De herontdekking van het collectief

Ten gevolge van de forse overheidsbezuinigingen ontstaan er tal van initiatieven waarbij de burger zelf het heft in handen neemt. De middeleeuwse en vroegmoderne geschiedenis leert dat de burgers heel goed in staat zijn om zelf hun instituties op te richten en te beheren, zonder al te veel bemoeienis van bovenaf, meent Tine de Moor.

Tot begin 19e eeuw organiseerden de burgers bij ontstentenis van een krachtige overheid hun eigen instituties. In de steden verenigden zij zich in ambachts- en buurtgilden; op het platteland maakten ze collectief gebruik van gemeenschappelijke weidegronden (meenten en markegenootschappen) en werden collectieve afspraken gemaakt over het beheer van de waterhuishouding. In het Engelstalige jargon verwijst de term commons naar allerlei vormen van gedeeld gebruik en verantwoordelijkheid over diensten en goederen.

De verschillende vormen van do-it-yourself-governance boden eeuwenlang een alternatief voor regulering van bovenaf of door de vrije markt. Omdat steeds duidelijker wordt dat de overheid niet bij machte is om alle sociale problemen op te lossen, bieden ze ook nu een wenkend perspectief. De onvrede van de samenleving over de ‘onmacht’ van de overheid uit zich in een groeiend populisme, maar tegenwoordig ook steeds meer in de herontdekking van collectieve instituties.

Er zijn inmiddels tal van voorbeelden van collaborative consumption (initiatieven zoals autodelen of samenaankoop van energie) en collaborative production (de coöperatie als bedrijfsmodel). Daarbij zij aangetekend dat ze economisch een nog vrij marginale betekenis hebben. De grote vraag is dan ook of het collectief de kracht van een echt maatschappelijk alternatief kan krijgen.

Opbouw van onderaf en zelfbeheer kenmerken de collectieve institutiesEr is een aantal elementen dat je kenmerkend zou kunnen noemen voor collectieve instituties. Ze komen voort uit een initiatief van onderop en degenen die het nauwst betrokken zijn bij het initiatief stellen zelf een reglement op. Ook zien ze toe op sanctionering wanneer de stakeholders het niet zo nauw nemen met het naleven van de afgesproken regels voor bijvoorbeeld het beheren van de buurtwinkel, voor de deelname aan de ouderparticipatiecrèche of voor het onderhoud van het buurtpark.

Voor een helder begrip van de theorie over collectieve instituties is een studie van de Amerikaanse politiek-econoom en Nobelprijswinnaar Elinor Ostrom onontbeerlijk. In haar boek Governing the commons. Institutions for collective action benadrukt ze het belang van de eerder genoemde factoren en de expliciete erkenning door de overheid, als noodzakelijke voorwaarden om een initiatief tot een veerkrachtige institutie te laten uitgroeien.

Een mooi voorbeeld van een geslaagde institutie is de vereniging Draagt Elkanders Lasten, de vereniging die vooral bekend is onder haar acroniem DELA. Ze werd in 1937 opgericht door een groep Eindhovenaren die zich stoorden aan de misstanden bij begrafenissen. De oorspronkelijke consumentencoöperatie is in 75 jaar uitgegroeid tot de grootste uitvaartonderneming in Nederland en België.

Een institutie van recentere datum is de ouderparticipatiecrèche. Hoewel het hier over heel andere goederen lijkt te gaan, zijn er duidelijke gelijkenissen: beide instituties zijn gericht op het voorzien van zogenaamde confidence goods, waarbij je vertrouwen moet hebben in de uitvoering ervan zonder dat je er zelf (altijd) bij bent. Ook gaat het in beide gevallen over noodzakelijke maar moeilijk verkoopbare goederen: doorgaans willen mensen niet dat er met begrafenissen noch met kinderen grof geld verdiend wordt, al is dat laatste binnen de huidige Nederlandse context betwistbaar.

Minister Henk Kamp dwarsboomt ontwikkeling van instituties

In een ouderparticipatiecrèche zorgen de ouders onderling voor de opvang van elkaars kinderen. Voor de kosten van dit systeem kunnen ouders als de crèches voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wet Kinderopvang terugvallen op de kinderopvangtoeslag. Hoewel het met die eisen wel meevalt, is deze relatief goedkope vorm van opvang toch slechts een marginaal fenomeen binnen de gehele sector.

