Je hebt kabinetsmotto’s en kabinetsmotto’s. Van de weidse ambitie van “Samen werken, samen leven” tot de technocratische mildheid van “Bruggen slaan”, de taal van kabinetten probeerde altijd iets groots te suggereren. Besturen als morele missie. Politiek als verheven project.
En toen kwam: “Aan de slag”. Yay.
Geen belofte. Geen toekomstvisie. Geen samen. Geen vertrouwen. Geen verantwoordelijkheid. Alleen dit. Een zin die ook op een bouwbord langs de A7 had kunnen staan. Of op een vergeeld A4’tje in een buurtcentrum. Of op een koffiemok van een middelmatig consultancybureau.
“Aan de slag”. Alsof Nederland een half afgemonteerde Billy-kast is en iemand eindelijk heeft besloten de inbussleutel te pakken. Met frisse tegenzin uiteraard.
Managementtaal op zijn kaalst
Eerdere kabinetten probeerden het nog. “Samen werken, samen leven” wilde harmonie uitstralen. “Vrijheid en verantwoordelijkheid” probeerde ideologie te verkopen als morele noodzaak. “Vertrouwen in de toekomst” was waarschijnlijk een collectief verzoek om vooral niet te kritisch te kijken naar wat er in het nu misging. “Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst” was bestuurlijke multitasking in één zin.
Allemaal vaag. Allemaal leeg. Allemaal marketing. Natuurlijk. Maar ze deden tenminste nog alsof er een idee achter zat.
“Aan de slag” doet dat niet eens meer. Dit is managementtaal in zijn meest uitgeklede vorm. Geen verhaal, geen kader, geen richting. Alleen activiteit. Beweging. Drukte. Iets doen. Maakt niet uit wat.