Afsplitsingen, fractiediscipline, en de publieke opinie

ANALYSE - Een gastbijdrage van Tom van der Meer, eerder verschenen op Stuk Rood Vlees.

Voor de tweede keer in twee weken neemt een oppositiepartij afscheid van een zittend Kamerlid en de daaraan verbonden Kamerzetel. En dat nog wel tijdens het parlementair reces. De wijze van deze afsplitsingen verschilt echter flink.

Het eerste geval was Femke Merel van Kooten-Arissen, die vorige week uit de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Dieren stapte om als zelfstandig Kamerlid verder te gaan. Daarop is ze door haar partijbestuur geroyeerd als lid van die partij. Het tweede geval is Henk Otten, die afgelopen woensdag door het Forum voor Democratie uit de partij werd gezet, en vervolgens op Twitter reageerde dat hij zijn zetel in de Eerste Kamer zal behouden. Dat hij lid zal blijven van de FvD-fractie in de Eerste Kamer is evenwel zeer onwaarschijnlijk.

Over afsplitsingen is al veel geschreven, ook door wetenschappers in interviews, blogs en boeken.

Afsplitsingen zijn politieke partijen een doorn in het oog, maar zonder grondwetswijziging niet te verbieden. De ultieme uitvlucht van een afsplitsing zou bovendien een noodzakelijk tegenwicht zijn tegen de nu al dwingende fractiediscipline.

Maar in deze publicaties is nauwelijks gekeken naar de publieke opinie over afsplitsingen. Het Nationaal Kiezersonderzoek van 2017 biedt een inkijkje in de opvattingen van kiezers hierover.

Tegen afsplitsingen

Twee vragen zijn in dit kader interessant. De meest evident relevante stelling uit het NKO 2017 luidt: “Tweede Kamerleden die uit hun partij stappen, moeten hun zetel teruggeven aan de partij en mogen niet in de Tweede Kamer blijven zitten.” Deze sluit beter aan op de casus Van Kooten-Arissen / PvdD (die immers zelf uit de fractie stapte) dan op de casus Otten / FvD (die uit de partij werd gezet en bovendien in de Eerste Kamer zetelt).
© Stuk Rood Vlees Tom van der Meer Afsplitsing 1

We zien dat onder Nederlandse kiezers grote steun bestaat voor de norm dat afsplitsers hun zetel moeten opgeven.Maar liefst 81% van de Nederlanders steunt die norm, slechts 6% wijst deze expliciet af.

Maar ook tegen fractiediscipline

Een tweede stelling uit het NKO 2017 luidt: “Tweede Kamerleden moeten vrij zijn om te stemmen zoals zij willen, ook als dat afwijkt van anderen in hun partij.” Ook deze sluit beter aan op de casus Van Kooten-Arissen / PvdD (die naar eigen zeggen gemotiveerd werd door fractiedruk) dan op de casus Otten / FvD (die volgens de eerste het gevolg is van een richtingenstrijd, en volgens de tweede het gevolg is van financieel wangedrag).
© Stuk Rood Vlees Tom van der Meer Afsplitsing 2

Onder Nederlandse kiezers bestaat eveneens grote steun voor stemmen zonder fractiediscipline: 64% is het eens met de stelling; 11% wijst deze af.

Geen dilemma

Ruime meerderheden van de bevolking zijn dus tegen fractiediscipline en tegen afsplitsingen. Sterker nog, op individueel niveau zien we eveneens een positieve correlatie. Dat wil zeggen dat kiezers die bovenmatig tegenstander zijn van fractiediscipline vaker ook bovenmatig tegenstander zijn van afsplitsingen – en vice versa. Deze samenhang is niet sterk, maar blijkbaar worden de twee opvattingen door veel kiezers niet beschouwd als een dilemma.

Dat is overigens niet onterecht: de hoge mate van fractiediscipline in Nederland is ten dele ingegeven door een politieke cultuur en mediaomgeving die niet vanzelfsprekend hoeven te zijn.

PvdD- en FvD-sympathisanten

Hoe zit dit onder PvdD- en FvD-sympathisanten? In het NKO van 2017 is het aantal daadwerkelijke stemmers op die partijen relatief klein. Daarom onderscheid ik hier groepen kiezers op basis van de door henzelf gerapporteerde kans dat ze in de toekomst ooit op respectievelijk PvdD en FvD zullen stemmen. Die kans kan laag zijn (score 1 tot 4), middelmatig (5 of 6) of hoog (7 tot 10).
© Stuk Rood Vlees Tom van der Meer Afsplitsing 3

Potentiële kiezers van de Partij van de Dieren wijken niet wezenlijk af van het nationale gemiddelde in hun steun voor beide stellingen. Dat geldt wel voor potentiële kiezers van het Forum voor Democratie. Zij zijn zowel stelliger tegen fractiediscipline als stelliger tegen afsplitsingen.

