Dit akkoord is in veel opzichten precies wat je van D66 mag verwachten wanneer het vooral door rechtse partijen wordt omringd: progressieve taal, institutionele zorgvuldigheid en morele accenten, maar verpakt in een beleidsstructuur die fundamenteel liberaal blijft. D66 mag het verhaal menselijker maken, maar niet richtinggevend, en de partij laveert handig mee met rechts beleid. Als je had gehoopt op iets meer tegenwicht tegen marktdenken, dan kom je bedrogen uit.
Wie het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA leest, kan zich laten meeslepen door woorden als ‘samen’, ‘vertrouwen’, ‘gemeenschapszin’ en ‘kansen voor iedereen’. Het klinkt als een kabinet dat de scherpe randjes van de afgelopen jaren wil bijvijlen. Alsof drie partijen elkaar in het centrum van de macht hebben gevonden en daar gezamenlijk een nieuw sociaal contract hebben gesmeed. Wie iets langer leest, ziet iets anders.
Dit akkoord is in de kern geen compromis tussen drie gelijkwaardige visies. Het is een liberaal programma met wat progressieve correcties en een christendemocratische strik erop. De motor draait op VVD-brandstof. D66 mag af en toe bijsturen. Het CDA mag zorgen dat niemand zich helemaal verlaten voelt.
De economie als moreel kompas
Vrijwel elk sociaal probleem in dit akkoord wordt vertaald naar een economisch vraagstuk. Armoede wordt een participatieprobleem. Wonen wordt een aanbodprobleem. Integratie wordt een arbeidsmarktprobleem. Onderwijs wordt een productiviteitsprobleem. Zelfs bestaanszekerheid wordt uiteindelijk gekoppeld aan inzetbaarheid.
De centrale belofte is steeds dezelfde: wie meedoet, wordt beloond. Wie werkt, krijgt zekerheid. Wie leert, krijgt kansen. Wie zich aanpast, hoort erbij. Dat klinkt redelijk, tot je beseft wat ontbreekt: een serieus idee van herverdeling, machtscorrectie of structurele ongelijkheid.
Vermogen blijft buiten beeld. Erfelijkheid van kansen blijft buiten beeld. Machtsposities op de woningmarkt blijven grotendeels intact. Ongelijkheid wordt niet bestreden, maar gemanaged.
Dat is klassiek VVD-denken. Problemen los je niet op door structuren te veranderen, maar door mensen beter in die structuren te laten functioneren.
Wonen: bouwen, bouwen, bouwen
De wooncrisis is het meest sprekende voorbeeld. Het akkoord belooft massale bouw, versnelde procedures en minder bezwaar. Dat klinkt daadkrachtig. Het betekent vooral: minder bescherming voor omwonenden, minder invloed voor gemeenten, minder barrières voor investeerders, en een oplossingsrichting die door de meeste experts als ineffectief wordt bestempelt.
Sociale huur krijgt een plek, maar tegelijk worden inkomens- en vermogenstoetsen aangescherpt. Bescherming tegen opkoop wordt ingeperkt. Het investeringsklimaat moet vooral ‘verbeteren’.
De onderliggende boodschap is helder: de markt moet weer kunnen ademen. Als dat lukt, sijpelt betaalbaarheid vanzelf wel door. Dat is geen progressieve woonpolitiek. Dat is marktoptimisme met sociale bijsluiter. En iets wat de afgelopen decennia nadrukkelijk niet heeft gewerkt.
Sociale zekerheid als doorstroommachine
Ook de sociale zekerheid wordt niet gezien als zelfstandig recht, maar als transitieruimte. Uitkeringen zijn tijdelijk. Ondersteuning is conditioneel. Begeleiding gaat samen met controle. Vertrouwen gaat samen met sancties.
De Participatiewet wordt ‘menselijker’, maar blijft activerend. Integratie wordt ‘ondersteund’, maar blijft verplicht. Gezinnen worden geholpen, zolang ze economisch zelfstandig worden.
Het systeem is ingericht als een doorstroommachine: iedereen moet richting arbeid. Wie dat niet kan, mag even pauzeren. Wie te lang stilstaat, wordt aangespoord.
Ook dat is VVD-logica: sociale zekerheid is een smeermiddel voor de arbeidsmarkt, geen correctie daarop.
