Geen staat zonder vijand

Foto: Afbeelding public domain. The Signing of Peace in the Hall of Mirrors, Versailles door William Orpen (1919, Imperial War Museum). copyright ok. Gecheckt 28-09-2022
Serie:

RECENSIE - ‘Het begrip staat veronderstelt het begrip van het politieke.’ Met deze cryptische zin opent het essay Het begrip politiek, van de Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt (1880-1985). Schmitt heeft een omvangrijk oeuvre achtergelaten, maar dit essay is waarschijnlijk zijn bekendste werk.

Bekend en verguisd. Schmitt was, om het zo maar te zeggen, ‘fout’. Hij deed begin jaren dertig van de vorige eeuw dappere pogingen om zich op te werpen als dé rechtsfilosoof van de nieuwe nationaalsocialistische heilstaat. Maar Het begrip politiek verscheen kort voor Hitlers machtsovername en was geen pluimstrijkerij of een open sollicitatie. Kort daarna heeft hij de tekst nog bewerkt om er een ‘passender’ visitekaartje van te maken, bijvoorbeeld door alle verwijzingen naar Joodse auteurs te verwijderen, maar erg veel heeft dat niet geholpen.

Het begrip politiek trok na een lange periode in de vergetelheid recent weer de aandacht. En gedurende de laatste jaren misschien meer dan ooit, nu het begrip ‘nationale staat’, na dertig jaar Europese eenwording, op vele plaatsen weer van zolder wordt gehaald. En als Schmitt iéts is, dan is het de filosoof van de moderne soevereine staat. En van de politiek die daaraan ten grondslag ligt.

‘Politiek is de kunst van het mogelijke,’ heeft Otto von Bismarck ooit gezegd. (En hij liet tijdens zijn leven zien hoe je het onmogelijke mogelijk kon maken.) Politiek was voor hem haute politique, de omgang tussen staten door middel van diplomatie of oorlog. De staat had in zijn ogen een beperkte taak. Ze zorgde voor rust en orde, opdat het recht en de economie konden bloeien. En dat maakte het weer mogelijk om belastingen te innen, soldaten te rekruteren, en desgewenst ten strijde te trekken.

Maar nog tijdens het leven van Bismarck ontwikkelde de staat zich in een totaal nieuwe, zeg maar totalitaire richting. Ze trok steeds meer taken naar zich toe. Ze reguleerde de economie, het leven van de burger, de kunst en de cultuur. Staat en maatschappij vielen steeds meer samen. En daarmee werd meer en meer ‘politiek’.

Maar wát, zo vroeg Schmitt zich af, was politiek? Wat was het doel van politiek? Waar was de staat voor bedoeld? Niemand had daar goed over nagedacht, vond hij. Terwijl de staat dus steeds machtiger en veelomvattender werd, deed de dominante politieke theorie, het liberalisme, alsof de staat alleen maar een vijand was, een bedreiging voor de maatschappij. Het liberalisme bood met andere woorden geen sluitende theorie van de staat:

De systematische theorie van het liberalisme heeft bijna altijd alleen betrekking op de binnenlandse strijd tegen de staatsmacht en biedt een aantal methoden om deze staatsmacht af te remmen en te controleren ter bescherming ter bescherming van de individuele vrijheid en het privé-eigendom, de staat tot een ‘compromis’ en staatsinstellingen tot een ‘ventiel’ te maken…  (p.81)

Voor Schmitt was dat volstrekt ontoereikend. Het begrip politiek bevat een uitgebreide kritiek op liberale denkers die de staat beschouwden als de zoveelste vrije associatie van burgers, niet fundamenteel anders dan een kerkgenootschap of een vakbond. Om een positieve staatstheorie te grondvesten poneert hij ten eerste het doel van politiek. En daarvoor gebruikt hij een simpele parallelredenering:

Nemen we aan dat op het gebied van het morele de fundamentele onderscheidingen goed en kwaad zijn, op esthetisch gebied mooi en lelijk, op economisch gebied nuttig en schadelijk of bijvoorbeeld rendabel en niet-rendabel. De vraag is dan of er als elementair criterium van het politieke ook een aparte onderscheiding te vinden is die […] toch onmiddellijk voor zichzelf spreekt. En vervolgens is de vraag waarin die onderscheiding dan bestaat. De specifieke politieke onderscheiding waartoe politieke handelingen en motieven herleid kunnen worden, is de onderscheiding van vriend en vijand. (p.37)

