Overal goed in zijn

ANALYSE - In Nederland heerst de gedachte dat we in de wetenschap moeten kiezen waar we goed in willen zijn. Onzin, vindt Barend van der Meulen.

In mijn korte tijd als ambtenaar, begin jaren ’90, kreeg ik een tekst waarin het Ministerie van Defensie heel serieus de voortgang in het speerpuntenonderzoek meldde. Ik had niet verwacht dat ons land nog met speren verdedigd werd. Ik was niet de eerste lezer van de tekst. Blijkbaar hadden velen voor mij de term speerpuntenonderzoek niet raar gevonden.

In onderzoek- en wetenschapsbeleid moet er altijd gekozen worden. “We kunnen immers niet overal goed in zijn,” zeggen bestuurders graag. Of dat waar is, is maar de vraag. Individuen kunnen niet overal goed in zijn. Heel veel wetenschappers kunnen wel in heel veel goed zijn. En veel wijst er op dat Nederlandse wetenschappers het over de volle breedte van de wetenschap goed doen. Sommigen zeggen ‘excellent’, maar die categorie bewaar ik zelf liever voor de beste 10%.

Hoe dan ook, de overtuiging dat er gekozen moet worden, is diep verankerd in het wetenschapsbeleid. De gedachte is in ieder geval ouder dan ik zelf ben. In 1963 schreef Alvin Weinberg het artikel ‘Criteria for Scientific Choice’ , dat in één van de eerste nummers van het tijdschrift Minerva verscheen. Hij probeerde in dat artikel het probleem op te lossen dat er meer wetenschappelijke plannen zijn dan de overheid kan (of wil) financieren.

Het idee dat er gekozen moeten worden, leidde in Nederland vanaf eind jaren zeventig tot een hele serie van beleidsconcepten die de indruk wekten dat er inderdaad gekozen werd. Speerpunten was er één van. In de jaren tachtig waren ‘Taakverdeling en Concentratie’ en ‘Selectieve Krimp en Groei’ gevreesde duo’s.

Groot genoeg

Later kwam de mooiere term ‘Prioriteiten’ op. Bij sommige buitenlandse collega’s heeft Nederland nog steeds een zekere reputatie vanwege het woord ‘Posterioriteiten’, onderzoeksgebieden waar je zeker geen onderzoek meer in wil doen. Concrete voorbeelden daarvan zijn er nauwelijks en die paar die er zijn, zijn achteraf niet zo goed gekozen. Ethologie was er zo één in de biologie, maar Frans de Waal bleek later toch aardig onderzoek naar apen te doen. Anorganische Chemie ook, maar dat bleek later weer van belang voor materiaalonderzoek, supergeleiding en nanotechnologie. Kiezen is moeilijk.

Rond de eeuwwisseling veranderde ‘We kunnen niet overal goed in zijn’ in het duo ‘Focus en Massa’. In beleidsteksten kregen we al snel sleutelgebieden en focus- en massagebieden. Want we moeten wel kiezen. Dat dat op nationaal niveau niet geleid heeft tot meer focus en dat de betreffende gebieden bij ons niet meer massa kregen dan in het buitenland, liet het Rathenau Instituut al eerder zien. Individuen kunnen niet overal goed in zijn. Universiteiten misschien ook niet. Maar ‘de Nederlandse wetenschap’ is nog steeds groot genoeg om over de hele breedte goed te zijn.

Topsectoren

En nu hebben we dus topsectoren. Het aardige van de topsectoren is dat vrijwel het hele bedrijfsleven er in past. Het CBS wist onlangs in een monitor van de topsectoren 95% van de innovatie-uitgaven bij één van de topsectoren onder te brengen. Dat is mooi. Dan hoeven we op nationaal niveau niet meer te kiezen en kunnen we onze aandacht op belangrijkere zaken richten.

Bijvoorbeeld op de vraag of topsectorenbeleid zal leiden tot meer uitgaven van het bedrijfsleven voor R&D. Want in hun onvrede over het kabinetsbeleid, lijkt de wetenschapslobby dit doel te vergeten: de Nederlandse industrie moet meer investeren in kennis. Ons rapport over topsectoren laat zien dat de Topconsortia voor Kennis en Innovatie nog flink wat moeite moeten doen om het bedrijfsleven echt te laten betalen aan kennis en innovatie. Er komen nu al verontrustende signalen naar boven dat bedrijven toch wat teleurgesteld zijn in het overheidsgeld dat beschikbaar is. Tja.

