Montesquieu Instituut

204 Artikelen
Foto: APB 2026 scherm afbeelding Debat direct Tweede Kamer

De moeizame verhouding tussen oppositiepartijen en het kabinet-Jetten

van Rick van Well

Sinds het aantreden van het minderheidskabinet-Jetten zijn de stemmen van de parlementaire oppositie in de Tweede Kamer van doorslaggevende betekenis. Dat biedt de oppositie vanzelfsprekend kansen: in ruil voor de benodigde Kamersteun kan zij meer invloed uitoefenen dan bij een kabinet met een vaste meerderheid. Tegelijkertijd is de parlementaire oppositie sterk versnipperd en verdeeld.

Besturen of bestrijden?

Zowel voor de linkse als de rechtse oppositie zijn er aanknopingspunten om samen te werken met het kabinet-Jetten, gezien de relatief centrale ideologische positie van de regeringspartijen. Nederland kent bovendien een lange traditie van bereidwilligheid onder politieke elites om samen te werken.

Sterker nog, oppositiefracties wijzen doorgaans relatief weinig regeringsvoorstellen af. In de afgelopen decennia stemde gemiddeld slechts een vijfde tot een kwart van de oppositiekamerleden tegen wetgeving van de regering. Ook uit vraaggesprekken met Kamerleden blijkt dat maar weinig Kamerleden vinden dat het de taak van de oppositie is om een kabinet zo snel mogelijk ten val te brengen.

Toch bestaan er verschillen in opvattingen over de manier waarop oppositie moet worden gevoerd. Dat werd bijvoorbeeld zichtbaar tijdens een debat tussen Geert Wilders (PVV) en Joost Eerdmans (JA21) bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Wilders waarschuwde Eerdmans om niet per dossier met het kabinet te onderhandelen: “Dan krijgt u op onderdelen gelijk, maar op iets anders houdt u een kabinet in stand dat ook precies doet wat uw kiezer niet wil.”

Foto: Eerste Kamer plenaire zaal @ foto: Hans Kouwenhoven en Eerste Kamer

Senatoren als politieke pokerchips

van Simon Otjes

Op 30 augustus kondigde Paul Rosenmöller (PRO) aan niet meer verkiesbaar te zijn bij de volgende Eerste Kamerverkiezingen. Acht jaar lang zat Rosenmöller in de Senaat. Wat heeft hij de afgelopen acht jaar gedaan? Natuurlijk heeft Rosenmöller niet stilgezeten. Als senator diende hij 40 moties in, dwong hij acht toezeggingen af en stelde hij twee vragen. Maar het handwerk van een parlementariër was niet het belangrijkste deel van Rosenmöllers functie: hij was de afgelopen acht jaar met name een belangrijke pokerchip voor Jesse Klaver.

De wet van Noten

De rol van Eerste Kamerleden in Nederland lijkt niet zozeer het maken van een eigen afweging, maar om bij onderhandelingen tussen Tweede Kamerfracties en kabinetten, die sinds Rosenmöllers lidmaatschap van de Eerste Kamer daarin geen meerderheid hebben gehad, als pokerchips te worden ingezet.

De reden hiervoor is dat Eerste Kamerleden vrijwel altijd hetzelfde stemmen als hun collega’s in de Tweede Kamer. In Den Haag staat dit bekend als de Wet van Noten. Dat komt deels omdat Eerste Kamerleden dezelfde opvattingen hebben als Tweede Kamercollega’s van dezelfde partij en vanuit die opvattingen naar wetten kijken. Tegelijkertijd zijn er ook praktischere factoren die een rol spelen: Eerste Kamerleden zijn deeltijdpolitici zonder ondersteuning, die geen tijd hebben om in detail over wetsvoorstellen en begrotingen te onderhandelen. Ze volgen hun collega’s omdat die een geïnformeerd en afgewogen oordeel hebben gevormd.

