Goed volk | Balspel in de kerk

COLUMN - In mijn vorige stukje heb ik het gehad over de narrenfeesten en over de ezelsmissen die daar onderdeel van waren. Beide hebben uiteindelijk een serieuze, liturgische oorsprong, waarschijnlijk als mysteriespel, hoewel volgens middeleeuwse bronnen ook invloeden vanuit oudere heidense feesten aanwijsbaar zijn, zoals de Romeinse Saturnalia.

Dat geldt ook voor een liturgisch balspel dat in de Middeleeuwen met name in Noord-Frankrijk werd uitgevoerd. Om het te begrijpen, moeten we ons eerst enigszins verdiepen in de labyrinten op de vloeren van grote kerken in het noorden van Europa.

Labyrinten

Veel kathedralen, vooral in Frankrijk en Italië, zijn of waren bekend om hun labyrinten. Een labyrint moet niet verward worden met een doolhof. Dit laatste is een gangenstelsel waarbij men moet zoeken naar de uitgang en wie een huiveringwekkend voorbeeld wil zien bekijke de film “The Shining” van Stanley Kubrick (1980). Bij een labyrint is er één ingang die volgens een stelsel van concentrische gangen, hetzij rond hetzij vierkant, vanzelf leidt naar het middelpunt, zonder zijwegen die wel of niet dood lopen.

Labyrinth in de basiliek van Onze-Lieve-Vrouwe van Hanswijk in Mechelen. (c) Tamara van Halm

Labyrinth in de basiliek van Onze-Lieve-Vrouwe van Hanswijk in Mechelen.

Over de betekenis van deze ‘gothische’ labyrinten is veel gespeculeerd, wat niet eenvoudig is omdat het labyrint in feite een oeroud, archetypische verschijnsel is dat op veel plaatsen in de wereld voorkomt. Voor de kerklabyrinten houdt men het er wel op dat deze de gelovigen, die niet in de gelegenheid waren een pelgrimsreis naar met name Jeruzalem te maken, een alternatief boden door al mediterend en vaak in geknielde houding het spoor van het labyrint te volgen tot men bij het centrum, Jeruzalem, uitkwam. Er is ook een theorie die stelt dat de weg door het labyrint de weg van Christus verbeeldt die hij aflegde van zijn kruisiging en dood naar de hel en terug hetgeen uiteindelijk leidde naar zijn opstanding.

Meester van de Campana-bruidskisten: Theseus en de Minotaurus (zestiende eeuw), Musée du petit Palais, Avignon

In enkele middeleeuwse labyrinten en schilderijen is in het midden van zo’n labyrint de Minotaurus (half mens, half stier) afgebeeld, een bewijs dat de middeleeuwers bekend waren met de ‘moeder aller labyrinten’, het door de Atheense architect Daedalus ontworpen Minoïsche labyrint op Kreta. Om de hele legende hier te verhalen is een zijsprong te ver, maar het gaat erom dat het labyrint van Daedalus zó was gebouwd dat wie er binnen ging, er niet meer uit kon komen. De geliefde van de held Theseus, Ariadne, gaf hem een bal wol mee die hij in zijn gang naar het centrum af moest rollen, zodat hij na het doden van de mensenetende Minotaurus de weg terug kon vinden. En zo geschiedde. Op deze mythe is waarschijnlijk het balspel gebaseerd dat in de kathedraal van Auxerre op Tweede Paasdag, de feestdag van Sint Stephanus, werd gespeeld: een kerstening van de Griekse mythe.

Voetbal in de kerk

Het was de Parijse theoloog Jean Beleth (1135-1182) die in zijn Summa de ecclesiastici officis voor het eerst gewag maakte van het liturgisch balspel in de kathedraal van Auxerre en andere belangrijke kerken, zoals Reims. Beleth verwijst in zijn werk expliciet naar “gelijksoortige decemberspelen die in vroeger tijden gebruikelijk waren onder de heidenen”. Het is niet onlogisch te veronderstellen dat met “decemberspelen” de Saturnalia, die in december werden gehouden, bedoeld zijn.

