Hoe zorg je dat je als je praat over mensen niet stiekem alleen over mannen praat? Dat je als je beweert dat elk zijn uil een valk meent te zijn, niet lijkt te beweren dat alleen mannen zich druk maken over hun uilen, ondanks dat zijn? Een van de wonderlijke kenmerken van de discussie over dat soort taalgebruik is dat het minstens voor een deel cultureel bepaald lijkt te zijn over welke woorden men discussieert. Een heftig gebied van discussie op dit vlak in Nederland en menig ander Noord-Europees taalgebied gaat over voornaamwoorden, zoals zijn en hij. In het Spaans en het Italiaans, die toch waarlijk ook voornaamwoorden hebben, wordt die discussie nauwelijks gevoerd. Daar gaat het eerder over uitgangen van naamwoorden: bell@ ragazz@, als het er niet toe doet of je het over een jongen (bello ragzzo) of een meisje (bella ragazza) hebt.
Bovendien komen verschillende talen soms ook op verschillende oplossingen uit. Terwijl men in het Duits alweer geruime tijd vormen gebruikt als Professor*Innen om aan te geven dat men het over mannelijke én vrouwelijke hoogleraren heeft, wordt in het Nederlands meestal de voorkeur gegeven aan professoren – de vorm die ook wel als mannelijk geldt, wordt als vrouwelijk gebruikt.
Althans, het zit nog wel iets ingewikkelder, blijkt uit onderzoek waarover Natalie Verelst rapporteert in het nieuwste nummer van het vakblad Taal en Tongval. Verelst bestudeerde de stijladviezen die tien Nederlandse en twee Vlaamse universiteiten de afgelopen jaren hebben gepubliceerd: hoe kunnen medewerkers van die universiteiten hun woorden zo kiezen dat ze geen mensen buiten sluiten?
Inderdaad blijken veel van die universiteiten het advies te geven om de ‘mannelijke’ vorm te gebruiken. Althans, om dat soms te doen, want consistent zijn de gidsen niet. Volgens de Universiteit Utrecht is bewoner een neutrale vorm, maar huisgenoot mannelijk, iets wat ik in ieder geval helemaal niet navoelen kan (voor zover ik er een intuïtie over heb zou die eerder tegenovergesteld zijn). Verderop in hetzelfde advies staat “Gebruik de mannelijke vorm nooit als generieke beschrijving” – waarna gebruiker en bewoner als neutraal gebruik worden opgevoerd.
Bovendien moet het in Utrecht in vacatures weer anders: het advies beveelt de toevoeging m/v/x aan “als verduidelijking van het genderneutrale gebruik van de vorm”. Verelst ziet dat, terecht denk ik, als een teken aan de wand: zo neutraal zijn die vormen nu ook weer niet, zodra er juridische gevolgen dreigen, grijpt men toch naar expliciete differentiatie om inclusief te zijn. In Maastricht wordt datzelfde m/v/x juist afgekeurd omdat het niet inclusief zou zijn.
Zulk soort verwarring treedt ook elders op. De Universiteit Gent adviseert om secretariaatsmedewerker te gebruiken in plaats van secretaresse. Kennelijk is medewerker dus een neutrale vorm volgens het Gentse taalgevoel, terwijl elders dan weer te lezen is dat assistent en onderzoeker mannelijk zijn.
Toch valt er ook wel enige orde te destilleren uit al die academische taaladviezen, en wel een hiërarchie van neutraliteit die bestaat uit vier stappen:
Echt neutrale termen zoals directie, aanwezigen, jongere, staflid en leerkracht.
Niet-gefeminiseerde persoonsaanduidingen in het meervoud, zoals lezers, alumni.
Niet-gefeminiseerde vormen in het enkelvoud mét (m/v/x), zoals begeleider (m/v/x).
Niet-gefeminiseerde vormen in een kaal enkelvoud, zoals begeleider, medewerker.
De mannelijke vormen zijn dus een soort laatste keuze; de Radboud Universiteit noemt dat ook letterlijk zo (voor de duidelijkheid: ik heb niets met die gids te maken, ik had er tot mijn schande tot gisteren zelfs nooit van gehoord).
Intrigerend is ook dat het meervoud kennelijk als neutraler aanvoelt dan het enkelvoud. Het heeft mogelijk iets te maken met het feit dat we in het meervoud ook voor voornaamwoorden geen verschil tussen mannelijke en vrouwelijk maken: hij loopt, zij loopt,(enz.) worden van elkaar onderscheiden, maar zij lopen kan op groepen van alle mogelijke genders door elkaar slaan. In een groep doet geslacht er kennelijk niet zoveel meer toe.