1. 8

    @1:
    Hoe toont dit dat precies aan dan?

    Ik heb ook twijfels bij de mate waarin dit effect voorkomt. Maar zie hierin juist een voorbeeld dat het wel werkt.

  2. 9

    @8 Nou, eens kijken hoor: wie verdient hier allemaal aan?

    De ontwerpster, de taartenbakkers zelf, degenen die de bakproducten hebben geleverd, de diamanthandelaars/bewerkers die de diamanten doorverkopen en slijpen, de familie De Beers die de mijnen uitbaat, en de mijnwerkers (een habbekrats).

    Het meeste geld gaat naar de familie De Beers, die vrijwel een monopolie bezit en daardoor kan bepalen wie hoeveel diamanten krijgt. Of naar de aandeelhouders van de firma De Beers.

    De firma’s die de producten van de taart aanleveren krijgen net zoveel als voor iedere andere taart, en zijn er dus meer bij gebaat als er 100.000 sloebers zich kunnen veroorloven een taart in de winkel te kopen dan dat een hyperrijke stinkerd één taart koopt voor absurd veel geld omdat er toevallig diamanten in zitten.

    De ontwerpster ontvangt waarschijnlijk een fors bedrag vanwege haar naamsbekendheid en daar kan ze haar studio mee runnen, maar de taartenbakkers zelf verdienen net zoveel als voor iedere andere klant, dus die hebbener meer belang bij als veel mensen zich een ontwerptaart kunnen veroorloven dan dat één hyperrijke stinkerd zo’n taart via Debbie Wingham bestelt en dan laat behangen met diamanten.

    De enigen voor wie diamanthandel werkelijk essentieel is om gewoon de huur te betalen zijn de diamantairs en slijpers. De mijnwerkers verdienen een hongerloontje, ongeacht of ze nu stoflongen oplopen in de mijnen of hun rug breken op een bananenplantage.

    Maar ook al deze mensen hebben er meer belang bij dat er veel mensen zijn die zich een paar diamanten kunnen veroorloven, dan dat er één rijke stinkerd is die zich een taart van $75 miljoen kan veroorloven.

  3. 11

    @9:
    De beers bezit al sinds eind jaren 90 geen monopoly meer.

    Je fout zit voornamelijk in het denken dat de economie een zero-sum game is. Iemand koopt een dure taart, dus 100.000 mensen kunnen opeens geen taart kopen. De economie bestaat uit stromen geld, hoe meer dat stroomt, hoe sneller de turnover, hoe groter de economie.

    De rest van je verhaal is gewoon weer een bevestiging dat het wel zou werken. Het geld gaat naar mensen die werken in de productie ketting.

    De bedenkingen bij het trickle-down effect zit voornamelijk in het feit dat rijke mensen niet zozeer consumeren maar investeren.

  4. 12

    Het is me wat, met dat trickle-down effect. Vooral bijzonder dat het alleen werkt als rijke mensen geld laten rollen. Als arme mensen een stukje van hun uitkering aan iets anders dan eerste levensbehoeften spenderen, schreeuwt elke trickle-down gelovige moord en brand over verspillen en verbrassen. Want op een of andere manier komt het geld dan niet in de economie terecht op een manier dat anderen er weer van profiteren.

  5. 13

    Iemand koopt een dure taart, dus 100.000 mensen kunnen opeens geen taart kopen. De economie bestaat uit stromen geld, hoe meer dat stroomt, hoe sneller de turnover, hoe groter de economie.

    @11 Wellicht kunnen ze een taart kopen, maar ze kunnen niet iedere twee jaar een nieuwe auto kopen, of een televisie, of driemaal per jaar op vakantie, of hun kinderen op vioolles sturen, of hun huis dat likje verf geven, etc. etc..

    Zouden ze dat wel kunnen, dan zou er meer geld, sneller stromen, waardoor de turnover groter wordt, en de economische bedrijvigheid groeit.

    En ja, het is een zero-sum game. Hoe minder ik de kapper betaal voor zijn diensten, hoe meer knipbeurten mijn geld waard is. Hoe minder geld ik als directeur-eigenaar van een zaak aan mijn personeel geef, hoe meer ik aan mijzelf kan uitbetalen of in de zaak kan steken.

    Na 30 jaar verkoop ik de zaak voor miljoenen. Ik heb dan niet alleen mijzelf een goede boterham bezorgd (een betere boterham dan mijn personeel), maar ook een enorme winstuitkering aan het einde waar het personeel de vruchten niet van plukt.

    Dat betekent dat dit personeel dit geld niet kan uitgeven aan die nieuwe auto, vakantie, vioolles, dat likje verf, etc. Daarvoor moeten ze sparen, of keuzes maken.

    Ik kan dat allemaal wel, en dat doe ik dan ook, maar dan blijft er nog een bulk geld over. Ik koop een jacht, ik ga driemaal per jaar op reis, luxe diners, etc. etc. Maar de bulk van het geld geef ik niet uit, terwijl een veel groter deel daarvan wel uitgegeven zou zijn – en dus zou circuleren in de economie – wanneer ik mijn personeelsleden daar evenredig in had laten delen.

    Die dure uitgaven die ik in mijn eentje doe kunnen nooit de turnover genereren van alle bescheiden uitgaven die mijn personeelsleden tezamen met dat bedrag zouden genereren.

    Daarom is het niet handig geld te laten accumuleren bij enkelingen, en daarom is trickle down economics een leugen. Ik geloof meer in dynamic swirl economics.

  6. 14

    Probleem is dat de vermenigvuldigingsfactor van de geldstromen een stuk minder is.

    75 miljoen in de onderste laag gooien zorgt ervoor dat dat geld direct wordt uitgegeven, en dat het uitgegeven geld relatief snel wéér wordt uitgegeven.

    Van boven naar beneden wordt het een stuk minder snel uitgegeven, en veel meer opgepot.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren