Toevallig op Petrus Datheen stuiten

VERSLAG - https://commons.wikimedia.org/wiki/File:PetrusDathenus.gifWijlen Louis Peter Grijp was begrijpelijkerwijze trots toen er voor zijn dood een nieuw instituut werd ingericht – de Louis Peter Grijp-lezing, jaarlijks te houden rond 10 mei, de verjaardag van het Wilhelmus als Nederlands volkslied.

Hij was ook trots op de eerste spreker, de aanstormende Antwerpse literatuurwetenschapper Mike Kestemont. Gisteren liet Kestemont zien dat die trots volkomen gerechtvaardigd was: hij gaf een briljante, lezing, een onverwacht spannend verhaal over een op het eerste gezicht wat saai onderwerp: met de computer onderzoeken of Marnix van St. Aldegonde nu echt de auteur was van het Wilhelmus.

Sommige kranten (het Reformatorisch Dagblad bijvoorbeeld) brachten gisteren als nieuws dat Petrus Datheen misschien wel de auteur was van het Wilhelmus. Maar daar ging de lezing helemaal niet over!

Serendipity

Kestemont liet weliswaar met flair zien dat Datheen ten onrechte ontbrak in de lange lijst met kandidaat-auteurs, en hij gaf een aantal prikkelende redenen om eens verder in deze tot nu toe genegeerde richting te zoeken, maar hij wekte niet eens de indruk nu per se te boek te willen staan als de ontdekker van de ware auteur.

Eigenlijk wilde Kestemont geloof ik in zijn lezing illustreren wat hij op zijn website beschrijft als:

Computational analyses have the advantage that they induce serendipity in textual analysis: a computer makes us aware of things that the eye of the human reader tends to skip.

Functiewoordjes

Kestemont ging op een volkomen iconoclastische manier om met zijn methode. In eerste instantie leek de lezing een gewoon pleidooi voor digitale geesteswetenschappen te zijn: je neemt gedigitaliseerde teksten van allerlei zestiende-eeuwse dichters die ooit genoemd zijn als kandidaat-auteur en vergelijkt die met elkaar op een soort tekstuele vingerafdruk – de frequentie van functiewoordjes als het en van. Auteurs hebben namelijk de neiging om heel consistent te zijn in die frequentie en bovendien op dit punt van elkaar te verschillen.

Uit deze methode bleek dat je iedere keer als je een andere dichter vergeleek met Marnix, de laatste steeds de meest waarschijnlijke auteur van de Wilhelmus bleek te zijn.

Stilistisch

Maar toen kwam het. Omdat er nog wel wat bezwaren aan de methode zitten besloot Kestemont een modernere techniek in te zetten. Daarvoor was het nodig om nog meer verschillende auteurs met elkaar te vergelijken, en daarom gooide hij er wat onwaarschijnlijke anderen bij, als een soort controlegroep. Zoals Petrus Datheen.

En toen gebeurde het: Datheen bleek ineens stilistisch nog veel meer overeenkomsten te hebben met het Wilhelmus dan alle dichters die ooit genoemd waren. Inclusief Marnix.

Chartres

Strikt genomen was het experiment daarmee mislukt, maar Kestermont bleek briljant genoeg om zich niets van de strenge methodologie aan te trekken. Zijn digitale middelen bleken hem op een volkomen onverwacht spoor te zetten, dat hij vervolgens met wat traditionelere literatuurhistorische middelen uitwerkte.

Hij liet zien dat er nog wel wat andere argumenten zijn om Datheen serieus te nemen: hij was op het juiste moment zeer intiem met de Oranjes, terwijl hij een paar jaar later om religieuze redenen juist gebrouilleerd raakte, wat de voortdurende anonimiteit van het gedicht kan verklaren. Bovendien bevond hij zich in Chartres in het jaar dat daar het lied ontstond waarvan de melodie gebruikt zou worden voor ons latere volkslied.

Lachend

Verder liet hij zien dat A. Maljaars in zijn proefschrift twintig jaar geleden al kort opperde dat Datheen misschien wel de auteur was, maar deze hypothese snel verwierp, in essentie omdat de zestiende-eeuwer altijd als zo’n belabberd dichter werd beschouwd. (Zijn psalmvertalingen werden in de 18e eeuw het voorwerp van spot en hoon.) Alsof een slechte dichter niet één meesterwerk kan maken!

Of dit alles nu betekent dat Datheen inderdaad het Wilhelmus heeft gedicht, is niet zeker en ook eigenlijk niet zo interessant. Het interessantst leek mij Kestemonts boodschap: dat je heel ver kunt komen door computationele middelen te gebruiken en die op het juiste moment lachend weer terzijde te schuiven.

  1. 2

    @1: Sluit ik me graag bij aan. Net als elders in de wetenschap kunnen verfijndere methodes nieuwe hypothesen genereren. De “bewijsvoering” voor de daadwerkelijke betrokkenheid van Datheen moet dan nog wel het niveau van ‘circumstancial evidence’ (vriendschap met Oranje en aanwezigheid in Chartres) overstijgen.

  2. 3

    Inderdaad geweldig, een computer voor deze taak inzetten, wat klassieke algoritmes er tegenaan gooien en je wereld wordt ineens een stuk groter, maar niet direct duidelijker.

    En dan te bedenken dat er meer teksten niet gedigitaliseerd zijn dan wel, we kunnen in de toekomst nog veel interessants verwachten wat dit betreft.

  3. 4

    @3.

    Kijk en dat digitaliseren gaat nu in een zeer rap tempo. Want tot en met de sociale werkplaats in Nijmegen werden/worden projectmatig ingezet:

    http://www.soundtoll.nl/index.php/nl/

    Aan de andere kant zijn er juist van de tijd van het ontstaan van het Wilhelmus nog zeer veel boeken die waarschijnlijk nooit gedigitaliseerd zullen worden. Steeds minder interesse bij de studenten gemiddeld gezien, en steeds minder mensen die het Latijn van de Renaissance / vroeg moderne tijd vaardig zijn.

    Of het wordt in andere disciplines thuisgebracht zoals theologie, waar eigenlijk deze Petrus Datheen thuishoort.