De Nederlandse asielopvang functioneert inmiddels als een ellende-carrousel. Eerst wordt de structurele opvangcapaciteit afgebouwd, vertraagd of bewust krap gehouden. Vervolgens ontstaat er “plotseling” een crisis. Gemeenten raken overbelast, Ter Apel loopt vast, mensen slapen buiten, het COA moet in paniek noodopvang regelen, en de overheid betaalt vervolgens astronomische bedragen voor hotelkamers, cruiseschepen, sporthallen en commerciële tussenoplossingen. Daarna volgt politieke verontwaardiging over “de onbeheersbare instroom”.
Dat patroon is inmiddels zo consistent dat het moeilijk nog als falen alleen te zien valt. Het begint verdacht veel op een systeem te lijken.
Nederland weet namelijk vrij goed hoeveel opvangplekken er gemiddeld nodig zijn. Toch wordt opvangcapaciteit politiek en bestuurlijk nog steeds behandeld alsof ieder leeg bed een vorm van verspilling is die zo snel mogelijk moet verdwijnen. Iedere tijdelijke daling in bezetting leidt vrijwel onmiddellijk tot afschaling, sluiting of uitstel van investeringen. Asielmigratie fluctueert, alleen die fluctuaties zijn geen onbekend natuurverschijnsel. Toch wordt opvangcapaciteit keer op keer ingericht alsof iedere stijging uit de lucht komt vallen. Structurele locaties verdwijnen zodra de druk even afneemt, langetermijninvesteringen worden uitgesteld, gemeenten krijgen onvoldoende ondersteuning en spreidingsbeleid wordt politiek opgeblazen tot nationale crisis.
Het gevolg laat zich raden: zodra de aantallen weer stijgen, ontstaat er onmiddellijk schaarste. En schaarste kost geld. Heel veel geld.
Tijdelijke noodopvang is per plek vaak aanzienlijk duurder dan reguliere opvang. Commerciële partijen verdienen goud geld aan crisisbeheer dat grotendeels voorspelbaar was. Hotels, beveiligingsbedrijven, noodlocatie-exploitanten en consultancyclubs draaien mee in een systeem waarin permanente improvisatie lucratiever is geworden dan stabiel beleid. De overheid betaalt vervolgens hoofdprijzen om problemen op te lossen die ze zelf jarenlang heeft helpen organiseren.
Intussen ontstaat er politiek een tweede verdienmodel: electorale winst.
Want beelden van overvolle aanmeldcentra, geïmproviseerde opvanglocaties en lokale onrust vormen ideale brandstof voor partijen die campagne voeren op “grip verliezen”, “grenzen dicht” en “Nederland is vol”. De crisis bevestigt voortdurend het eigen verhaal. En precies daardoor ontstaat een pervers mechanisme: het politieke belang van sommige partijen loopt steeds minder parallel met het daadwerkelijk oplossen van het probleem.
Vooral de VVD heeft daar een opmerkelijke geschiedenis in opgebouwd. Jarenlang regeren, jarenlang verantwoordelijk zijn voor het afbreken van stabiele opvangstructuren, jarenlang waarschuwingen negeren van uitvoeringsorganisaties, en vervolgens bij iedere nieuwe chaos doen alsof de situatie hen overkomt. Alsof de asielopvang een spontane natuurramp is die iedere keer onverwacht toeslaat.
Terwijl veel van die “crisis” juist voortkomt uit beleidskeuzes.
Dat geldt ook voor het voortdurende politieke verzet tegen spreiding. Iedere gemeente die géén opvang organiseert, vergroot de druk elders. Iedere uitgestelde locatie maakt noodopvang waarschijnlijker. Iedere symbolische verkiezingscampagne tegen “dwang” of “asieldruk” vergroot uiteindelijk precies de chaos waar later weer politieke winst uit gehaald kan worden.
En zo blijft het systeem zichzelf voeden.
Een functionerend opvangsysteem zou waarschijnlijk veel minder zichtbaar zijn. Minder paniek, minder beelden van overvolle centra, minder crisisretoriek. Juist daarom levert goed beleid politiek minder op dan permanente ontregeling. Een stabiel systeem produceert immers weinig mogelijke angstcampagnes. Dus blijven we hangen in een model waarin Nederland tegelijkertijd beweert dat asielopvang onhoudbaar is, terwijl het bewust kiest voor de duurste, meest chaotische en minst efficiënte manier om die opvang te organiseren.
De “asielcrisis” is daarmee allang meer dan alleen een opvangprobleem geworden. Het is een politiek ecosysteem. Een crisis die periodiek opnieuw geproduceerd moet worden, omdat teveel partijen belang hebben gekregen bij het bestaan ervan.
En ergens onder al die beleidsnota’s, peilingen en campagnes bevinden zich nog steeds echte mensen. Mensen die maanden of jaren in onzekerheid zitten, van noodlocatie naar noodlocatie worden geschoven, kinderen die opgroeien in permanente tijdelijke opvang, gezinnen die bewust onderdeel worden gemaakt van een politiek spektakelstuk.
Hun uitzichtloosheid is inmiddels onderdeel van het decor geworden. Niet ondanks het politieke systeem, maar steeds vaker ten dienste ervan. Want iedere overvolle opvanglocatie, iedere slaapplaats in een sporthal en iedere nieuwe crisisfoto functioneert ondertussen ook als verkiezingsmateriaal.