Daarmee wil hij niet zeggen dat de politiek een apart aspect is van de moderne samenleving, naast esthetiek, et cetera. Nee, alles is politiek in de moderne samenleving. Wanneer ergens daarbinnen conflicten rijzen, kunnen deze een politiek karakter krijgen:

Het politieke kan zijn kracht ontlenen aan de meest uiteenlopende gebieden van het menselijk leven, aan religieuze, economische, morele en andere tegenstellingen. Het duidt geen eigen domein van de werkelijkheid aan, maar alleen de graad van intensiteit van een associatie of dissociatie van mensen. (p.48)

Waarom koos Schmitt juist voor de fundamentele tegenstelling vriend-vijand? Elders geeft hij de volgende definitie van de taak van de staat:

De functie van een normale staat bestaat primair in het tot stand brengen van een complete pacificatie binnen de staat en zijn grondgebied ‘rust, veiligheid en orde’ te vestigen en daardoor de normale toestand te scheppen, die de voorwaarde is dat rechtsnormen überhaupt van kracht zijn. (p.55)

Hieruit zou je kunnen afleiden dat de taak van de staat, en daarmee het doel van de politiek, bestaat uit het onderscheid maken tussen ‘rust, veiligheid en orde’ enerzijds en ‘onrust, onveiligheid en chaos’ anderzijds. Het vaststellen van wie vriend of vijand is, is slechts een van de vele aspecten van het streven rust en orde te bewaren. Met oorlog als eventuele uiterste consequentie.

Dat onderscheid klinkt in elk geval een stuk vreedzamer. Toch koos Schmitt voor een veel sterkere tegenstelling: vriend versus vijand. Die karakterisering sluit in elk geval aan bij de politiek in de jaren van de Weimarrepubliek, die gekenmerkt werd daar zeer scherpe interne tegenstellingen. Een andere verklaring hiervoor is dat hij teruggrijpt naar de opvatting (die hij in eerdere geschriften al had verdedigd) dat de ideologie van de moderne staat, ontstaan met de Vrede van Westfalen (1648) gemodelleerd was op die van het christendom. De moderne nationale staat die toen ontstond, nam religieuze taken over. Zo bepaalden ze het geloof van de onderdanen/burgers. Maar daarmee nam de staat óók de christelijke tegenstelling over tussen goed en kwaad, in de vorm van de territoriale tegenstelling ‘vriend versus vijand’. Schmitt verwijst ook naar deze oorsprong van de staatsideologie:

De samenhang tussen politieke theorieën en theologische dogma’s aangaande de zonde […]  valt te verklaren uit de verwantschap tussen de uitgangspunten waarop beide vormen van denken zich baseren. (p.75)

Een andere manier om zijn keuze voor ‘vriend of vijand’ te verklaren ligt besloten in het totale karakter van de moderne oorlog. Want ook al gaat het om rust en orde, enkel en alleen de kans op oorlog, op een potentieel verwoestende, totale oorlog, is al voldoende om de politiek te structureren rond het onderscheid vriend of vijand.

Hoe zijn keuze ook tot stand mag zijn gekomen, Schmitt ging daarmee volop in tegen de tijdgeest, die immers doortrokken was van het liberale idee van de ‘afbraak’ van de staat.

Het begrip politiek verscheen in de nadagen van de Weimarrepubliek. In feite functioneerde deze toen al niet meer. De door rechts diep gehate republiek was in veler ogen niet meer dan een poging van de Geallieerden om van het machtige, soevereine Duitsland een pacifistische, democratische vazalstaat te maken. Weimar was het schandalige product van de Vrede van Versailles (1919). Het verslagen Duitsland was daar gedwongen toe te geven dat zíj de zinloze wereldoorlog was begonnen, en moest daarbij buigen voor een nieuwe wereldorde die gebaseerd was op de fictie dat oorlog uitgebannen moest en kon worden. Alle landen moesten hun geschillen voortaan vreedzaam oplossen, bijvoorbeeld via de Volkenbond. Duitsland was verdoemd de verliezer te zijn en te blijven van de laatste oorlog.