Foto: Scott* (cc)

Een rechtsstatelijke analyse van de migratiewetgeving van kabinet-Jetten

ANALYSE - van Lieneke Slingenberg

In het regeerakkoord staat de doelstelling de democratie te beschermen en weerbaarder te maken, en te zorgen voor een sterke rechtsstaat. Daarbij onderstreepte minister Van den Brink het belang van zorgvuldige wetgevingsprocessen waarin ruimte is voor gedegen oordeelsvorming. (1) Dat zijn belangrijke voornemens in een tijd waarin de wereld nog niet eerder zoveel landen tegelijk zag autocratiseren. (2) Autocratisering, als onderdeel van democratisch verval, kent een aantal vormen. Eén daarvan is ‘legislative backsliding‘: de ‘disempowerment’ of de ‘deteriorating legislative role’ van de wetgever. In de Nederlandse literatuur wordt dit ook wel aangeduid als de terugtred van de wetgever. In deze bijdrage analyseer ik de beslissingen die het huidige kabinet heeft genomen in lopende wetgevingstrajecten op het gebied van het migratierecht. Is er sprake van autocratisering? Dat wordt getoetst aan de hand van drie technieken: het versnellen van het wetgevingsproces (3); het delegeren van (te) ruim omschreven wetgevende bevoegdheid aan het bestuur en een toenemend gebruik van verzamelwetten (4).

Hoewel deze technieken rechtmatig kunnen zijn, publieke belangen kunnen dienen en niet noodzakelijkerwijs op autocratisering zijn gericht, is het van belang ze als zodanig te identificeren. Ze belemmeren immers zorgvuldige beraadslaging, consultatie en tegenspraak en helpen de regering om de gewenste maatregelen snel en zonder compromis in te voeren. In die zin kunnen zij fungeren als vroegtijdige waarschuwingssignalen van autocratisering en kwetsbaarheden in het constitutionele bestel blootleggen.

Foto: "Dat zit niet snor" by Roel Wijnants is licensed under CC BY-NC 2.0

Je maintiendrai?

COLUMN - van Prof.Mr. Roel Bekker

De vroegere Belgische ambassadeur in Nederland Dirk Achten heeft na zijn pensionering een behartenswaardig boekje geschreven. [1] Hij vergelijkt daarin de bestuursinrichting en bestuurscultuur van Nederland en België. Hij heeft recht van spreken: hij was voor zijn ambassadeurschap jarenlang SG van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken en heeft 10 jaar lang als ambassadeur het openbaar bestuur in Nederland van nabij meegemaakt. Zijn conclusie is dat de overheid in Nederland op veel onderdelen beter functioneert dan de Belgische. Maar er is één uitzondering. Hij is verbaasd over de geringe aandacht in Nederland voor handhaving, zeker in verhouding tot de aandacht die beleid maken krijgt.

Herkenbaar! Van beleid kunnen we niet genoeg krijgen, elk probleem, elk pechgeval leidt tot de roep om beleidsinterventies en een berg aan nieuwe regels. De beleidsdirecties groeien hier dan ook als kool. Maar handhaving van die regels? Héél voorzichtig, niet te snel, veel begrip voor de overtreders, drie keer waarschuwen, eerst een gesprek, veel gedogen en vooral zachtaardig optreden, zelfs bij geweldplegers.

Deze zomer was er over casuïstiek over dit onderwerp niet te klagen. Het begon met de Merwedebrug bij Gorinchem die het een beetje begint te begeven. Dus geen vrachtauto’s meer, aldus Rijkswaterstaat. Degene die dacht dat zoiets heel gemakkelijk is te handhaven, had buiten de waard gerekend! Er moesten eerst camera’s komen en dat duurde een paar weken. Vervolgens bleken buitenlandse vrachtauto’s buiten schot te blijven. Dus bleven er ondanks het verbod dagelijks honderden vrachtauto’s over de brug gaan. Uiteindelijk ging de politie de vrachtauto’s maar aanhouden en verbaliseren. Dat raakte slechts een fractie van de overtreders want zoiets kost een half uur (een half uur!) per vrachtwagen.

Foto: Peter van der Sluijs, CC BY-SA 4.0 , nieuwe gemeenteraad in Nissewaard via Wikimedia Commons.

Van verschil, naar overeenkomst

De volgende bijdrage bestaat uit twee delen: een inleiding van Bert van den Braak, naar aanleiding van Joop van den Bergs boek Geduldig papier. Formeren in stad en land, gevolgd door een reflectie van Martijn Balster vanuit de gemeentelijke praktijk. Dit artikel verscheen eerder in De Hofvijver, een uitgave van het Montesquieu Instituut.

