupel (cc)

Passend Onderwijs

Sinds ik weet dat leerkrachten gaan staken denk ik voortdurend aan Mona, een meisje dat enkele jaren geleden de kleuterklas van onze buurtschool bezocht. Ze had de gewoonte om haar klasgenootjes te slaan, vaak zonder duidelijk aanleiding. Aanvankelijk hoopte de leerkracht nog dat het gedrag te corrigeren zou zijn, maar toen Mona tijdens het knutselen een ander jongetje begon te bijten escaleerde het in de klas. Haar klasgenootjes werden bang, ze begonnen haar te mijden. Ouders vroegen zich af of het meisje eigenlijk wel op de buurtschool thuishoorde. Het antwoord van de schoolleiding was resoluut: iedereen moest aan deze situatie wennen. Het was de toekomst: kinderen met een leer- of gedragsproblemen op een gewone basisschool.

De leerkracht hield het niet vol, hij had het gevoel dat hij de veiligheid van de andere kinderen in de klas niet langer kon garanderen. Hij knapte af nadat de ouders van Mona de schuld bij hem zochten: het gedrag van hun kind zou te wijten zijn aan het strenge optreden van de onderwijzer. De leerkracht voelde zich niet voldoende gesteund door de directie en daarom koos er hij na enkele maanden ziekteverlof voor om vroegtijdig met pensioen te gaan, dit na vijfendertig jaar ervaring. Hij was één van de beste leerkrachten van de stad. Bijna iedereen wist dat het gedrag van Mona niet aan de meester kon liggen, maar wat doe je er aan.

Weense meisjes en likeurbonbons: over de Alkmaarse chocoladefabriek Ringers (1905-1970)

De beste chocolade van Nederland, dat wilde de jonge banketbakker Hendrik Ringers gaan maken en daarom reisde hij in 1901 naar Zwitserland om bij het beroemde chocoladehuis Cailler in de leer te gaan. Via Parijs kwam hij vier jaar later terug naar Nederland en begon hij een chocoladefabriek in Alkmaar. De bonbons die Hendrik Ringers maakte smaakten verrukkelijk, al lukte het hem niet direct om het bedrijf winstgevend te krijgen. Daar kwam verandering in toen zijn broer Theo in de zaak kwam werken en het cijfermatige werk overnam; vanaf dat moment ging de handel voor de wind. In de jaren twintig werd er een nieuwe fabriek neergezet, de Historische Vereniging Almaar vecht nu voor behoud van het gebouw. De fabriek van Ringers groeide snel, er kwam een tweede vestiging in Rotterdam, maar na de Tweede Wereldoorlog werd besloten om het productieproces in Alkmaar te concentreren.

De chocolade van Ringers werd wereldberoemd. Vooral de kersenbonbons en de likeurbonbons, maar ook hun sinaasappel-chococolades, zoals Orlacta en de Sina-schilletjes moeten heerlijk zijn geweest. In 1928 werd de Amsterdamse chocoladefabriek De Bont & Leijten uit Amsterdam overgenomen, vanaf dat moment kreeg Ringers ook koosjere chocolade in zijn assortiment. Een ander bekend product was de chocolade voor diabetici. De producten van Ringers waren duurder dan de chocolade van andere merken, daarom moesten de vertegenwoordigers van de fabriek veel kennis hebben over het productieproces.

De boeken van Anil Ramdas

Toen ik halverwege de jaren negentig naar Curaçao emigreerde zocht ik naar boeken die mij zouden kunnen helpen om mijn nieuwe woonomgeving beter te begrijpen. Ik las de romans van Boeli van Leeuwen, de verhalen van Cola Debrot, maar vooral de boeken van Anil Ramdas; hij werd mijn gids in de nieuwe wereld.

