Weekendbedenking – Op de vleugels van de Verlichting – 1: De belofte van het liberalisme

weekendlogo123.jpgTe pas en te onpas kom je vandaag de dag in politiek-maatschappelijke beschouwingen het woord “liberalisme” tegen, meestal met een negatieve bijklank: namelijk als een laat-maar-waaien of een conservatieve anti-sociale houding. Nu het einde van het jaar weer op alle fronten momenten van bezinning met zich meebrengt is het misschien niet onaardig om eens stil te staan bij de diverse betekenissen van liberalisme.

“Liber” is het latijnse woord voor “vrij”. Het vergt weinig fantasie om in te zien dat dit begrip altijd een voorname rol heeft gespeeld in de politieke filosofieën die de mens in de loop van zijn geschiedenis heeft ontwikkeld. Liberalisme als politieke filosofie vindt zijn oorsprong in de 18e eeuw, grofweg aan de vooravond van de franse revolutie.

In die dagen geschiedde het namelijk dat er gerommeld werd aan de bestaande machtsverhoudingen. De macht was nog stevig in handen van de oude adel en de geestelijkheid. Daarnaast was er een derde machtsgroepering opgekomen, de ondernemende burgerij, die langzamerhand een groot deel van het geld naar zich toe begon te halen. Het overgrote deel van de bevolking behoorde, zoals bekend, tot de kaste die de machthebbers mocht dienen. En in die kaste zat je muurvast: als je voor een cent geboren was, werd je nooit een kwartje.

Het gewone volk begon in die tijd uit zijn voegen te barsten: de middelen van bestaan hielden de bevolkingsgroei niet meer bij. Je zou kunnen zeggen dat het volk rijp was voor de industriële revolutie. Daarnaast was ook de ondernemende burgerij rijp om de vleugels uit te slaan, zowel wat betreft investeringsmogelijkheden als wat betreft geestelijke ontplooiing (de ontwikkeling van de wetenschap). In het licht van deze ontwikkelingen werd het regime van adel en clerus steeds meer als een knellende band ervaren.

Het was in deze context dat het idee ontstond dat het individu zich vrij moest kunnen ontwikkelen, d.w.z. niet gehinderd door knellende sociale en maatschappelijke regels op basis van afkomst en geloof. Maar die vrije ontplooiing diende wel te geschieden binnen een sociale dimensie, het was niet de bedoeling dat alles ineens mocht. De vrijheid moest geïnterpreteerd worden als vrij van belemmeringen, niet als vrij om te doen en laten waar je zin in had.

Bij deze nieuwe vrijheid hoorde dan ook een nieuwe maatschappelijke orde, waarin de overheid gezien werd als het instituut om de vrije ontplooiingsmogelijkheden te garanderen (de staat is er voor de burger!). Maar dat kon dan geen overheid zijn die gebaseerd was op erfelijke structuren. Nee, die overheid moest gevormd worden door mensen die daartoe het best waren toegerust, mensen met leidinggevende capaciteiten. Omdat het gevaar van willekeur daarbij net zo goed op de loer lag, zouden de mensen die het land moesten besturen gekozen moeten worden door het gehele volk.

Ziehier de bakermat van het liberalisme. De mens moest vrij zijn om zich te kunnen ontplooien naar zijn persoonlijke capaciteiten. Om te garanderen dat ieder individu kreeg waar het recht op had (namelijk de vrijheid) was een sterke overheid nodig die ervoor zorg moest dragen dat de vrijheid niet beknot werd, maar tegelijkertijd niet ten koste zou gaan van anderen. Door deze overheid zelf uit ons midden te kiezen zouden we voorkomen dat er een nieuw regime van willekeur ontstond.

Morgen: 2 De werdegang van het liberalisme

Overmorgen: 3 Het liberalisme als de ziel van onze identiteit

  1. 1

    Ben benieuwd waar deze overpeinzing op uitkomt met het oog op afgelopen jaar: komen de VVD-ers nog uit de bus als liberaal of zijn de links-liberalen betere vertegenwoordigers van het liberale gedachtengoed?

  2. 2

    Goed stuk.
    Ik ben ongeduldig voor de volgende stukken.
    Het vrij zijn, vrij denken, iets wat we als zo vanzelfspreken zijn gaan vinden.
    Terwijl dit in grote delen van de wereld echt niet zo is.

  3. 3

    Ik moet bij dit soort overpijnzingen over “vrijheid” altijd denken aan het duifje van Immanuel Kant:

    “Die leichte Taube, indem sie im freien Fluge die Luft teilt, deren Widerstand sie fuehlt, koennte die Vorstellung fassen, dass es ihr im luftleeren Raum noch viel besser gelingen werde.”

  4. 4

    Kijk, da’s weer het mooie van filosofie: de één gaat de liberalen in herinnering roepen wat liberalisme ook al weer was, de ander laat zien dat een mens, gelijk een duif, het liefst de Kantjes er van afloopt.

  5. 5

    IekBenKrietiesj,

    … was een sterke overheid nodig …

    Oeps, volgende keer even het antie-boerswasie macro’tje in word uitzetten, hoor.

