Goed volk | De cultuur van de elite en de cultuur van het volk

ACHTERGROND - Op 9 juli verscheen het eerste deel van een paar blogs over de theorie van het verschijnsel volkscultuur en de wetenschappelijke bestudering daarvan. Nadat een aantal begrippen de revue waren gepasseerd ging deze aflevering vooral over de ‘ontdekking van het volk’ en de gevolgen daarvan. Nadat tot in de Middeleeuwen de verschijningsvormen van cultuur vrij algemeen waren, ontwikkelde de elite steeds meer eigen, verfijnde vormen van cultuur. De elite eigende zich de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek toe terwijl het volk min of meer bleef steken in oude tradities van bijgeloof. Dat het hier geschetste onderscheid wel erg kort door de bocht is, voelt de lezer hopelijk op zijn klompen aan. Zoals destijds toegezegd gaat dit vervolgstukje over de verhouding tussen elite- en volkscultuur.

In de oude tribale samenlevingen in gebieden waar nog geen of nauwelijks verstedelijking had plaatsgevonden, bestond er in feite slechts één cultuur waarin alle leden van de gemeenschap deelden. Er waren bijvoorbeeld wel aparte zangers en vertellers, maar hun epen kwamen tot stand in samenspel met de luisteraars. Dit principe noemt men een ‘face-to-face groep’. In de Middeleeuwen was dit letterlijk eenvoudige model niet meer houdbaar, hoewel het voor het platteland nog lang opging. Er was zo langzamerhand sprake van zowel een sociale als een culturele stratificatie. Deze gelaagdheid kwam tot uiting in verschillen in intellectuele en culturele ontwikkeling, arbeid en rijkdom dan wel armoede.

Robert Redfield

Het was de Amerikaans antropoloog en ethnolinguist Robert Redfield (1897-1958) die in de jaren dertig een dualistisch model voorstelde. Hij maakte daarbij onderscheid tussen de ‘great tradition’ van de meer intellectuelen en geletterden en de ‘little tradition’ van de overigen.

Merk op dat het hier gaat om een traditie van ‘overigen’, van een restcultuur: de niet-ontwikkelden, de ongeletterden, de niet-elite met hun volksverhalen, volksliederen, volksdevotie, mysteriespelen, kluchten en feesten als kerstmis, nieuwjaar, carnaval, meifeesten en midzomerfeesten. Dat deze uitingen van de ‘little tradition’ in tegenstelling tot de officiële kerkelijke feesten binnen de ‘great tradition’ pagane overblijfselen uit de oude tribale samenlevingen herbergden is een feit, al moet men bijzonder voorzichtig zijn met de duiding ervan aangezien de (geschreven) bronnen minimaal dan wel nihil zijn.

De twee tradities bestonden echter niet gescheiden van elkaar: er was sprake van wederzijdse beïnvloeding. Zo kwamen bijvoorbeeld epen en sprookjesachtige verhalen uit de tribale samenlevingen in verfijnde vorm terecht bij de elite, waarna ze vervolgens doorsijpelden terug naar het volk, bijvoorbeeld middels volksboeken, waar ze wederom gewijzigd werden.

Het model van Redfield was met zijn tweedeling nog steeds simpel, maar sloot tenminste aan op de werkelijkheid van de Middeleeuwen. Toch is zijn tweedeling nog steeds te ongenuanceerd.

Participatie

Ten eerste wordt daarin de deelname van de ‘great tradition’ binnen de ‘little tradition’, de z.g.n. participatietheorie, geen recht gedaan. De elite nam ook deel aan carnavals- en andere feesten, zij het vaak op een afstandelijke of gecultiveerde wijze. Redfield ging wel uit van tweerichtingsverkeer, maar zijn model laat weinig of geen ruimte voor een in elkaar overlopen van beide tradities.

Zo waren bijvoorbeeld clowns in beide tradities populair. De destijds bekende Venetiaanse clown Zan Polo trad in 1523 voor de doge op waarna hij naar de dichtstbijzijnde herberg toog om daar dezelfde potsen op te voeren. Ook ridderromans waren zowel bij de adel als bij de boeren populair.

Om beide tradities tegelijkertijd te bedienen ontstonden zo gedrukte mengvormen als de zeventiende-eeuwse Duitse rijmprenten: een combinatie van een afbeelding en een onderschrift in het Latijn, hetzelfde principe dat in de twintigste eeuw werd toegepast door Maarten Toonder in zijn Tom Poes-verhalen.

De participatietheorie bleef lang gelden, aangezien de elite uitingsvormen van de ‘little tradition’ als volksliederen, volksballaden en volksfeesten voorlopig niet herkenden als behorende tot een andere traditie, aangezien men dezen nog niet met het volk associeerden. Uiteraard is de verdeling in great en little tradition kunstmatig en pas van veel later tijd, net als de term Middeleeuwen. Bovendien bestond er een tussen-laag: de lage adel en geestelijkheid die meestal op het platte land woonden en niet zelden ongeletterd waren. Zij maakten deel uit van beide tradities, maar het meest nog van de ‘little tradition’.