Eind dertiende eeuw beschrijft de bisschop van Mende, Willem Durand, in zijn Rationale divinorum officiorum een soortgelijk liturgisch balspel en verwijst hierbij naar “decemberspelen van de heidenen”. En dan is er nog een dertiende-eeuws document uit de kathedraal van Wenen dat geciteerd werd door Jean Lebeuf in 1727 met eenzelfde verhaal.

Spelregels

Hoe ging het balspel in z’n werk? De deken van de kathedraal ontving de leren bal uit handen van het nieuwste lid van de plaatselijke priestergemeenschap en zette het paaslied Victimae paschali laudes in, begeleid door het orgel, dat de maat aangaf. De deken zong het lied antiphonaal (om beurten) met de rest van de geestelijkheid – van hoog tot laag – die danste in een kring rond het labyrint. De deken bewoog zich al dansend naar het midden van het labyrint en terug, waarbij hij de bal heen en weer speelde tussen hem en de andere geestelijken.

Het spel zou in een moderne gymles niet zou hebben misstaan. Het spel was afgelopen als de deken de weg heen en terug naar en van het centrum had afgelegd, waarna allen zich met enkele wereldlijke genodigden tegoed gingen doen aan een feestmaal, terwijl één van de geestelijken een paaspreek voorlas. Wijnbekers werden hooguit twee maal bijgevuld. Hierna togen allen ter vesper.

Verklaring

Over het hoe en waarom van dit liturgische spel bestaan diverse verklaringen. De meest voor de hand liggende is dat het spel een verbeelding is van de overwinning van Christus op de dood, hetgeen ook door de paassequens wordt vertolkt. De deken speelt Theseus/Jezus die zich met behulp van een bal (wol) naar en van het centrum beweegt, waar hij de Minotaurus/duivel/dood verslagen heeft. Je zou in Ariadne een Maria- of Maria Magdalena-figuur kunnen zien, maar verwijzingen hiernaar ben ik in de bronnen niet tegengekomen.

Het liturgische balspel in de kathedraal van Auxerre, in feite een vorm van liturgische dans, vond met zekerheid plaats in de periode tussen 1396 tot 1538. In 1690 werd het labyrint uit de vloer van de kerk verwijderd.

  1. 3

    Die Victimæ paschali laudes is overigens vanuit de invalshoek van historisch bewustzijn over katholiek antisemitisme – die uiteindelijk de bron is van het hedendaagse antisemitisme – best interessant.

    De hierboven gelinkte Franse wiki geeft de strofe die de kerk er na een 4-500 jaar toch maar heeft uitgehaald in haar wisselende en dubbelhartige moraal over joden:

    Credendum est magis soli Mariæ veraci Quam Judæorum Turbæ fallaci.

    ofwel

    De eerzame Maria alleen is meer te geloven dan de massa van leugenachtige joden. (Il faut plus croire l’honnête Marie, que la foule des Juifs perfides.)

  2. 4

    @2: In vroeger tijden werd er geen onderscheid gemaakt tussen een labyrint en een doolhof. Alles werd labyrint genoemd. Het doolhof of dwaaltuin, zoals wij dat nu kennen, dateert uit het Italie van de Renaissance.

  3. 5

    @4: Sterker nog, in echte vroeger tijden heette een doolhof labyrint. Het labyrint nam pas in klassieke tijden de definitie aan die in het artikel wordt beschreven. Dat had er ook mee te maken dat het labyrint in deze tijden gebruikt werd als een versiering/symbolische voorstelling (het werd bv. ook als symbool op munten geslagen) en dus een versimpelde weergave werd van de oorspronkelijke labyrinten uit de vroege bronstijd (die wel degelijk doolhoven waren, zoals #2 terecht afleidt uit de mythe van de minotaurus). De huidige naam doolhof is een vrij nieuwe vinding, die ook in de naam verscholen zit (hof = tuin). Er is dus sprake van een verschuiving van de betekenis over de tijd (oorspronkelijk: labyrint = een verwarrend geheeld van kamers en gangen met het doel om mensen/wezens te laten verdwalen, naar een leuk patroontje met een kop en een staart, naar een gang waar je niet in kan verdwalen), althans voor bepaalde puristen. Normale mensen zien labyrint en doolhof (nog steeds) als synoniem.