De politie-iftar: etnisch profileren met dadels
Vanaf 1 januari organiseert de politie geen religieuze bijeenkomsten meer voor buitenstaanders. Geen kerstvieringen, geen Chanoeka en vooral, want daar ging de politieke ophef over, geen iftars meer.
Ik rouw er niet om.
Want laten we vooral niet doen alsof de politie zulke bijeenkomsten organiseerde uit louter warme belangstelling voor andermans geloof en de ‘band met de buurt’. De politie zegt het zelf: contact met religieuze gemeenschappen is ook nuttig om “signalen uit die gemeenschap op te halen”. De minister noemde eerder eveneens het “preventief signalen oppikken” als onderdeel van dit soort professioneel politiewerk. Vertrouwen winnen, contacten opbouwen, informatie krijgen. Ogen en oren in de gemeenschap dus, en daarmee ook een vorm van surveillance.
Daar zit sowieso iets bedenkelijk aan. Zeker wanneer juist islamitische gemeenschappen al jarenlang als veiligheidsrisico worden benaderd, en dit soort evenementen vooral op die groepen worden gericht, want het werkt repressie in de hand. Tien gemeenten kregen dit jaar nog boetes wegens het illegaal verwerken van informatie over islamitische mensen, na jarenlang heimelijk onderzoek naar moslimgemeenschappen. Profilering langs religieuze en daarmee vaak ook etnische lijnen heeft in Nederland bepaald geen theoretisch karakter.
Het ironische is dat juist de anti-islamhoek dit kennelijk niet zag. FVD maakte dit voorjaar een punt van politie-iftars en de azan, en in het verleden noemde Wilders het ’theedrinken’ met extremisten. En dat terwijl je, als je moslims toch voortdurend als potentiële bron van problemen beschouwt, nauwelijks een handiger constructie kunt bedenken dan ze zelf uitnodigen, eten voorschotelen, vertrouwen winnen en ondertussen “signalen ophalen”.