Het vormen van kabinetten en van gemeentelijke colleges zijn belangrijke momenten in het bestuur. Er zijn vaste patronen en veelal informele regels en gewoonten. Emeritus-hoogleraar en, onder meer, oud-hoofddirecteur van de VNG, Joop van den Berg, geeft in het onlangs van zijn hand verschenen boek Geduldig papier. Formeren in stad en land een mooi overzicht van deze processen.

Er zijn overeenkomsten, maar zeker gezien het feit dat er gemeenten met verschillende specifieke kenmerken zijn, zijn er evenzeer verschillen. Zowel landelijk als gemeentelijk deden zich bovendien ontwikkelingen voor. Gemeentelijk was bijvoorbeeld het in 2002 geïntroduceerde dualisme van belang. Niet langer komen de wethouders (uitsluitend) uit de raad. Zowel landelijk als gemeentelijk is er sprake van versplintering – vaak nog meer dan landelijk. Een veelheid van fracties maakt het vormen van colleges lastiger. Landelijk zien we al langer dat formaties een moeizaam en soms maanden durend proces zijn.

Foto: "Charles Montesquieu" by shizhao is licensed under CC BY 2.0

Politiek-ambtelijke verhoudingen onder het minderheidskabinet-Jetten: worden ambtenaren politieker?

COLUMN - van Lars Brummel en Danique François

Onder het kabinet-Schoof kwamen de verhoudingen tussen ministers en ambtenaren onder een vergrootglas te liggen. Op sommige departementen botsten bewindspersonen en bureaucratie met elkaar, wat leidde tot openlijke controverses en bestuurlijke problemen. [1] Met het aantreden van het kabinet-Jetten is een nieuwe politieke periode aangebroken, die door menig ambtenaar met opluchting is verwelkomd. Tegelijkertijd bevindt dit nieuwe minderheidskabinet – het eerste in Nederland sinds 1939 – zich in vrijwel onbekend vaarwater. In zijn beginweken bleek hoe lastig regeren zonder vaste meerderheid in beide Kamers kan zijn. Zo wist minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) met veel moeite steun van een meerderheid van de Tweede Kamer te krijgen voor zijn begroting, nadat zowel linkse als rechtse oppositiepartijen forse kritiek hadden op zijn plannen. [2]

Dat het kabinet-Jetten geen meerderheid heeft in zowel de Tweede als Eerste Kamer, heeft niet alleen gevolgen voor bewindspersonen. Het heeft mogelijk ook consequenties voor ambtenaren. Wat betekent het minderheidskabinet voor de Nederlandse politiek-ambtelijke verhoudingen, nadat deze eerder onder het kabinet-Schoof op scherp zijn komen te staan?

Bestuurbaarheid onder druk?

Tijdens de formatie van het kabinet-Jetten klonk vaak het bezwaar dat een minderheidskabinet zou leiden tot meer politieke instabiliteit. Minderheidsregeringen hoeven echter niet per se instabieler te zijn dan meerderheidsregeringen. Een internationale vergelijkingsstudie naar bijna 500 kabinetten in 30 verschillende landen tussen 1977 en 2019 toonde aan dat minderheidskabinetten gemiddeld net zo lang bleven zitten als meerderheidskabinetten. [3] Hierbij horen ook belangrijke kanttekeningen. Minderheidskabinetten blijken vooral stabiel te zijn als zij vooraf formele en schriftelijke afspraken hebben gemaakt met andere partijen die hen alsnog de steun van een parlementaire meerderheid kunnen garanderen. Bij het ontbreken van zo’n constructie (zoals in het geval van het kabinet-Jetten) bleek een minderheidskabinet juist minder stabiel dan een meerderheidskabinet. Daarnaast brengt een tweekamerstelsel extra moeilijkheden met zich mee voor een minderheidskabinet.