    Anyhow, nog even zereneuse reactie: Wat nou de opkomst van de burgerij heeft veroorzaakt is niet zo duidelijk. De discussie gaat dan over: Was de verlichting onvermijdelijk, of een gelukkige abberatie? Een ‘momentary lapse of reason’ door de heersende klasse, of een onvermijdelijke uitkomst van een proces dat misschien diep in de middeleeuwen al gestart was?

    Dit zijn moeilijke vragen en wat ik er van begrepen heb is dat allemaal niet zo duidelijk. In principe werd de bevolking door malthus in bedwang gehouden, dus dat zou pleiten voor het tweede.

  6. 6

    Het gekke is dat de twee communistische systemen die zich het meest bewust waren van lange-termijn-krachten en hoe die te bestrijden totaal weerloos waren toen het moment daar was. Het hebben van een woord en een weerwoord zegt… niets.

  7. 8

    @Ippekrits:

    Mag ik ‘onzinnig’ zeggen? Ik wil niet al te negatief doen, maar het is karitakuur van de vroegmoderne geschiedenis. Paar dingen:

    Liberalisme als politieke filosofie vindt zijn oorsprong in de 18e eeuw,

    Nou nee, het is in de politieke filosofie algemeen erkend dat het liberalisme begon met de Brit John Locke. Hij leefde gedurende de eerste helft van 17e eeuw. Klinkt als muggezifterij maar is het niet, want je zegt vervolgens

    grofweg aan de vooravond van de franse revolutie.

    John Locke is een historisch figuur onder andere vanwege zijn grondwet voor de Britse kolonie Virginia (de hedendaagse staat in de Verenigde Staten).

    In deze grondwet zijn de rechten en plichten van vier maatschappelijke standen (klassen if you will) omschreven: de aristocratie, vrije mannen, landlozen en (Afrikaanse) slaven. De aristocraten maakte op basis van erfelijke titel de beslissingen, de vrije mannen hadden advies en inspraakrecht (maar géén medezeggeschap), de landlozen en slaven moesten er maar mee leven.

    Het ‘liberale’ aan deze grondwet was dat iedereen (afgezien van vrouwen, rooms-katholieken en slaven natuurlijk) bepaalde grondrechten had: rights to life, liberty and property. Dát was de grote breuk met het verleden: een heerser kon niet willekeurig je de doodstraf opleggen of je bezit onteigen, hetgeen de normaalste zaak van de wereld was in veel Europese landen toendertijd.

    Op die natuurlijke grondrechten hebben latere liberalen (Berkeley, Hume, Smith, Mill tot tegenwoordig Nozzick en Ralws) voortgebouwd. Dat klassieke liberalisme klinkt hopeloos achterhaald voor ons, maar voor een groot deel van wereldbevolking (1,3 miljard Chinezen bvb) is het nog altijd erg relevant.

    Maar goed, het klassiek liberalisme klinkt in het geheel niet als het liberalisme wat jij omschrijft, namelijk het liberalisme van ‘vrije ontplooiing’ met ‘zelf de leiders kiezen’ maar wel in een ‘sociale dimentie’ en een ‘sterke overheid’. Dat is het veel latere romantisch liberalisme van John Stuart Mill (halwervege de 19e eeuw) en van de veel recentere John Rawls. Maar dát liberalisme is maar één van de vele smaken, en zeker niet de ‘bakermat’ van het liberalisme.

    Verder kloppen een aantal andere voorstellingen van zaken niet, maar dat is bijzaak. Eéntje dan:

    Het gewone volk begon in die tijd uit zijn voegen te barsten: de middelen van bestaan hielden de bevolkingsgroei niet meer bij. Je zou kunnen zeggen dat het volk rijp was voor de industriële revolutie.

    Laat eind 18e eeuw nu net de tijd zijn dat West-Europa uit haar Malthusiaanse val ontsnapte. Vanaf de 15e eeuw steeg de welvaart in West-Europa gestaag, en niet alleen onder de rijke adel en kerkelijkheid. Het is een enorme misvatting om te denken dat de industriële revolutie ‘ons’ opeens welvarend heeft gemaakt, daar ging een proces van eeuwen aan vooraf.

  8. 9

    Net nu ik – uiteindelijk maar toegevend aan de nietweetmensen – alle discussies dan maar vanaf de 18e eeuw wil laten starten begint nota bene JSK (21, econoom cand.) allerlei gemeuggezift over de werkelijkheid vanaf de 15e eeuw…

    Afijn, trst.

  9. 11

    “Laat eind 18e eeuw nu net de tijd zijn dat West-Europa uit haar Malthusiaanse val ontsnapte”

    JSK heeft gelijk. Het hangt wellicht van land tot land af, maar in Frankrijk bijvoorbeeld zijn na de revolutie een hoop wetten veranderd die een impact hadden op de evolutie van de bevolking, los van welke industriële revolutie dan ook.

    Deze week in Le Nouvel Observateur:

    “Mais au XIXe siècle, la baisse de la natalité est réelle. Les sociologues observent que les petits paysans du Sud-Ouest, n’ayant plus le droit de transmettre leur terre à un seul héritier, s’arrangent pour n’avoir qu’un seul enfant.”

    Erfenisrecht, dus. Als een van de vele andere elementen.