Passie voor Dickens is niet genoeg

De laatste aflevering van onze zomerserie over kleine literaire musea brengt MB in het Dickens museum in Bronkhorst. Het wordt een verbazingwekkend bezoek, niet echt in positieve zin.

Laat ik beginnen met de opmerking dat ik houd van kleine musea. Ik heb veel waardering voor de vaak tomeloze inzet van de vrijwilligers die graag een verhaal vertellen. Ik begrijp dat deze musea het vaak met zeer beperkte middelen en menskracht moeten rooien en heb dan vaak ook snel respect voor het resultaat. Hoe klein het onderwerp soms ook mag zijn, met enthousiasme en een goed verhaal kom je een heel eind. Na een bezoek aan het Dickensmuseum in het piepkleine stadje Bronkhorst heb ik mezelf echter beter leren kennen. Ik had nooit gedacht dat ik op dit vlak een onbewuste ondergrens zou kennen; laat staan dat er musea zijn die die ondergrens bij lange na niet halen.

Het museum staat in het stadje Bronkorst. Een gehucht in de Achterhoek, niet ver van Steenderen. Het gehucht is meer een museumdorp, vergelijkbaar met Orvelte, dan een echt boerendorp, waar geleefd wordt. De gemaakt-historische sfeer van het plaatsje dient ook eens per jaar als decor voor een mini-Dickensfestival, zoals dat ook in bijvoorbeeld Deventer georganiseerd wordt. Vanzelfsprekend doen de eeuwenoude twintigste eeuwse boerderijen in deze landelijke omgeving in niets denken aan het sterk geïndustrialiseerde negentiende eeuwse London van Dickens, maar vooruit. Vroeger is vroeger.

De website van het museum belooft veel moois. Hoewel ik persoonlijk niet houd van splashpagina’s en intro’s die niet zijn te omzeilen, worden achtergrond en doel van het museum helder uiteengezet. De presentatie van de verschillende onderdelen in de vorm van boekkaften is aardig en het gebruik van links naar andere musea, activiteiten in de buurt en youtubefilmpjes laat zien dat men oog heeft voor de context waarin het museum opereert.

Zoals zoveel musea is dit museum begonnen met de passie van een verzamelaar. De passie voor Dickens. De verzameling is zonder meer bijzonder en curieus: brieven, bijzondere uitgaven, diorama’s, levensgrote poppen en filmposters om maar eens een greep te doen. Het materiaal is zowel historisch als modern en heeft de potentie om zowel Dickens en zijn werk als de verering van Dickens door de tijd heen inzichtelijk te maken.  Een deel van de collectie komt uit het inmiddels verdwenen Dickens museum in Rochester. De collectie is indrukwekkend groot. Heel groot.

Tegelijkertijd is er maar weinig ruimte, zoals dat gaat met kleine musea. De herbestemde boerderij biedt een winkeltje, een doorgangzaal naar een theaterzaal en een trap naar de zolder met centrale ruimte, van waaruit je zicht hebt in kleine kamertjes nog wat poppen staan opgesteld.

Deze ruimte is optimaal benut. Of liever maximaal. Het optimum wordt eigenlijk ver overschreden. Werkelijk overal staan, hangen, liggen of klinken stukjes verzameling. Het is voor de bezoeker vrijwel onmogelijk zich van begin af aan een coherent verhaal over de auteur, zijn werk en zijn tijd te vormen. Er lijkt niet te zijn nagedacht over het publiek. Wie dat is, wat ze verwachten, hoeveel ze kunnen opnemen, waar licht nodig is en waar duisternis functioneel is. Als voorbeeld noem ik maar de filmposter van Oliver Twist (versie Polanski). Deze poster hangt drie maal in het museum, waarvan één maal wel zeer gehavend. De aanblik van een leeg stuk muur moet voor de eigenaar een gruwel zijn geweest.