Eenheidsworst

Een tweede bezwaar tegen het te simplistische model van Redford is dat de ‘little tradition’ als een eenheidsworst wordt voorgesteld, wat het beslist niet was. Binnen deze restcultuur was sprake van een eigen stratificatie met elk eigen cultuurvormen, of in de woorden van Antonio Gramsci (1891-1937, Italiaans schrijver en communistisch theoreticus):

Het volk is niet een in cultureel opzicht homogene eenheid, maar bezit een complexe culturele gelaagheid (uit: Osservazione sul folclore).

Zoltan Kodály (1882-1967, Hongaars componist en etnomusicoloog) zegt het nog wat breder:

Wij mogen de traditie van het volk niet beschouwen als één uniform, homogeen geheel. Ze vertoont fundamentele variaties naar gelang van leeftijd, sociale en materiële omstandigheden, opleiding, woonplaats en geslacht.

Uitgaande van deze voorwaarden kan men zelf genoeg strata invullen. Een enigszins compleet overzicht zou deze blog veel te lang maken, daarom één voorbeeld.

Schaapherders

Het volk van de ‘little tradition’ (het is dus beter te spreken van ‘traditions’) woonde hoofdzakelijk op het platteland en bestond met name uit boeren. Boeren die in de bergen woonden vormen alweer een andere culturele categorie, dus wij houden het even op bewoners van het laagland. We leerden al op de basisschool dat je bij het boerenbedrijf landbouw, veeteelt of gemengd bedrijf hebt – zie hier weer drie nieuwe lagen. Veehouders kunnen onderverdeeld worden in koehouders, varkenshouders, geitenhoeders en schaapherders.

Boeren en herders. Afbeelding uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, 1410.

Vooral die laatste groep bezat een eigen cultuur, onder andere gesymboliseerd door de omslagmantel, een kledingstuk eigen aan dit beroep. In tegenstelling tot de landbouwers, die vaak lijfeigenen waren, waren de schaapherders vrije mensen. Ze leidden een armoedig en geïsoleerd bestaan en leefden, meer dan andere boerenberoepen, dicht bij de natuur. Men dichtte hen vaak magische krachten toe als het kunnen genezen van hun vee, en kennis van de sterren die ze uiteraard in alle rust konden observeren.

Schaapherders verbonden zich in broederschappen met hun eigen feesten en eigen heiligen: Sint Wendelinus (6e eeuw), Sint Wolfgang (10e eeuw) en de apostel Sint Bartholomeus, wiens feestdag op 24 augustus het begin van de trek van de zomer- naar de wintergebieden aangaf. Op die dag kwamen de herders uit een streek op bepaalde plaatsen bijeen om er hun koning en koningin te kiezen en hun eigen dansen uit te voeren. Met name tijdens de kersttijd was er voor de herders een grote rol weggelegd. In bijvoorbeeld Spanje speelden ze de aanbidding van de herders na in ‘autos del nacimiento’, geboortespelen, een vorm van mysteriespelen.

Herders hadden zo’n beetje de status van de huidige zigeuners: ze werden door de rest van de bevolking met de nek aangekeken. Landbouwers beschuldigden hen van luiheid en oneerlijkheid en ze werden vanwege ‘eerloosheid’ vaak niet tot gilden toegelaten. In de zeventiende eeuw werden zelfs enkele schaapherders uit Brie beschuldigd van maleficia, kwade streken uitgevoerd met behulp van magische middelen. Het zou interessant zijn de huidige Roma in de gelaagdheid van de ‘little tradition’ een plaats te geven en hun cultuur te beschrijven, zowel door hun eigen als door de ogen van de buitenstaander. Het lijken wel schaapherders.

Het ligt voor de hand ook de ‘great tradition’ op te delen in een aantal onderscheiden culturen. Uiteraard is dit mogelijk – de cultuur van de (hogere) geestelijkheid was uiteraard anders dan die van de (hogere) adel – maar in deze traditie is in tegenstelling tot de ‘little tradition’ sprake van een zekere homogeniteit: geletterdheid, welstand en intelligentie, samengevat in het woord ‘ontwikkeld’.

De partiecipatietheorie gaat vanaf de 17e/18e eeuw niet meer op, eenvoudigweg omdat de beide tradities nu duidelijk gescheiden werelden waren geworden. De volkscultuur ging een eigen leven leiden buiten de dominante elite-cultuur (zie Gramsci met zijn theorie van de culturele hegemonie), die de geschiedenis ging bepalen, om. Net op tijd ontdekte men met de ‘ontdekking van het volk’ dat grote delen van de volkscultuur op het punt stonden te verdwijnen. In de volgende theorie-column gaat het over hoe men dit in Nederland in de negentiende en twintigste eeuw heeft proberen te voorkomen.

Reacties zijn uitgeschakeld