D66: kompas zonder richting
D66 is in de details wel duidelijk aanwezig. In de passages over rechtsstaat, discriminatie, vrouwenrechten, LHBTI+, onderwijs en klimaat herken je hun handschrift.
Er komt constitutionele toetsing. Er komt een steviger antidiscriminatiebeleid. Er is aandacht voor femicide. Dat zijn geen details, maar ze bepalen nergens de hoofdrichting. Er is ambitie op klimaat, maar dat moet ‘groene groei’ zijn. Onderwijs moet ‘arbeidsmarktrelevant’ zijn. Gelijkheid moet ‘meedoen’ betekenen.
D66 mag waarden leveren. De VVD bepaalt wat ermee mag gebeuren. Het resultaat is progressieve taal in een liberaal frame.
CDA: decor van gemeenschapszin
Het CDA is het minst zichtbaar. Je vindt het terug in passages over verenigingen, vrijwilligers, buurthuizen en ‘samenredzaamheid’. In de landbouwparagraaf. In de gezinstaal.
Dat zorgt voor een warme achtergrond. Voor het gevoel dat er nog iets bestaat tussen markt en staat. Dat Nederland meer is dan een verzameling zelfstandigen en zelfredzamen met een DigiD.
Maar ook hier: alles blijft achtergrond. Er is geen uitgewerkte visie op solidariteit. Geen structureel beleid om gemeenschappen te versterken. Geen correctie op marktwerking vanuit sociale verbanden.
Het CDA mag sfeerbeheer doen.
Het mensbeeld onder het akkoord
Het meest onthullend is niet wat er staat, maar wat verondersteld wordt. De ideale burger in dit akkoord is: hoogopgeleid of bijscholend, flexibel inzetbaar, financieel zelfstandig, bereid zich aan te passen en productief tot op hoge leeftijd.
Wie zo is, krijgt bescherming. Wie daarvan afwijkt, krijgt begeleiding. Wie structureel buiten dat profiel valt, blijft probleemgeval. Dat is geen sociaal-democratisch mensbeeld. Geen christendemocratisch mensbeeld. Dat is het liberale ideaal van de zelfredzame marktburger. Een ideaal dat, net als de oplossing voor de woningmarkt, ook al decennia achterhaald is.
Dit is geen middenkabinet. Het is een liberaal kabinet met progressieve randvoorwaarden en een sociale verpakking. De machtsverdeling is zichtbaar in elke beleidslaag: De VVD levert de structuur. D66 en het CDA leveren een beetje moraal en de legitimatie. In percentages: ongeveer zestig procent VVD, dertig procent D66 en tien procent CDA.
Wat ontbreekt
Wat ontbreekt is een verhaal over macht. Over wie profiteert van bestaande structuren. Over wie structureel achterblijft. Over hoe ongelijkheid zichzelf reproduceert.
Er is geen ambitie om vermogensconcentratie aan te pakken. Geen fundamentele herziening van de woningmarkt. Geen herverdelingsagenda. Geen breuk met het idee dat economische groei vanzelf sociale vooruitgang oplevert.
Het akkoord belooft rust, orde en efficiëntie en grijpt terug op oude verhalen, in een wereld die in toenemende mate niet meer gelooft in wat vroeger was en werkte.
Uitvoerbaarheid boven visie
Dit coalitieakkoord is netjes, coherent en bestuurbaar. Het vermijdt ideologische confrontatie. Het kiest voor uitvoerbaarheid boven visie. Voor management boven politiek. Daarmee past het perfect in de VVD-traditie van technocratisch liberalisme: een sterke staat die markten faciliteert, burgers activeert en conflicten depolitiseert. D66 mag het geweten leveren. Het CDA mag het hart leveren. Maar uiteindelijk bestuurt de VVD.
Wie had gehoopt op een iets socialer resultaat, door een duidelijk stempel van waar D66 voor zou kunnen en moeten staan, leest vooral een efficiënt voortzettingsbeleid. In een nieuw jasje weliswaar, en met iets vriendelijkere woorden. Niet iets waar vele D66-stemmers op hoopten, vermoed ik zo.
Ik wens D66 alvast een prettige decimering toe, de komende verkiezingen.