Hulspas weet het | De dokter wanhoopt nooit

COLUMN - Het is een ijzeren medische wet: de dokter blijft altijd optimistisch. Die wil altijd verder gaan. Die heeft altijd wel een andere aanpak, een experimenteel middel… maar opgeven, nee. Opgeven is het voorrecht van de patiënt. Pas als dié de handdoek in de ring gooit, mag de dokter berusten in het onvermijdelijke. Tot die tijd, blijft hij geloven in een goede afloop.

Een ultiem voorbeeld van deze onverwoestbare geestesgesteldheid was de uitspraak van de Utrechtse hoogleraar René Bernards nu drieënhalf jaar geleden in De wereld draait door dat ‘de meeste vormen van kanker’ over give or take twintig jaar chronische ziekte zouden zijn. De wetenschap had kanker zo’n beetje ontrafeld, vertelde hij (ongetwijfeld tot verbazing van veel collega’s) en het initiatief lag nu bij de industrie om al die kennis om te zetten in nieuwe therapieën. Het klonk fantastisch – en daarom zat hij daar ook.

Zijn woorden gingen vervolgens het land door als betrof het een zeer gewaagde uitspraak. En een keiharde belofte, want afkomstig uit de mond van een veelbelovende wetenschapper. Maar het hoeft geen betoog dat een dergelijke voorspelling nauwelijks iets voorstelt. Veel vormen van kanker waren drie jaar geleden al gedurende geruime tijd onder controle te houden. En als doktoren daar steeds beter in slagen (en mede gezien het feit dat verreweg de meeste kankerpatiënten, wanneer de diagnose wordt gesteld al een gezegende leeftijd hebben bereikt) wordt de kans dat een andere doodsoorzaak de kanker vóór zal zijn, niet denkbeeldig. Maar wat kan de farmaceutische industrie ons nog bieden? Is ze überhaupt op de goede weg?

In een groot artikel over ‘leven met kanker’ in De Volkskrant van 12 november vertelt epidemioloog Rob Verhoeven dat er momenteel 27.800 mensen zijn die minimaal vijf jaar geleden de diagnose kanker hebben gekregen. Daarmee is de ziekte bij hen misschien toch wel ‘chronisch’ te noemen. (Een veelvoud daarvan haalt de vijf jaar niet, dat spreekt vanzelf.) De krant vermeldt geen ouder getal, we kunnen die 27.800 dus nergens mee vergelijken – het getal zegt niets. Wordt het meer of minder? Verhoeven verwacht méér. Gevoeligere, snellere diagnose zal het getal uiteraard doen stijgen, maar volgens hem mogen we de komende jaren ook veel verwachten van nieuwe medicijnen: ‘Als je dit verhaal over tien jaar weer maakt heb je veel hogere cijfers.’ En hoogleraar John Haanen had hierover dit te zeggen: ‘Als ik zie wat er nog aankomt aan medicijnen, dan gaan we echt nog stappen zetten.’

De dokter moet nu eenmaal optimist zijn.

Maar er zijn er ook die de sfeer verpesten. In een artikel voor de British Medical Journal analyseerde de Britse arts Peter Wise de voortgang van de bestrijding van kanker. Goed nieuws: kanker is steeds vaker te genezen. Rond 1970 was de kans om kanker te overleven (zodra je te horen kreeg dat je het had) één op twee. Tegenwoordig is dat 70 procent. Maar die vooruitgang, zo constateert Wise, is grotendeels te danken aan de combinatie van vroege detectie en verfijnde operatieve technieken en bestraling. Chemotherapie droeg aan die verbetering slechts 12 procent bij. En dat was tot 2004. Sindsdien zijn er heel wat nieuwe vormen van chemotherapie bijgekomen, bij sommige zeldzame kankervormen met een zeer welkom effect, maar over all is hun bijdrage aan de genezing van kanker is onzichtbaar. Grof gezegd, het enige dat chemotherapie doet is het leven verlengen met luttele weken (ook daar zijn vraagtekens bij te zetten), waarbij de patiënt in die extra tijd vooral moet vechten tegen de neveneffecten van de therapie.

Wise is scherp. Er wordt op grove wijze geld over de balk gesmeten in de richting van nieuwe, peperdure chemotherapie. Artsen en farmaceutische bedrijven wekken voortdurend de indruk dat wanneer opereren onmogelijk is, en bestralen zinloos, chemotherapie het middel bij uitstek is om toch nog van kanker te genezen. Het is de laatste mogelijkheid – en gelukkig, er komen steeds meer nieuwe middelen op de markt! Maar daar klopt dus niks van. De verwachtingen zijn volstrekt onrealistisch. Het nut voor de patiënt is vrijwel altijd verwaarloosbaar. Maar ja, níéts doen is voor de dokter natuurlijk geen optie. Chemo biedt hoop. Weinig meer.

Literatuur

Wim Köhler, “Effect van chemotherapie is zwaar overschat

  1. 1

    Zelf chemotherapie gehad. Nu, jaren later, is de kanker niet teruggekomen. Laten we hopen dat het zo blijft. Zo stellig dat het nut van chemotherapie verwaarloosbaar is kun je niet zijn, want mijn type van kanker heeft een percentage dat de behandeling aanslaat van meer dan 90%.

  2. 2

    @1: Als je roept “Het nut [van chemo] voor de patiënt is vrijwel altijd verwaarloosbaar” ben je net zo stom en ongenuanceerd bezig als dat je roept dat “de meeste vormen van kanker over twintig jaar chronische ziekten zijn.

  3. 3

    @2 De zin begon hiermee “Zo stellig” en iets verderop in diezelfde zin “kun je niet zijn”. Dat lijkt me een goede afschatting van @1 en ik zie er geen reden in, om als een dolle te reageren! @1 laat fijntjes zien, dat er verschillende vormen van kanker zijn, maar deze op één hoop te gooien, zoals min of meer Marcel Hulspas doet, geeft geen pas.

  4. 4

    @3: Iets duidelijker deze keer:
    Als Hulspas roept “Het nut [van chemo] voor de patiënt is vrijwel altijd verwaarloosbaar” is hij net zo stom en ongenuanceerd bezig als dat iemand roept dat “de meeste vormen van kanker over twintig jaar chronische ziekten zijn”.

  5. 7

    je bedoelt met chemo eigenlijk de peperdure “targeted therapy” die prof Bernards (deeltijd Utrecht, maar verder NKI) als de redding van alle kankerpatienten voorziet neem ik aan. Hiervan is de werking niet alleen maar matig effectief (behalve in specifieke uitzonderingen), maar de kosten enorm. Dat gaat dan weer ten koste van effectieve therapien als optimale chirurgie en radiotherapie.