Even tekenend was de “nieuwe aanwinst”: een kijk en luisterspel waarin een robotachtige pop (Dickens?) lijkt te schrijven, terwijl op de achtergrond uit een monospeaker iets Engels klinkt. Wat er precies gezegd werd weet ik niet, maar misschien ligt dat aan mijn beheersing van het Engels. Overigens betwijfel ik dat, aangezien ik vergezeld werd door een Engelse lerares Engels, die evenmin ook maar iets mee kreeg van de voorstelling.

De trots waarmee de nieuwe aanwinst werd gepresenteerd, deed vermoeden dat het een bijzonder museumstuk was. Misschien was het een 19e eeuw eeuwse robot, met een origineel door Dickens ingesproken verhaal. We weten het niet, want van contextualisering was geen sprake.

De enorme hoeveelheid museumstukken, en de aard ervan leiden tot een volgend probleem. Het gebouw en de collectie zijn nauwelijks goed schoon te houden. Er ligt nogal wat stof hier en daar en bijvoorbeeld de trapleuning naar de bovenverdieping was gewoon ronduit smerig. Dit is iets dat de stukken ongetwijfeld niet ten goede zal komen. Het helaas ook geen positieve gevolgen voor de algemene indruk die de bezoeker heeft. De indruk in een opengestelde privécollectie rond te lopen wordt er nogal door versterkt.

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dat de verzameling of collectie vooralsnog geen echt museum is. Men lijkt zich onvoldoende te verplaatsen in haar publiek, of de publieke taak van de instelling. Wie wil mag komen kijken – na het betalen van vijf euro toegang – maar moet meedoen. Er is geen sprake van museale dienstverlening. Zo af en toe bekroop mij zelfs het gevoel dat ik de dienst verleende. Door het betalen van de toegangsprijs financier ik de hobby van de eigenaar, in plaats van een plek waar een werkelijke poging gedaan wordt leken en experts iets bij te brengen over één van de bekendste en belangrijkste westerse schrijvers ooit.

Is het dan allemaal dramatisch? Dat valt best wel weer mee. Een beetje lacherig verliet ik het museum, vooral omdat ik verbaasd was over het contrast tussen mijn verwachtingspatroon op basis van de website en de auteur Dickens en de feitelijke omstandigheden. De collectie heeft zeker potentie, evenals de ongetwijfelde zeer diepgewortelde passie en vermoedelijke creatieve eigenzinnigheid van de eigenaar – Maarten ‘t Hart heeft een mooi verhaal over hem in Dienstreizen van een thuisblijver – de locatie van het museum is optimaal vanwege de constante toestroom van toeristen in Bronckhorst.

Maar om als museum een stap te zetten, moeten keuzes gemaakt worden en het lijkt erop dat dat niet de kracht van de verzamelaar is. Welk verhaal wil je altijd vertellen, welke zaken kunnen met periodieke tentoonstellingen aan de orde worden gesteld? Kan ik schoolklassen binnenhalen en op welke leeftijd richt ik me dan? Zijn er wellicht moderne technieken om de bezoeker mee te verrijken?

De voorlopige uitweg is dat van het postmoderne museum. Zie het als een kijkdepot of een Schaulager. Laat je verbazen door de breedte van de collectie en kies zelf uit waar je van wilt genieten. Stel uiteindelijk je eigen verhalen samen en geniet na – op je eigen manier – in de kroeg tegenover het museum. Dan hoeft er alleen nog maar een stofdoek doorheen.

Vorige afleveringen:

De gelukkige onderwijzer, door Kyra.
Die Graue Stadt am Meer, door G. Drios.
Poeet in de Provence, door Bram Zieck.
Op de bres voor het Fries, door Hanny Wentink.
Oh Jesus Christ, I’m Hit!
La Maison de Balzac
Met Anton Wachter in Harlingen
Weemoedig kijkt Couperus
De Crib van Dirkje Kuik
Polemiek, Burgerhart en pattriotisme