Foto: Andy Armstrong (cc)

Democratische verantwoording, integriteitsrisico’s en grote militaire uitgaven. Een historisch perspectief

COLUMN - van Dr. Ronald Kroeze

Enkele weken voor de NAVO-top berichtte de NOS: “Nederlanders opgepakt voor corruptie bij NAVO-aanbestedingen”. Een aantal functionarissen, waaronder een Nederlands oud-ambtenaar van Defensie was opgepakt vanwege omkoping en fraude bij de aanschaf van militaire drones en munitie.[1] In het belang van het onderzoek zal er de komende tijd weinig over worden bericht. Mede daardoor raken dergelijke voorvallen snel uit beeld. De geschiedenis kent echter veel voorbeelden van integriteitsaffaires rondom grootschalige defensie-uitgaven. Sterker, aanbestedingsprocedures in de defensie- en luchtvaartindustrie behoren samen met offshore-projecten tot de meest corruptiegevoelige.[2] Hoe valt dat te verklaren? En welke inzichten levert een nadere blik op de geschiedenis op?

Deze vragen zijn des te relevanter nu op de onlangs gehouden NAVO-top in Den Haag een historische stijging van de defensie-uitgaven, tot 5% van het BNP, is afgesproken. Dat gebeurt een jaar nadat wereldwijd al de grootste stijging van de defensie-uitgaven sinds de jaren negentig werd geconstateerd.[3] Alleen al in Nederland zullen in de komende jaren tientallen miljarden extra worden uitgegeven aan defensie.[4] Die uitgaven komen bovenop eerdere besluiten voor de aanschaf van fregatten (€ 5-8 miljard) en onderzeeërs (€ 4-6 miljard), evenals munitie en Leopardtanks (€ 1-2,5 miljard) in reactie op de Rusland-Oekraïneoorlog. Een tweede reden om stil te staan bij dit onderwerp is de complexiteit ervan. Uit historische casuïstiek blijkt dat integriteitsrisico’s bij militaire uitgaven niet alleen gaan over simpele vormen van omkoping, maar ook over een inefficiënte besteding van belastinggeld, (on)doorzichtige besluitvormingsprocedures en gebrekkige verantwoording. Bovendien veranderen integriteitsnormen door de tijd heen. Ten derde raakt het onderwerp aan een kernvraagstuk van democratische orde: wat geldt als een (on)verantwoorde inzet van publieke middelen?

Foto: Stadhuis Gorinchem, foto S.J. de Waard, CC-BY-SA-4.0 (via Wikimedia Commons).

Verkiezingsfraude in Gorinchem: een democratische stresstest

COLUMN - van Mariken A.C.G. van der Velden en Bert N. Bakker

De gemeenteraadsverkiezingen van 2026 in Gorinchem trokken landelijke aandacht nadat de verkiezingsuitslag ongeldig was verklaard vanwege onregelmatigheden. Als gevolg daarvan gingen inwoners op 29 april opnieuw naar de stembus.[1] Een herverkiezing is ongebruikelijk [2], maar niet per definitie een teken van systeemfalen. De kwestie in Gorinchem laat juist zien welke rol zelfcorrectie, procedurele transparantie en publieke percepties spelen in het functioneren van democratische verkiezingen.[3] Daarmee raakt de casus aan bredere vragen over democratisch vertrouwen, verkiezingsintegriteit en democratische weerbaarheid.

Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat het vermogen tot correctie een centrale pijler van democratische legitimiteit is (zie Norris, 2014; Levi et al., 2009). Niet de afwezigheid van fouten onderscheidt een robuuste democratie, maar de manier waarop instituties reageren wanneer fouten aan het licht komen. Juist zichtbare correctieprocedures kunnen bijdragen aan vertrouwen in verkiezingen en bestuur.

Toen de onregelmatigheden in Gorinchem aan het licht kwamen, werd de gebruikelijke procedure in werking gezet: de signalen werden onderzocht, de bevindingen bevestigd en de gemeenteraad besloot op 31 maart de uitslag ongeldig te verklaren en nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Deze gang van zaken laat zien hoe de formele waarborgen van het Nederlandse verkiezingssysteem in de praktijk functioneren. Uit onderzoek naar institutioneel vertrouwen weten we dat juist dit soort zichtbare, transparante interventies vertrouwen kan ondersteunen (zie Norris, 2014; Levi et al., 2009). Bestuurders vrezen misschien dat het erkennen van fouten of het ongeldig verklaren van een uitslag het vertrouwen schaadt, maar empirisch zien we eerder het tegenovergestelde. Waar het proces zichtbaar corrigeert, wordt duidelijk dat de spelregels daadwerkelijk worden gehandhaafd. Het alternatief — twijfels laten circuleren of problemen niet benoemen — is op langere termijn schadelijker voor de geloofwaardigheid van het proces dan het herstellen van een fout zelf.

