In de ban van de tegenstander

‘Een volwassen vijandschap moet rijpen, net als de mooiste vriendschap’.

Afgelopen zondagmiddag werd Hans Keilson geïnterviewd door de filmmaker Frans Weisz in het Joods Historisch Museum. Een hele eer vond de interviewer, ooit was hij als klein kind bij dr. Keilson op consult geweest en nu mocht hij zomaar naast hem zitten, zijn arm om hem heen slaan en hem van alles vragen. Nog voor het vraaggesprek goed op gang kwam sprak Frans Weisz de hoop uit om binnen afzienbare tijd ‘Komedie in mineur’ te gaan verfilmen. Het was nog niet helemaal zeker, maar een geheim was het blijkbaar ook niet. Dit is natuurlijk goed nieuws, het zou prachtig zijn als de essentie van de boeken van Hans Keilson ook niet-lezers zouden kunnen bereiken.‘Komedie in mineur’ is een spannend boek, het zal een mooie Nederlandse film opleveren, daarvan ben ik zeker.

‘Waarom zou Frans Weisz niet gekozen hebben voor het belangrijkste boek van Hans Keilson?’ vroeg ik mij af. Ik had die zondagochtend net ‘In de ban van de tegenstander’ uitgelezen. Ook dat boek heeft een spannende verhaallijn, al is het een vrij abstract boek. Het gaat over de ontwikkeling van gedachten over vijandschap en angst. Verfilmbaar is de roman zeker, al zal lastig worden om de lange en complexe dialogen te verwerken. Want dialogen spelen een belangrijke rol in ‘In de ban van de tegenstander.’ Ze worden niet alleen gebruikt om de sfeer te schilderen, maar ze hebben vooral als doel om de ontwikkeling van de ideeën over vijandschap te onderzoeken. De hoofdpersoon voert verschillende gesprekken over vijand: met zijn ouders, met vrienden en vage bekenden. Aanvankelijk denkt de hoofdpersoon nog dat hij zijn tegenstander de baas zal kunnen worden:

‘Wie is die meneer eigenlijk dat hij zo veel drukte maakt over zichzelf dat de anderen nog meer lawaai over hem schoppen? Wie is hij, en wat kan hij nou? Op welke prestaties kan hij wijzen? Op welke? Belachelijk! Een bazig ventje, brutaal, onbeschoft! Hij belastert iedereen die het niet met hem eens is. Nu heeft hij zelfs al een partij. Mensen besteden veel te veel aandacht aan hem. Een paar potige kerels en de hele zaak is uit de weg geruimd. Laten we maar over hem ophouden. Zo belangrijk is hij niet´.

As de verteller volwassener wordt  krijgt de vijand hem toch in zijn ban. Pas als hij de kans krijgt om in een uitzinnige menigte langs de weg zijn tegenstander -staande in een stapvoets rijdende zwarte auto- te observeren, lukt het hem om zijn angst voor zijn vijand vorm te geven: ‘Ik dacht niet: nu schiet ik, en ik haat hem, ik schiet hem dood. In mijzelf heb ik hem doodgeschoten’. Hans Keilson vertelde in het JHM dat het belangrijk is om je haat te overwinnen. ‘Haten is zelfvernietiging’.

Ondanks de vele dialogen is ’In de ban van de tegenstander’ een goed leesbaar boek. Sommige gesprekken doen een beetje geconstrueerd aan, ze zijn bedoeld om de sfeer te schetsen en om de aanloop van de gedachten over vijandschap in te leiden. In de loop van het boek worden de dialogen steeds beter. Het hoofdstuk over de kerkhofschendingen wordt in een gelaagd complex van dialogen neergezet. Tijdens een gesprek van vijf jongeren wordt verslag gedaan van een uitstapje door een ander groepje jongelui, waaraan een van gespreksdeelnemer deel heeft genomen. Ze zijn naar een kerkhof gereisd om daar de graven te vernielen. Waarom? ‘We hebben de doden vermoord. Die moeten onze komst opgemerkt hebben. Ze stonden op uit hun graven en hebben met ons gevochten. En ten slotte hebben wij ze vermoord’. Het bezoek aan het kerkhof wordt gedetailleerd beschreven aan de hand van dialogen. Dus dialogen binnen dialogen. Oef…Hans Keilson weet het zo te vertellen dat de lezer de draad niet kwijt raakt. Let wel, bijna geen enkele personage in het boek heeft een naam, hij gebruikt alleen bijnamen.

