De moeizame verhouding tussen oppositiepartijen en het kabinet-Jetten
van Rick van Well
Sinds het aantreden van het minderheidskabinet-Jetten zijn de stemmen van de parlementaire oppositie in de Tweede Kamer van doorslaggevende betekenis. Dat biedt de oppositie vanzelfsprekend kansen: in ruil voor de benodigde Kamersteun kan zij meer invloed uitoefenen dan bij een kabinet met een vaste meerderheid. Tegelijkertijd is de parlementaire oppositie sterk versnipperd en verdeeld.
Besturen of bestrijden?
Zowel voor de linkse als de rechtse oppositie zijn er aanknopingspunten om samen te werken met het kabinet-Jetten, gezien de relatief centrale ideologische positie van de regeringspartijen. Nederland kent bovendien een lange traditie van bereidwilligheid onder politieke elites om samen te werken.
Sterker nog, oppositiefracties wijzen doorgaans relatief weinig regeringsvoorstellen af. In de afgelopen decennia stemde gemiddeld slechts een vijfde tot een kwart van de oppositiekamerleden tegen wetgeving van de regering. Ook uit vraaggesprekken met Kamerleden blijkt dat maar weinig Kamerleden vinden dat het de taak van de oppositie is om een kabinet zo snel mogelijk ten val te brengen.
Toch bestaan er verschillen in opvattingen over de manier waarop oppositie moet worden gevoerd. Dat werd bijvoorbeeld zichtbaar tijdens een debat tussen Geert Wilders (PVV) en Joost Eerdmans (JA21) bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Wilders waarschuwde Eerdmans om niet per dossier met het kabinet te onderhandelen: “Dan krijgt u op onderdelen gelijk, maar op iets anders houdt u een kabinet in stand dat ook precies doet wat uw kiezer niet wil.”