Schmitt, en velen met hem, wezen deze visie radicaal af. (Het begrip politiek bevat ook een lange tirade tegen de Volkenbond.) Eeuwige vrede was een dwaas idee. Oorlog was verschrikkelijk maar zou te allen tijde mógelijk blijven. Ze lag immers in het verlengde van het doel van de politiek. (‘Oorlog is enkel de uiterste realisering van vijandschap,’ p.43.) Het verslagen Duitsland kon altijd besluiten om de schandelijke vrede van 1919 aan de kant te schuiven – en als oorlog het resultaat was, dat moest dat maar zo zijn.

Maar de mogelijkheid om een oorlog uit te roepen behoorde enkel en alleen aan de staat. Een theologisch debat kun je vanaf het katheder uitvechten. Een concurrent kun je kapot concurreren. Daarbij hoeft geen bloed te vloeien. Maar als zoiets ‘politiek’ wordt, polariseert de zaak tot de vraag ‘wie is vriend en wie is vijand?’ van de staat, en wordt het een existentieel vraagstuk. Op zo’n moment kan de staat besluiten om het conflict op te lossen ten koste van mensenlevens. Met andere woorden, zij kan besluiten dat de vijand uitgeroeid moét worden omdat deze anders het volk uitroeit. Zij bezit daarmee het unieke gezag levens te mogen offeren:

Er bestaat geen rationeel doel, geen norm, al is ze nog zo juist, geen program al is het nog zo nastrevenswaardig, geen sociaal ideaal al is het nog zo fraai, geen legitimiteit of legaliteit die het rechtvaardigen dat mensen elkaar daarvoor zouden doden. […] Ook ethische en juridische normen vormen geen grond voor oorlog. Bestaan er werkelijk vijanden in de hier bedoelde existentiële zin, dan is het zinvol, maar alleen politiek zinvol, hen zo nodig fysiek af te weren en met hen te strijden. (59)

Over hoe dat besluit tot stand komt, heeft Schmitt niet veel te melden, Maar het is duidelijk dat democratie voor hem niet zaligmakend is. Ook andere systemen kunnen de wil van het volk representeren. Uiteindelijk gaat het om een beslissing van het volk:

Zolang een volk in de sfeer van het politieke bestaat, moet het zelf, al is het maar voor het uiterste geval – en over de vraag of dit zich voordoet beslist het zelf – de onderscheiding tussen vriend en vijand maken. Daarin is het wezen van zijn politieke bestaan gelegen. (60)

Merk op dat Schmitt de nadruk legt op de soevereiniteit van het volk (‘.. beslist het zelf’). Ook hier klinkt de echo door van de schande van Versailles. Niet de overwinnaars, niet de Volkenbond, maar het Duitse volk zélf heeft het recht vast te stellen wie zijn vriend is en wie zijn vijand. En op zulke momenten, wanneer dat besluit helder is, zien we volgens Schmitt de staat in zijn pure, ware gedaante:

Politiek denken en politiek instinct zijn dus zowel theoretisch als praktisch te toetsen aan hun vermogen om vriend en vijand te onderscheiden. De hoogtepunten van de grote politiek zijn tegelijk de ogenblikken waarop de vijand met concrete duidelijkheid als vijand wordt herkend. In de moderne tijd zie ik als de krachtigste eruptie van aan dergelijke vijandschap […] de strijd van Cromwell tegen het papistische Spanje. (p.79)

Schmitt citeert vervolgens de Britse dictator Oliver Cromwell (1649-1658) die de Engelse aartsvijand Spanje ooit (in theologische termen) omschreef als ‘the natural enemy, the providential enemy’. Een merkwaardige maar ook veelzeggende keuze. Voorbeelden te over, zou je zeggen, maar Schmitt kiest voor de Engelse dictator die aan de macht kwam na de onthoofding van koning Karel – een regicide die toentertijd in heel Europa met afschuw vervulde. Dat Schmitt juist hém naar voren schuift als woordvoerder van ‘het hoogtepunt van de grote politiek’ doet onwillekeurig denken aan de voorspelling van Oswald Spengler (1880-1936), de auteur van Der Untergang des Abendlandes, die had geschreven dat de onvermijdelijke neergang van Duitsland en de Duitse beschaving wellicht gekeerd konden worden wanneer er een nieuwe caesar zou opstaan. Wellicht geeft Schmitt hier te kennen dat hij, zoals zovelen, hoopte op een dictator die de verrotte Weimarrepubliek opzij zou schuiven en bereid was om de vijanden van Duitsland aan te wijzen.