Er zijn zes ouderparticipatiecrèches, allemaal opgericht door voornamelijk hoogopgeleide ouders. Dat is om twee redenen een gemiste kans. Ten eerste, zou het voor de minder gegoede bevolking een goedkope en laagdrempelige oplossing kunnen zijn waardoor ze tenminste in deeltijd zouden kunnen gaan werken, een effect dat met het huidige commerciële kinderopvangbeleid onvoldoende bereikt wordt. Anderzijds zou je vanuit economisch oogpunt kunnen stellen dat het menselijk kapitaal van hoogopgeleiden beter binnen de reguliere arbeidsmarkt benut kan worden.

Gelet op noodzaak tot bezuinigen, zou je verwachten dat de overheid initiatieven van burgers met veel enthousiasme ondersteunt, maar het tegendeel is soms eerder waar. De minister voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid Henk Kamp bijvoorbeeld eist dat ouders die hun kinderen in een ouderparticipatiecrèche opvangen in het bezit zijn van een erkend diploma. Ouders die in gebreke blijven, verspelen hun recht op kinderopvangtoeslag. Met deze maatregel heeft minister Kamp niet alleen een bom gelegd onder een werkzaam en betaalbaar alternatief voor de commerciële, dure en weinig kwalitatieve kinderopvang in Nederland, maar dwarsboomt hij tegelijkertijd de verdere ontwikkeling van deze institutie voor collectieve actie en wordt het initiatief van de burger zo in de kiem gesmoord.

De huidige houding van de regering in deze materie is strijdig met de wens van diezelfde bestuurders om meer verantwoordelijkheid bij de burger te leggen. En roept ook de vraag op of er wel de politieke wil bestaat om een publieke-collectieve samenwerking te bevorderen. De overheid heeft veel vertrouwen in de zogenaamde public-private partnerships. Maar klaarblijkelijk niet in de mogelijkheid tot het opzetten van public-collective partnerships.

We zijn het afgeleerd om in termen van collectiviteiten te denken

Vóór het bestaan van de welvaartsstaat verenigden burgers zich om gemeenschappelijke voorzieningen te creëren. Deels uit gebrek aan beter, overheid en markt functioneerden niet afdoende om dit te realiseren, en deels omdat samenwerken nu eenmaal een aantal interessante voordelen biedt. Uit de geschiedenis van de toenmalige instituties voor collectieve actie kan de moderne burger lering trekken. Ze kan hem leren (weer) in collectiviteiten te denken. Dat is hard nodig omdat de huidige overheid zich op tal van terreinen terugtrekt en burgers daardoor noodgedwongen zelf de verantwoordelijkheid voor allerlei collectieve voorzieningen moet nemen.

Er blijft overigens altijd een vooral faciliterende rol voor de overheid weggelegd. Zij kan een solide maar ook toepasselijk juridisch kader ontwikkelen en lokale samenwerkingsinitiatieven (h)erkennen als valide alternatief. Eén van de lessen die uit het verleden kunnen getrokken worden, is dat regulering flexibel moet zijn. Ook moet ze makkelijk geïnternaliseerd en begrepen kunnen worden. Gebeurt dat niet dan zullen betrokkenen de regels al dan niet bewust overtreden.

Op voorwaarde dat de overheid een faciliterende en ondersteunende rol blijft spelen, kunnen de kiemen van een grotere burgerlijke zelfredzaamheid die vandaag al te ontwaren zijn uitgroeien tot duurzame instituties die de samenleving als geheel een aantal collectieve voordelen kunnen opleveren, zowel van economische als sociale aard. Het vergroot de betrokkenheid van de burger met de samenleving en met de ander. En vele problemen kunnen een stuk goedkoper opgelost dan vandaag het geval is.

Alweer het kinderopvangverhaal heeft uitgewezen dat vermarkting niet noodzakelijk goedkoper noch kwalitatiever is. Tegelijkertijd moet er ook voor collectieve initiatieven ook ruimte om te falen zijn. Er zijn immers ook tal van private ondernemingen die bij gebrek aan succes het loodje leggen. Het voorbeeld van kinderopvang is actueel en treffend maar er zijn tal van goederen en diensten die onder druk van de huidige crisis moeilijker toegankelijk worden voor een groot deel van de bevolking. ‘Delen is het nieuwe hebben’, wordt hier en daar gefluisterd. Zou het dan toch kunnen, het collectief als alternatief?

Tine de Moor is universitair hoofddocent  verbonden aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie over het onderwerp: zie www.collective-action.info. Vanavond organiseert het kenniscentrum Instituties van de Open Samenleving (IOS) het symposium De institutionele verbouwing van Nederland.

