Hulspas weet het | Wetenschap kan leren van topsport

COLUMN - Sinds zestien jaar kennen we in het Nederlands universitair onderwijs de bachelor-master structuur. Een systeem gebaseerd op de Bijbelse spreuk: velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.

De bachelor, ooit met mooie beloften gelanceerd (want heel Europa moest zo hoog mogelijk worden opgeleid) wordt tegenwoordig gebruikt om zoveel mogelijk middelbare scholieren op te zuigen en een begin te geven van academische vorming – om ze vervolgens op de arbeidsmarkt te lozen. Pogingen om diezelfde markt te betrekken bij de bachelor komen nauwelijks van de grond, want de universiteit is eigenlijk niet geïnteresseerd in deze klasjes. De master, daar draait het om. Dat is het enige waar men aandacht voor heeft. Die tweede fase moet immers de wetenschappers opleveren die veel artikelen schrijven en zo de universiteit de credits opleveren om hoog in de internationale ranglijstjes te komen – waarmee dan weer eer en prestige kan worden vergaard.

So far, so good.

De vraag is hoe je de beste masterstudenten selecteert. De studenten uiteindelijk die de meeste artikelen zullen schrijven. In navolging van de zo bewonderde Angelsaksische voorbeelden proberen universiteiten daarvoor objectieve criteria te ontwikkelen. In de VS moeten kandidaten een motivatiebrief inleveren, is er uiteraard een indringend gesprek, en verder worden ze ‘objectief’ beoordeeld op basis van waar je je bachelor hebt gedaan, en je GPA en GRE scores. De eerste score is een gemiddelde van behaalde cijfers; de tweede staat voor verbale vaardigheid (altijd handig als je veel moet produceren). Maar worden de selectiecommissies daar écht wijzer van?

Recente studies laten zien van niet. Er is géén correlatie tussen de de plaats van de bacheloropleiding en master-succes. Kandidaten afkomstig van de top-tien universiteiten doen het niet beter dan kandidaten van de eerste de beste State University. Daarnaast blijkt dat ook de beide objectieve meetlatten (GPA en GRE) nauwelijks tot geen voorspellende waarde hebben. Eigenlijk blijkt uit het onderzoek op dit terrein dat maar één ‘meting’ werkelijk voorspellende waarde heeft: het persoonlijke oordeel van een wetenschapper die de student heeft meegemaakt. Als hij of zij zegt: die heeft potentie, dan is de kans groot dat er inderdaad iets moois groeit – in elk geval groter dan bij alle andere criteria.

Dat is uiteraard slecht nieuws voor de onderwijsmanagers, die graag denken in termen van visies, stippen (aan de horizon) en speerpunten, en die op die manier een forse vinger in de pap willen houden als het gaat om de personele ontwikkeling van een afdeling of vakgroep. Wetenschappers die wetenschappers selecteren – dat is een recept voor onbestuurbaarheid – het begin van hun overbodigheid. Tegelijkertijd ligt het natuurlijk voor de hand dat juist het oordeel van wetenschappers het meest waardevol is.

Wetenschappelijk succes draait, zoals elke vorm van succes, niet om kennis of verbale lenigheid en zelfs niet om intelligentie. Het is een kwestie van karakter, zo kan elke managementgoeroe je vertellen. Een combinatie van enerzijds volledige overgave aan je werk (‘passie’ heet dat met een lelijk modewoord) en anderzijds het vermogen om elke stap die je zet afstand te nemen en koel te analyseren: wat ging er goed, wat ging er fout? En wat kan ik daarvan leren?

Die twee (gedrevenheid en analytisch terugkijken op wat je hebt gedaan) zijn geen meetbare eigenschappen. Maar het zijn wél eigenschappen die succesvolle mensen (sporters, verkopers, goeroes, wetenschappers) direct in elkaar herkennen. En waaraan ze kunnen zien: die gaat het maken, en die niet. Daarbij is het interessant om te bedenken dat deze karaktereigenschappen in de topsport vaak veel meer tijd krijgen om tot resultaten te leiden dan bij wetenschappers. Voor kennis over succes moet je niet op de universiteit zijn.

  1. 1

    Ik heb de overgangs fase in de jaren negentig mee mogen maken.
    Een bloedbad het was.

    Je had naast de bijbelse spreuk ook survival of the fittest kunnen zetten. Dat had toch een net wat dikker omrand kader aan je stuk gegeven.

  2. 2

    Maar voor selectie in topsport is dit ook onderzocht, bijvoorbeeld door Nico van Yperen van de RuG. Hier een blogpost daarover: https://www.sportscience.blog/2017/01/09/voetbaltalenten
    Zijn studie laat zien dat de jeugdvoetballers die doorbreken dat te danken hebben aan hun doelcommitment (dus de ‘passie’ die je noemt) én aan hun prestatieniveau in de jeugd!

    Zou dat voor studenten nou niet net zo zijn? Passie, plus resultaten in een eerdere fase van de studie, waarvan de GPA een gemiddelde is?