Foto: Monument Universal Links on Human Rights (1995) Tony O'Malley William Murphy (cc)

Kabinet-Jetten: Gooi mensenrechten niet overboord om migratie te beperken

COLUMN - van Lize Glas, Jasper Krommendijk en Annick Pijnenburg

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermt ons al meer dan 70 jaar tegen bijvoorbeeld foltering en discriminatie en beschermt onder andere het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Toch dreigen deze mensenrechten op een Europese top op 15 mei 2026 ten onrechte deels overboord gegooid te worden. Hieraan liggen twee motieven ten grondslag.

Allereerst zou het EVRM, zoals Tweede Kamerlid Boomsma (JA21) eind maart bij Nieuwsuur zei, ‘steeds verderstrekkend geïnterpreteerd’ worden ‘op een manier die nooit door politici zo bedoeld is’ dan toen zij het verdrag opstelden in 1950. Boomsma wees ter illustratie op de klimaatrechtspraak van het Europese Mensenrechtenhof die Zwitserland zou verplichten om miljarden aan klimaat uit te geven. In een motie uit juni 2025 wees onder anderen Boomsma ook met de vinger naar de migratierechtspraak van hetzelfde Hof dat “de ruimte voor het asielbeleid in verregaande mate” zou beperken.

Het EVRM interpreteren zoals in 1950 de bedoeling was, is duidelijk onwenselijk. De opstellers van het verdrag hadden ideeën die de meesten van ons als gedateerd of zelfs racistisch zouden zien. Zo verklaarde Nederland het verdrag niet van toepassing op Nieuw-Guinea omdat de bevolking onvoldoende ontwikkeld zou zijn en hadden de opstellers van het verdrag niet direct vrouwen voor ogen wanneer zij dachten aan mensenrechten. Bovendien voorzagen de opstellers niet in welke context het EVRM nu moet worden toegepast. Zo is het recht op privéleven van toepassing op ‘correspondentie’: brieven in de context van de jaren 50. Als het Mensenrechtenhof dit recht niet van toepassing had verklaard op mails en appjes, zou dit recht nu irrelevant zijn.

Foto: "NATO Secretary General visits the United States" by NATO is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

‘Trumppaaien’ of internationaal recht steunen. Een duivels dilemma?

OPINIE - door Laurien Crump

De presentatie van het jaarverslag van de NAVO donderdag 26 maart, stond in het teken van de steun van de secretaris-generaal aan de onrechtmatige Amerikaans-Israëlische oorlog in Iran. Het leek wel een déjà-vu van de NAVO-top in juni vorig jaar, toen de Amerikaanse bombardementen op Iran alle persconferenties domineerden. Wederom heeft een roekeloze actie van Trump de NAVO op 1-0 achterstand gezet. Wederom zoekt Rutte zijn heil in het alles op alles zetten om Trump gunstig te stemmen. Waar het aan de vooravond van de NAVO-top beperkt bleef tot Whatsappjes vol met lof, zei de NAVO-chef dit keer op Amerikaanse televisie dat de Amerikanen Trump moesten steunen, omdat hij onze veiligheid waarborgt. En dat een dik half jaar voor de Amerikaanse midterm-verkiezingen. Internationale media tuimelen over Rutte heen met kritiek. De NAVO-secretaris generaal hoort immers de stem van alle NAVO-landen te laten horen (inclusief de kritische premier Sánchez) en steunt hiermee verdere afbreuk van internationaal recht.

In de Nederlandse media is er een ander debat losgebarsten. Behalve alle kritische geluiden zijn er ook journalisten die de kritiek op Rutte als ‘gemakzuchtig’ bestempelen en beargumenteren dat Rutte geen andere keus heeft. Het is Ruttes taak om de Amerikanen – koste wat kost – binnenboord te houden; zonder de Amerikanen is er geen NAVO meer en zonder Amerikaanse steun zou Oekraïne verloren zijn. Het debat wordt geframed als een tegenstelling tussen ‘principes’ (de critici) en ‘pragmatisme’, tussen ‘gemakzucht’ en ‘politiek vernuft’, en tussen internationaal recht en internationale veiligheid. Natuurlijk wordt Rutte geconfronteerd met een duivels dilemma en is hij bepaald niet de enige die voor Trump buigt. Hetzelfde geldt voor de Tweede Kamer: een motie om de oorlog in Iran te veroordelen als ‘een schending van het internationaal recht’ werd alleen door de indieners gesteund (DENK, GroenLinks-PvdA, SP, PvdD en Volt).[1] De geschetste tegenstelling tussen principes en pragmatisme is echter een valse tegenstelling.