Alleen al om begrip op te wekken voor het behoud van zijn Kamerzetel na zijn royement van het FvD doet Henk Otten er daarom verstandig aan zijn onenigheid met het FvD-bestuur te framen als een richtingenstrijd.

  1. 1

    Als er geen fractie-discipline is, maakt het ook niet meer uit of iemand de fractie uit stapt.
    En dan maakt het ook niet uit of iemand die de fractie uit stapt, zijn zetel houdt.

    Dus ik vind tamelijk kortzichtig om tegen fractie-discipline te zijn, maar wel te eisen dat vertrekkende politici hun zetel aan de partij teruggeven.

  2. 2

    Overigens denk ik dat “dissidente” fractieleden vaak ook het standpunt van een deel van de achterban vertolken.
    Dat is voor mij een reden om tegen fractiediscipline te zijn, en daarom vind ik dat parlementsleden die hun fractie verlaten, hun zetel houden mogen.

  3. 4

    @2 Precies. Deze discussie gaat m.i. veel meer over de manier waarop het regeerakkoord tot stand komt. Ik ben dan ook benieuwd naar de mate waarin kiezers er wel of niet mee eens zijn dat regeerbeleid in de 2e kamer tot stand moet komen, met populaire steun, of als resultaat van een spelletje kwartetten buiten het zicht van de camera’s.

    De opvatting van kiezers op dit punt mis ik. In het ideale geval, “zonder ruggespraak” e.d., zullen dissidenten nog steeds ideologisch meeleunen/stemmen met de partij. Dissidenten worden echter gevreesd er geen duidelijke meerderheid is voor bepaalde zaken in het regeerakkoord, en dissidente kamerleden vrij zijn om zuiver de wens van (dat deel van) de achterban te vertegenwoordigen, waarmee een dichtgetimmerd regeerakkoord op losse schroeven komt te staan.

  4. 5

    @1: Precies.

    Ik snap dan ook de uitkomst van het onderzoek niet. Ik ben zelf erg tegen fractiediscipline. Het zorgt er n.l. voor dat politici geen individuen meer zijn, dus waarom zou je op personen stemmen?

    Het is ook niet te verdedigen als het gaat om standpunten innemen. Als ik een partij-X stemmer zou zijn, dan weet ik (of kan ik herleiden) op basis van partijprogramma’s en andere uitingen van de partij hoe hun kamerleden zullen stemmen op pakweg 2/3 deel van moties. De rest is onbekend en dat is inherent met de complexiteit van alles wat er langs komt. Als kamerleden over dat soort zaken, die moeilijk of niet via de partij-ideologie te benaderen vallen niet eens hun persoonlijke stem mogen geven, dan is dat niet uit te leggen aan de kiezer. Nou ja, behalve door te zeggen dat je erg voor discipline gaat. Iets voor PVV en FvD dan hooguit.

    Vervolgens los je mogelijke interne frictie op, als geregeld die fractiediscipline losgelaten zou worden.

    En is het niet zo dat de afgesplitste kamerleden tot nog toe heel erg dicht blijven zitten bij hun oorspronkelijke partij, met hun stemgedrag? Dus waar hebben we het over?

  5. 6

    @1: Wat is “fractie discipline” alleen stemgedrag OF woordvoeder mogen zijn, mate van ondersteuning, recht om vragen te stellen, moties indienen …?

  6. 7

    Ben erg voor ‘programmadiscipline’: als je op een bepaald programma gekozen bent moet je je daar ook aan houden. Bij onderwerpen waar het programma geen uitsluitsel geeft voor het in te nemen standpunt moet er ruimte zijn voor individuele verschillen.

    Wie overtuigend kan aantonen dat de fractiemeerderheid afwijkt van van het programma mag van mij zijn of haar zetel behouden om onafhankelijk alsnog dat programma uit te voeren waar de partij stemmen voor heeft gekregen. Bij andere interne fractieconflicten zou iemand die niet zelfstandig de kiesdrempel heeft gehaald zijn of haar zetel moeten inleveren.

  7. 8

    Als ik het goed begrijp hebben ze in Limburg een extraparlementaire college waarbij telkens gezocht moet worden naar meerderheden. In de praktijk zal dat anders gaan. Maar het idee is mooi. Geen voorgekauwd dingen. Want ik beschouw die parlementariërs van coalitie partijen als gehandicapt. Overigens ook bij partijen in de oppositie waar het eigen initiatief uit handen wordt geslagen door het partijprogramma wat veel te strak is geformuleerd.

  8. 9

    @7: “Wie overtuigend kan aantonen” ??
    Voor zichzelf zal die overtuiging er best zijn, voor de rest van de fractie nooit. Wie krijgt door wie gelijk?