Er bestaat het idee in het strafrecht dat sommige daders minder straf verdienen dan andere omdat ze “te veel te verliezen hebben”. Een baan, een opleiding, een netwerk, een toekomst die nog openligt. Het klinkt redelijk. Tot je het consequent toepast.
Neem de recente uitspraak, in België: een 26-jarige student, in de rol van schachtentemmer (een oudere student met gezagspositie over eerstejaars tijdens ontgroening), werd schuldig bevonden aan verkrachting, maar kreeg een opschorting. Geen effectieve straf, wel voorwaarden en toezicht. De rechtbank woog onder meer een blanco strafblad en persoonlijke omstandigheden mee. De toekomst van de dader werd onderdeel van de strafmaat.
Daar schuift iets fundamenteels. Straf hoort te volgen uit ernst, schuld en schade. Zodra persoonlijke omstandigheden structureel strafverminderend werken, verschuift het criterium van daad naar dader. Dan ontstaat een systeem waarin twee identieke feiten verschillende uitkomsten krijgen omdat de ene dader een toekomst heeft en de ander vooral een verleden.
Het recidive-argument wordt vaak ingezet als rechtvaardiging, ook in Nederland. Wie een stabiel leven heeft, zou minder snel opnieuw de fout ingaan. Alleen wringt daar iets. Diezelfde stabiliteit geldt normaal gesproken als rem op criminaliteit. Als iemand ondanks die omstandigheden tóch over de grens gaat, zegt dat iets over de werking van die rem. De vraag verschuift dan: waarom gebeurde dit ondanks alles wat het had moeten voorkomen?
Sterker nog, je kunt de redenering omdraaien. Als beschermende factoren aanwezig zijn en toch geen effect hebben gehad, ligt het voor de hand om dat zwaarder te wegen in plaats van lichter. Iemand die over de middelen, structuur en sociale inbedding beschikt om andere keuzes te maken, en desondanks een ernstig delict pleegt, toont daarmee dat die factoren kennelijk geen corrigerende werking hadden. Dat roept de vraag op of zo’n dader niet juist minder voorspelbaar en daarmee potentieel risicovoller is dan iemand bij wie die remmende factoren überhaupt ontbraken.
In dat licht wordt de huidige praktijk moeilijk te verdedigen. De aanwezigheid van stabiliteit wordt gezien als reden voor mildheid, terwijl dezelfde stabiliteit, wanneer zij faalt, net zo goed kan worden gelezen als aanwijzing dat de drempel om de fout in te gaan lager lag dan verondersteld.
De zaak maakt die spanning zichtbaar. De schuld staat vast, de ernst van het delict ook, en toch verschuift de focus naar de toekomst van de dader. Zijn perspectief wordt beschermd tegen de consequenties van zijn handelen.
Daarmee ontstaat een impliciete hiërarchie. Wie beschikt over sociaal kapitaal, perspectief en structuur, kan zich beroepen op verzachtende omstandigheden. Wie dat niet heeft, staat met lege handen. Kwetsbaarheid wordt zo indirect bestraft, stabiliteit beloond.
Het gevolg is een systeem waarin “iets te verliezen hebben” een juridisch voordeel wordt. Dat schuurt met het gelijkheidsbeginsel. Niet de daad staat centraal, maar de positie van degene die hem pleegt. De logica draait daarmee om. Beschermende factoren horen criminaliteit te voorkomen. Als ze falen, ligt een kritische weging voor de hand. In plaats daarvan worden ze ingezet als argument voor mildheid.
En zo ontstaat selectieve coulance. Niet omdat de daad minder ernstig is, maar omdat de dader beter past binnen het beeld van iemand met een toekomst. Als dat de richting is, ligt een consequentere conclusie voor de hand: stop met strafvermindering op basis van dit soort omstandigheden. Niet een beetje minder meewegen, maar principieel uitsluiten als verzachtende factor. Persoonlijke stabiliteit, perspectief en sociaal kapitaal horen geen korting op straf op te leveren. Het strafrecht verliest zijn legitimiteit zodra het structureel differentieert op wie iemand is in plaats van wat iemand heeft gedaan. Gelijkheid voor de wet betekent dan ook dat deze vorm van selectieve mildheid moet verdwijnen.
Dat vraagt om een herijking van hoe we naar gelijkheid voor de wet kijken. Zolang de uitkomst voorspelbaar meebeweegt met iemands positie, blijft het systeem scheef trekken. Een terugkeer naar de daad als primair ankerpunt maakt die spanning niet volledig weg, maar beperkt in elk geval de neiging om status te vertalen naar mildheid. Minder selectieve coulance dus, en meer consequentie in wat we als strafwaardig gedrag beschouwen.