Ook al is deze roman een meesterwerk, er is ook wel een minpuntje te noemen. ‘In de ban van de tegenstander’ wordt als raamvertelling gepresenteerd, maar dat is niet helemaal geloofwaardig, Zelf verwarde ik de hoofdpersonage uit het raam en de hoofdpersonage uit het manuscript in het verhaal wel eens met elkaar. Gelukkig is het ‘raam’ maar een klein onderdeel van de roman. Er zijn veel speculaties mogelijk waarom Keilson deze vorm gekozen heeft. Arnon Grunberg in NRC hierover: ‘De raamvertelling lijkt er te zijn om commentaar te kunnen leveren op de Badrian-achtige figuur ….’. Gerhard Badrian was een verzetstrijder in Amsterdam die net als Keilson ook uit Freienwalde kwam.

Frans Weisz deed het in het Joods Historisch Museum heel goed als gespreksleider, al is het natuurlijk niet eenvoudig om Keilson te bevragen. De voormalig zenuwarts stelt liever zelf vragen, dus iedere vraag uit de zaal werd teruggekaatst in de trant van: Wat denkt u wat er aan de hand was? En hoe was dat voor u zelf? Ik had zelf ook een vraagje geformuleerd, ik vroeg me af waarom in ‘In de ban van de tegenstander’ de ouders met U aangesproken worden. Was dat gangbaar in het begin van de 20ste eeuw in Duitsland? Naar mijn weten niet. Of lag het aan de vertaling? Ik stelde de vraag niet. Het leek mij te onbenullig tussen alle vragen over hoe het de Joodse gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog in Nederland is vergaan.

Toch was die middag de taal soms onderwerp van gesprek. Keilson’s echtgenote riep vanaf de eerste rij ‘In het Nederlands!’ op het moment Keilson volledig overging in het Duits. Frans Weisz vertelde daarop dat hij het zo jammer vond dat hij als kind geen Duits had mogen leren, het was de taal van zijn vader. Hij had in de jaren vijftig wel even op Duitse les gezeten, maar toen hij buiten de les vertelde dat de leraar de leerlingen uit de banken liet opstaan bij binnenkomst, mocht hij er niet meer naar toe. ‘Duits is de taal van de Täter’, vatte Keilson het probleem samen.

Hans Keilson werkte lang aan het boek, van 1944 tot 1959. Toen het klaar was wilde Fischer Verlag het niet uitgeven. Het boek was niet negatief genoeg over de dictator. Ik vind juist dat de anonimiteit van de setting en de beheersing van de gevoelens en gedachten van het slachtoffer de roman kracht geven. Als Hitler en zijn aanhangers bij naam waren genoemd, dan had dat het denken van de lezer vastgezet; er was dan geen ruimte meer geweest om naar de nuances in het gevoelsleven van het slachtoffer te kijken. Het moet zeer pijnlijk zijn om te moeten constateren dat je vijand jou ziet als een ‘niemand’, een niemand die al niet meer bestaat, waar je geen rekening meer mee hoeft te houden.

De vraag waar ik na het lezen van dit boek over nadenk is: Hoe herken je een vijand? Is het genoeg dat hij tegen jou is? Of moet je ook letten op bepaalde karaktertrekken?  In de ban van de tegenstander laat zien dat er moed voor nodig is om in te zien dat iemand werkelijk je vijand is. Om de vijand te erkennen moet je angst overwinnen,

Uitgegeven door Van Gennep, 240 p.

Bestel In de ban van de tegenstander.