Volgens de commissie-Lenferink heeft de NPO te veel kapiteins, te veel deelbelangen en een te complexe structuur. Omroepen werken langs elkaar heen, bestuurders trekken aan hun eigen belang, sociale onveiligheid wordt onvoldoende aangepakt en de werkwijze van Ongehoord Nederland tast volgens de commissie de betrouwbaarheid van de publieke omroep aan.
En daar zit een interessante spanning. Want vrijwel alles wat het rapport beschrijft als bestuurlijk probleem, was ooit juist onderdeel van het ontwerp. De Nederlandse publieke omroep is historisch gebouwd als een gecontroleerde chaos van botsende belangen, stromingen, ideologieën en maatschappelijke zuilen. Katholieken, protestanten, socialisten, liberalen, jongerenomroepen, religieuze clubs, regionale geluiden en experimentele makers moesten allemaal een plek krijgen binnen hetzelfde publieke bestel. Juist omdat men wist dat media nooit neutraal zijn.
Dat systeem levert vanzelf frictie op. Omroepen concurreren met elkaar. Bestuurders trekken aan hun eigen belangen. Journalisten botsen over normen, toon en inhoud. Sommige clubs gedragen zich irritant, opportunistisch of activistisch. Dat hoort bijna onvermijdelijk bij een bestel dat pluriformiteit serieus neemt.
Het probleem is alleen dat pluriformiteit slecht past binnen modern rendementsdenken. De afgelopen jaren werd de NPO steeds sterker afgerekend op efficiency, bereik, bestuurbaarheid en meetbare “publieke waarde”. En precies daardoor leest het rapport ook minder als een neutrale analyse, en meer als de bestuurlijke opmaat voor een volgende centralisatieslag en bezuinigingsronde. Eerst wordt vastgesteld dat het bestel versnipperd, inefficiënt en vol conflicten is. Daarna volgt vanzelf de conclusie dat er meer centrale regie nodig is.