Ik begon met De strijd van de dansers, uitgegeven als Rainbow Pocket in 1994. Volgens mij is dit het beste non-fictie boek over de sociaaleconomische verhoudingen op Curaҫao dat ooit is verschenen. Op basis van zeven diepte-interviews schilderde Anil Ramdas een samenleving die mij volkomen onbekend was. Hij liet mij kennismaken met enkele Antillianen die ik nooit ben vergeten, zoals de bejaarde ShonLeo, een echte Latijns-Amerikaanse man, die met zijn auto talloze vrouwen versierde en daarbij zesendertig kinderen verwekte. En Agnes en Maira, die als arbeidsters bij Texas Instruments werkten en vertellen hoe het er in de fabriek aan toe ging. Met veel inlevingsvermogen beschreef Anil Ramdas de strijd die de bewoners van Curaçao iedere dag moeten voeren om te overleven, hoe vrouwen zich handhaven in de machocultuur en hoe mannen zich op de arbeidsmarkt staande proberen te houden: ‘Wie hier door één baas is ontslagen, is door het hele eiland ontslagen. Het gaat niet om je kennis maar om je kennissen en als je die niet hebt word je niet eens chauffeur bij Pepsi Cola…’

‘Ha snoezepoes!’

Vorige week kreeg ik een aardig mailtje van de medewerkers van het instituut waar ik ooit een cursus Spaans volgde. Ze wensten mij Feliz Dia de San Valentin. Als service voegden ze er nog wat vocabulaire aan toe voor deze belangrijke dag: los enamorados (verliefden), la cita a ciegas (blind date) en niet te vergeten het belangrijke werkwoord besarse (elkaar zoenen).

Nu weet ik wel dat San Valentin in Spanje veel belangrijker dan Sint Valentijn in ons eigen land. Hier heeft Valentijn eigenlijk nooit echt voet aan de grond gekregen. Vanaf de jaren vijftig zijn er wel pogingen gedaan om de Nederlanders en masse in Valentijn te laten geloven, maar deze operatie kunnen we als mislukt beschouwen. Nu is Valentijnsdag alleen nog een feestje is voor de shopaholics. Zij hebben twee maanden na Kerst eindelijk weer eens een argument om de portemonnee te trekken. Een anonieme kaart sturen op deze belangrijke dag? Iedereen wil tegenwoordig gezien worden, dus wat heb je er aan als je geen respons krijgt. Dat Valentijnsdag in de Nederlandse cultuur niet is geworteld, dat is het beste af te lezen aan de hoeveelheid romans rond dit onderwerp: nul. Ik ken binnen de onze letteren geen enkel verhaal dat naar een ontknoping op Valentijnsdag toewerkt.

Heksenjacht door de Kleine IJstijd

Soms hoor je in het museum tijdens de audiotour interessante wetenswaardigheden die je later in de tentoonstellingscatalogus niet terug kunt vinden. Dat overkwam mij tijdens een bezoek aan de Hermitage aan de Amstel voor de tentoonstelling Rubens, Van Dyck en Jordaens. In deze tentoonstelling is ook een schilderij opgenomen van de Antwerpse schilder Frans Francken II. Het heet De Heksenkeuken, een olieverf op paneel uit 1606.

Via de koptelefoon hoorde ik dat er aan het einde van de zestiende eeuw een toenemende belangstelling voor heksenafbeeldingen was ontstaan. Dat zou te maken hebben met de Kleine IJstijd die West-Europa sinds 1550 teisterde. De heksen kregen de schuld van de niet te verklaren koudegolf. Ik wilde graag meer weten over dit onderwerp en daarom kocht ik de catalogus van de tentoonstelling. Helaas is er in de beschrijving van ‘De Heksenkeuken’ niets te lezen over de Kleine IJstijd.

In de catalogus staat wel vermeld: “In 1606 kondigde een edict van aartshertog Albrecht en infante Isabella strenge vervolging van heksen aan, en in de beide werken van Francken uit datzelfde jaar met de hekserij als onderwerp vormden een directe artistieke reactie op deze wet”. Verder bevat de toelichting vooral informatie over hetgeen we op het schilderij kunnen zien. Er staan heksen afgebeeld die zich opmaken voor de heksensabbat. De oude vrouw met het opengeslagen boek in de handen roept de demonen op. Rechts van het schilderij staat een naakte vrouw die ingesmeerd wordt met een magisch mengsel, zodat ze kan vliegen. Aan de linkerkant van het schilderij zijn nog net twee heksen te zien die via de schoorsteen naar buiten vliegen. Aan de plank rechtsboven is een vel papier geprikt met enkele leesbare woorden, waarschijnlijk staat hierop het recept voor de toverzalf.

Vorige Volgende