Politieke partijen kunnen we echt niet missen
Als ze niet bestonden, zouden ze moeten worden uitgevonden. Politieke partijen zijn nodig om de politiek gaande te houden: een staatsbestel op democratische basis is niet wel denkbaar zonder vitale, goed functionerende partijen. Nog steeds niet. Dat schrijven Jan Schinkelshoek en Gerrit Voerman bij de start van een serie artikelen over de Nederlandse politieke partijen.
Toegegeven: het is een boud vertrekpunt voor een zoektocht langs het Nederlandse partijwezen. Maar het kortstondige, mistroostige avontuur met het kabinet onder leiding van de – partijloze – premier Dick Schoof is misschien wel het beste bewijs voor die stelling.
Het was een kabinet bestaande uit vier partijen waarvan er slechts eentje een gevestigde, zelfs doorgewinterde partij mocht heten: de VVD. De andere drie, PVV, NSC en BBB, zijn/waren gemankeerde, onvolgroeide partijen, partijen die zich op z’n best nog moesten bewijzen. Het bestond uit ministers en staatssecretarissen die voor een belangrijk, zelfs gezichtsbepalend deel, laten we zeggen, onervaren waren. Het werd geleid door een premier die geen wortels had in een politieke partij. En het had een regeringsprogramma dat meer een ruwe optelsom van loshangende en zelfs tegenstrijdige wensen en belangen was, geen uitwogen beleidsprogramma. Binnen het kabinet had men ook zelf kennelijk geen idee waar men aan begonnen was, wat men wilde en hoe het kon worden gerealiseerd. Waarschijnlijk – nieuwe boude stelling – heeft het ontbreken van een stevige partijpolitieke basis bijgedragen aan het voortijdig inzakken van die constructie.