Foto: Markus Winkler on Unsplash

Waarom screenen we ministers en staatssecretarissen zo anders dan wethouders?

Door Niels Karsten

Het vertrek van Nathalie van Berkel als kandidaat-staatssecretaris en Tweede Kamerlid na ophef over haar cv riep de nodige vragen op over de screening van politieke ambtsdragers. De casus laat zien dat het verstandig is om ministers en staatssecretarissen een gedegen risicoanalyse integriteit te laten doorlopen, in plaats van een vrijwillig zelfassessment. Bij bijna alle wethouders gebeurt dat al wel. Sowieso is de screening van wethouders wezenlijk anders ingericht dan die van bewindslieden. De verschillen zijn echter lang niet altijd even consistent doordacht.

Het uitgangspunt bij de screening van politieke ambtsdragers in Nederland is dat de democratie haar werk moet kunnen doen: de kiezer bepaalt wie hem vertegenwoordigt, en de volksvertegenwoordiging kiest vervolgens haar uitvoerend bestuurders. Beiden worden daarbij zo min mogelijk beperkt. De screening van politieke ambtsdragers is daarom in de basis relatief licht. Zo zijn politieke functies grondwettelijk uitgesloten van veiligheidsonderzoek, op basis waarvan ambtenaren die een risico vormen voor de nationale veiligheid een functie kan worden geweigerd. Voor zover er screening plaatsvindt, heeft die vooral een adviserende functie: ze brengt integriteitsrisico’s in kaart en maakt betrokkenen daarvan bewust maar houdt niet tegen dat iemand de betreffende functie alsnog gaat vervullen. Dat zou namelijk een inperking zijn van het grondwettelijk geborgde actieve en passieve kiesrecht . In reactie op integriteitskwesties uit het verleden heeft zich evenwel een rijke screeningspraktijk ontwikkeld rond politieke ambtsdragers, met zowel formele als meer informele instrumenten. Die komt de bestuurlijke integriteit ten goede, maar creëert tegelijk grote en fundamentele verschillen tussen bestuursniveaus. Die verschillen zijn lang niet altijd bewust gecreëerd en de betekenis en gevolgen ervan zijn vaak niet consistent doordacht. Dat punt laat zich goed illustreren aan de hand van wethouders.

Foto: "Non-violence" by riacale is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

Het Nederlands belang en de internationale rechtsorde

COLUMN - van Mr. Drs. Kees Homan

Terwijl inkomende raketten dood en verderf zaaien onder onschuldige Iraanse burgers hield een bijzonder assertieve Tweede Kamer op 12 maart 2026 een debat, waarin onze grondwettelijke bevordering van de “internationale rechtsorde” en “internationaal recht” centraal stonden.

Minister van Buitenlandse Zaken, Tom Berendsen, had eerder op 2 maart 2026 in de Tweede Kamer al laten weten wel “begrip” te kunnen opbrengen voor de aanvallen op Iran. Op de vraag of die aanvallen in strijd zijn met het internationaal recht antwoordde hij op 12 maart 2026 in de Kamer: “Dat is niet aan mij om te beoordelen,”. “Dit kabinet vindt het internationaal recht belangrijk,” voegde hij daar nog aan toe. “Tegelijkertijd wil ik ook eerlijk zijn dat het internationaal recht niet het enige kader is dat je op deze situatie kunt leggen.” We moeten een meer realistische koers varen, zei hij, en daarin is maar beperkt ruimte voor het internationaal recht. Want uiteindelijk draait het, zo zei hij, om het “Nederlands belang in het buitenland” terwijl we “door de mist van de nieuwe wereldorde varen”.

Hoewel het internationaal recht cruciaal is voor het voorkomen van conflicten en het reguleren van grensoverschrijdende kwesties, staat de naleving ervan in de huidige politieke context dus vaak onder druk.

Volgende