En dan ineens sta je, op een wat rommelige ochtend, op het Britse kerkhof in Bagdad. Je ziet het graf van officieren en manschappen die sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog, toen de Britten de olievelden in zuidelijk Irak bezetten. De graven zijn wat mottig, niet al te best onderhouden, op één na: het graf van Gertrude Bell. Een gigant. Geboren in 1868, aanwezig op diverse kruispunten in de geschiedenis van het moderne Midden-Oosten. Zelfmoord in 1926, vandaag een eeuw geleden.
Wie was Bell? Ze was een Britse reiziger, auteur, politiek adviseur en archeoloog. En ze hielp bij de vorming van de moderne staat Irak.
Reiziger in de Levant
Gertrude Bell stamde uit een vermogende familie en was half wees: haar moeder overleed toen ze drie was, en ze werd grotendeels opgevoed door haar vader. Een stiefmoeder zorgde voor haar scholing en begeleidde Bell naar college in Oxford: Lady Margaret Hall. Ik ben er weleens iemand wezen opzoeken en ik denk dat ik me herinner Bells naam daar te hebben gezien, ingeschreven in een inscriptie in een muur.
De jonge Bell – we hebben het over een vrouw van rond de dertig aan het einde van de negentiende eeuw – was een enthousiaste reizigster, bergbeklimster én taalkundige, die niet alleen het Frans, Duits en Italiaans beheerste, maar ook het Arabisch, Perzisch en Turks. Ze publiceerde een vertaling van de middeleeuwse Perzische dichter Hafez, beklom diverse Alpentoppen en trok door Perzië en door Ottomaans Syrië en Mesopotamië. Ze organiseerde een expeditie naar het hart van het Arabische Schiereiland. En daarover publiceerde ze. Zoals destijds gebruikelijk combineerde ze in haar boeken reisverslag, fotografie en archeologische observaties. Hiermee vestigde ze in Europa haar reputatie als kenner van de Arabische wereld.