Wederom een bijdrage van Paul Teule.
Zondag zat Alexander Rinnooy kan bij Buitenhof. Het ging over de SER, maar ook over zijn stokpaardje: de kenniseconomie. Nederland dreigt haar status als “duurzame, toonaangevende kenniseconomie” te verspelen als er voor 2020 niet jaarlijks tot 12 miljard euro privaat en publiek geld extra in onderzoek en innovatie wordt gestoken. Eerder dit jaar leidde hij al een brede coalitie van vakbonden, bedrijven en onderwijsinstellingen, die beweerde dat Nederland voor 7-10 miljard euro op jaarbasis zou kunnen toetreden tot de wereldwijde top 5 van “hoogwaardige kennislanden”. Nederland zou net als Zweden en Finland minstens 3% van haar BBP in kennis en innovatie moeten steken. Nu nog zit Nederland op een schamele 1,7%, zelfs onder het Europese gemiddelde van 1,9%.
OK, ik ben te autoriteitsgetrouw, maar als Neerlands meest invloedrijk burger, met zo’n brede maatschappelijke achterban, die dit als oud-bankier en hoogleraar wiskunde goed doorrekent, zoiets bepleit, dan betekent dat toch iets?
Daar denk Rutte 1 toch anders over. Wat nodig is maakt het bedrijfsleven zelf wel uit. Het probleem met de Nederlandse kenniseconomie zit enkel in het achterblijven van private investeringen, en niet van de publieke. Het bedrijfsleven moet “de ruimte” krijgen om te investeren. Dus: vennootschapsbelasting omlaag en meer belastingaftrek voor onderzoekers en in ruil daarvoor: aardgasbaten naar de staatschuld, weg met de innovatiesubsidies en groene investeringssteun. Niet alleen dromerige Groenlinksers zijn verbolgen, ook volgens CDA Eerste Kamerlik Rein Willems, die net een brandbrief namens technologische topinstituten naar Minster Verhagen schreef, beschadigt dit beleid de “ruggengraat van de Nederlandse kennnisinfrastructuur”.