Foto: dcipjr

  1. 1

    De verschillende vormen van do-it-yourself-governance boden eeuwenlang een alternatief voor regulering van bovenaf of door de vrije markt.

    Dat is gewoon kleinschalige democratie, niets anders dan men heeft geprobeerd te vergroten. Niets nieuws dus. Er wordt gedaan alsof ‘de overheid’ niet kan wat mensen zelf wel kunnen. Da’s natuurlijk onzin: de overheid bestaat uit mensen. Er is geen fundamenteel onderscheid tussen ‘de mensen’ en ‘de overheid’. En juist de democratie is een principe dat uit de mensen wordt opgebouwd, althans in theorie.

    Wel is er een grote onbalans ontstaan waardoor de belangen van de burger niet meer altijd goed gerepresenteerd worden. Belangrijke zaken zijn vooral de schaal van de afspraken, waardoor het individu (als 1/17.000.000ste van Nederland en in financiele termen nog veel minder) er niet meer zo gek veel toe doet.

    Maar die overheid is niet uit de lucht komen vallen. Ten eerste heeft diezelfde burger die straks zo mooi ‘zelf’ het wiel opnieuw gaat uitvinden, voor deze overheid gekozen. Ten tweede was centralisatie en schaalvergroting het toverwoord van lange tijd: het moest efficienter en de willekeur moest weg.

    En dat is een herhalende trend.

    Want die ‘instituties’, waar nu zo hoopvol naar gekeken wordt, bedenken op een bepaald moment dat het veel makkelijker is om bepaalde dingen centraal te regelen dan dat iedereen dingen voor zichzelf uitzoekt. En dus ontstaan er fusies. En als die een bepaalde grootte hebben bereikt, zullen ook dat naar alle waarschijnlijkheid logge, bureaucratische en anonieme instanties geworden zijn waar het individu nogal eens door de gaten valt.

    Allemaal zullen ze bovendien checks and balances opnieuw uitvinden, en daar naar alle waarschijnlijkheid een heleboel fouten bij maken die al eerder gemaakt zijn.

    Het is een natuurlijke beweging in maatschappijen volgens mij (samenklonteren en weer opbreken in kleinere communities)… wat we alleen niet moeten vergeten is dat de bovenste machtstructuren bijna altijd in tact blijven. (De overheid stoot steeds meer concrete functies af, maar blijft nog wel steeds veel macht houden, veel financien verwerken etc.)

    Ik denk dan ook dat het zinniger is om te kijken hoe we BINNEN de bestaande structuur weer balans kunnen vinden, dan een hele nieuwe structuur te gaan opzetten die uiteindelijk niets anders is dan hetzelfde nog een keer.

    De onvrede van de samenleving over de ‘onmacht’ van de overheid uit zich in een groeiend populisme,

    Of het groeiend populisme jaagt de onvrede steeds verder aan.

  2. 3

    Zwaar overdreven allemaal. kijk wat er op het net gebeurt. Participatie en zelforganisatie zijn daar de drijvende krachten. En het werkt. Afgezaagd voorbeeld: Wikipedia.

  3. 4

    Kijk dan nog even verder, naar bv paypal, facebook of google. Die hebben inmiddels een belangrijke maatschappelijke positie, maar zonder de garanties die we in de rechtstaat belangrijk vonden. Naast de commerciele nadelen heeft het andere gevolgen: namelijk dat alledrie soms volkomen willekeurig besluiten om accounts te blokkeren en mensen buiten te sluiten. Het goedkope antwoord daarop is natuurlijk ‘dan doe je toch geen facebook/google/paypal’ maar dat maakt de uitsluiting niet minder, en de willekeur ook niet.

    Dat is niet anders dan instemmen met scholen die zouden discrimineren op huidskleur en dan zeggen ‘jamaar je kunt ook zelf een school oprichten.’

    Internet is een nieuwe vorm van openbaar leven… maar helaas zonder de bescherming die je als burger op straat geacht wordt te hebben. En dat gevaar ligt op de loer bij elke vorm van zelforganisatie die een bepaalde kritische massa overstijgt.

  4. 5

    Helemaal mee eens. En het grensoverschrijdende karakter ervan maakt het ook nog s behoorlijk lastig om juridisch een vuist te maken tegen deze spelers. De vuist tegen dit misbruik zal dus ook door zelforganisatie gemaakt moeten worden.