Laten we in de Nederlandse wetenschap dan toch nog één keer een keuze maken voor de komende jaren. Met z’n allen niet de overheid, maar het bedrijfsleven onder druk zetten voor meer geld.

Barend van der Meulen is Hoofd Science System Assessment bij het Rathenau Instituut

  1. 1

    grappig stukje. mijn indruk van nederland is juist dat nederlanders in de breedte heel goed zijn. die aanleg om in de breedte heel goed te zijn, in het algemeen, maar niet in het bijzonder, HEEL nederlands volgens mij, DAAR moet je op inzetten, op eigen kracht.

  2. 2

    Is dit een pleidooi voor de zesjescultuur? Zo ja, dan sluit ik me daar van harte bij aan. Excellenten moeten niet afgetopt worden, maar voor het merendeel geldt toch “goed genoeg is goed genoeg”, zolang het maar binnen de tolerantiegrens blijft.

    Het nadeel van verregaande specialisatie (in organisaties) is in ieder geval dat het een van de factoren is die (het succes van) polarisatie (lees: het niet kunnen begrijpen van elkaar) in de hand werkt. Vb.: de marketingafdeling die de ontwikkelafdeling niet begrijpt (en vv).

  3. 3

    Over de hele breedte goed zijn kan zonder ook maar ergens tot de top te behoren, en dat is waar het om gaat in de huidige winner takes all situatie.
    We moeten juist wel kiezen, maar die keuze moet op het hoogste niveau niet al te specifiek worden gemaakt. De overheid moet bijvoorbeeld kiezen om te investeren in de harde beta wetenschappen, en of anorganische chemie wel of niet de moeite waard is mogen de onderzoeksinstituten bedenken. Belangrijk is dat er genoeg geld is voor het onderzoek dat excelleert want anders blijven de zesjes hier en gaan de getalenteerdere onderzoekers naar het buitenland waar ze beter gefinancieerd worden.

  4. 4

    @3 helemaal mee eens. Studeren in de beta wetenschappen moet gestimuleerd worden. Een goedkopere lening voor de studie (technische) natuurkunde dan voor Algemene Letteren en Management bijv.

    In Nederland is het belangrijker om het WK allround winnen dan de 500m of de 1500m.
    Maar dat betekent niet dat we niet (moeten) willen winnen!

  5. 5

    ” Ons rapport over topsectoren laat zien dat de Topconsortia voor Kennis en Innovatie nog flink wat moeite moeten doen om het bedrijfsleven echt te laten betalen aan kennis en innovatie”
    Alle informatie, visiestukken, contracten rondom de topsectoren zijn zo omschreven dat het zeer ver van het bed van het bedrijfsleven staat. Ik heb recent een poging gedaan een ipc aanvraag in te dienen met 5 onderzoeksinstellingen en een stuk of 15 Mkb bedrijven. Mooi concept gemaakt, solide samenwerking opgezet, en vervolgens dagen en dagen bezig geweest uberhaupt te begrijpen wat we in de aanvraag moesten schrijven, op welke manier en hoe we moesten beargumenteren dat e.e.a. Keurig aansloot bij de topsectoren (ik denk dan als 95% past voldoet een paar korte regeltjes, maar nee, meerdere a4 tjes was de eis, dus krijg je een sapel a4 tjes met geleuter).
    Nu is bovenstaan een voorbeeld, maar illustratief voor de steeds weer minder geslaagde pogingen van de overheid om bedrijven en onderzoek samen te laten weken op gebied van innovatie. Complexiteit is te hoog, regeldruk te hoog en over het algemeen is e.e.a. Sterk politiek gedreven. Ik denk dat er weinig bedrijven in Nederland zijn die weten wat de topsecoren zijn en die zich er toe aangesproken voelen.
    Mijn ervaring is da de mooiste samenwerkingen ontstaan zonder topsectoren, maar zuiver omdat er een gedeeld belang is. En bij een gedeeld belang investeen bedrijven ook wel, hoewel dat in de huidige crisis wel wat zuinigjes zal zijn denk ik.