Het begrip politiek stuit menigeen tegen de borst. Schmitts grondtegenstelling als basis voor de politiek laat een vieze nasmaak achter. Maar dat maakt de tekst niet minder interessant. Zijn kritiek op de liberale staatstheorie, of beter: het ontbreken van een liberale staatstheorie, is nog steeds relevant. Dat gebrek leidt tot de paradoxale situatie dat liberalen de politieke macht willen veroveren, schijnbaar met als doel om diezelfde macht op te heffen (Ronald Reagans beroemde woorden: ‘The most terrifying words in the English language are: I’m from the government and I’m here to help’) terwijl het machtsbereik van de staat óók onder liberaal bewind alleen maar groter wordt. Zelfs voor hen aan de onderkant van de samenleving neemt de betutteling en regulering alleen maar toe. Schmitt wijst op deze bizarre situatie. In zijn slotbeschouwing bij Het begrip politiek gaat filosoof Theo de Wit uitgebreider in op Schmitts kritiek en ‘de dark side van het westerse liberalisme’.

Maar Schmitts eigen opvatting over politiek is niet los te zien van de heftige emoties na de Vrede van Versailles. Daar had Duitsland de schuld op zich moeten nemen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Alsof andere naties zouden mogen beslissen of een volk of staat zich in een oorlog mag storten. Alsof oorlog voeren voor je voortbestaan een misdaad zou kunnen zijn. Schmitt eist deze soevereiniteit terug, in absolute termen. Hij verwerpt de ‘moderne’ opvattingen die volk en staat binden aan zogenaamde internationale rechtsregels en abstracte opvattingen over ‘wereldvrede’.

Een volk beslist zélf over zijn lot. En het meest extreme besluit is de oorlog. Schmitt eiste dat recht op voor het Duitse volk, maar deed dat in theoretische termen. Hij toont ons daarmee de uiterste consequentie van het begrip soevereiniteit. Een begrip dat met alle spanningen binnen de Europese Unie om een nieuwe invulling vraagt.

Carl Schmitt, Het begrip politiek (Herziene en uitgebreide editie, vertaling George Kwaad, met een inleiding en nabeschouwing van Theo de Wit). Uitgeverij Boom, 24,90 euro.

Reacties (3)

#1 Stoic

Is niet alles “de een tegenover de ander”?
Ik en jij, wij en jullie, is direct confronterend, een praten tegen.
Ik/wij en zij, of ik/wij en hét (een abstractie), is gemaakt confronterend, naar waarheid verteld, of gelogen, een praten over … waar ik/wij de baas over moeten zijn … dat overtuigd moet worden, aan de onnozelen/onwetenden, (als niet direct resultaat?) met overdrevenheden, om ze/het te bestrijden.
Zie het als een spel. (Ik moet nog eens een keer homo ludens lezen).

  • Volgende discussie
#2 Stoic

Maar niet alles is een spel natuurlijk. En het spel kan vals gespeeld worden. Wat de een doet kan grote gevolgen hebben voor andere personen en zaken/situaties, waar men niet gelukkig van wordt.
Er zijn 2 soorten personen gelukkig:
1, Een gezonde baby aan de borst*: 100% gelukkig maar is 100% afhankelijk-van, en 5% vrij zonder hulp en/of goedvinden van anderen. (*wat de Romeinen al wisten).
2, degene die, (even, op een gelukkig moment), de baas-is-over, is even 100% gelukkig, is even 100% vrij zonder hulp en/of goedvinden van anderen.
2′, degene die, (blijvend), de macht-heeft-over, is x% gelukkig en vrij, afhankelijk van zijn gemoedstoestand, …
maar (2 en 2′) zijn een onbekend % afhankelijk van andere personen en situaties.
(kan geluk vrijheid en afhankelijkheid gevisualiseerd worden in %, in een 3 x 60 gradendriehoek?)
(waar komma’s zijn gezet, even wachten, en in staccato lezen.)

  • Volgende discussie
  • Vorige discussie
#3 anoniem

Definieer ‘Het Volk’!

Wat je mist, is dat Schmitt ‘Het Volk’ geen soevereiniteit geeft. In die zin ga je in de laatste alinea echt mis. De soeverein krijgt de soevereiniteit wellicht van het volk, omgekeerd is het niet zo, dat bij uitoefening van de macht, de soeverein altijd de wil van het volk uitvoert. Het gaat om (een vorm van) mandatering.

  • Vorige discussie