Voor allerarmste landen is WTO zo slecht nog niet

ANALYSE - De Wereldhandelsorganisatie (WTO) is in crisis. Z0 beginnen in elk geval de meeste artikelen en commentaren die de afgelopen weken over de organisatie zijn verschenen. En dat is ook wel terecht, want er zijn grote verschillen in de onderhandelingsposities van de belangrijke machtsblokken.

De VS staan bijvoorbeeld lijnrecht tegenover de “Cotton Four”; de vier West-Afrikaanse katoen producerende landen (Benin, Burkina Faso, Tsjaad en Mali), die af willen van de markt verstorende subsidies aan Amerikaanse katoenboeren.

In het centrum van de aandacht staat echter het voorstel van India. In misschien wel de grootste campagne tegen honger en voor voedselzekerheid in het land sinds jaren, wil India meer ruimte om haar eigen landbouw te subsidiëren. Volgens veel landen leidt de steun echter tot serieuze marktverstoringen, waar rijstimporterende landen de dupe van kunnen worden. Uitgerekend aartsvijand Pakistan zou het Indiase voorstel in de WTO kunnen blokkeren en er gaan steeds meer stemmen op in India om desnoods de WTO maar te verlaten als de Indiase handelsminister niet een beter handelsresultaat mee naar huis kan nemen.

Het Indiase voorstel lijkt overigens allerminst onredelijk, want zelfs als India haar landbouw gaat subsidiëren, zal de totale steun die het land aan haar boeren zal geven nog maar een fractie zijn van hetgeen een land als de Verenigde Staten aan haar eigen boeren geeft. En ook Europa heeft boter op haar hoofd als ze India bekritiseert: de Europese steun mag dan onder allerlei ingewikkelde constructies vallen, die wel worden toegestaan door de WTO (subsidies die volgens de definities van de WTO niet-marktverstorend zijn), maar leg maar eens uit aan een boer uit Bangladesh waarom zijn Europese en Amerikaanse collega’s elke maand wel ondersteuning ontvangen, terwijl hij dat niet krijgt. Waarom niet? Omdat de WTO dat niet zou toestaat en in dat kader is het wrang dat het uitgerekend de Verenigde Staten is die de Indiase staatsteun bij een WTO-panel aanhankelijk maakte.

De Doha Development Agenda

Laten we eerst maar eens even teruggaan in de tijd. De huidige WTO-ronde is in 2001 gestart: in Doha in Qatar probeerde men de mislukte onderhandelingen van de ministeriële bijeenkomst in Seattle weer op te pakken. Seattle was een absolute ramp voor eenieder die de WTO een warm hart toedraagt: de protesten waren zo hevig dat de stad een week lang het strijdtoneel was tussen betogers en de Amerikaanse politie. Nog nooit waren de protesten zo groot geweest en de regeringsleiders beseften dat het anders zou moeten. En zo werd in 2001 de Doha Ontwikkelingsronde gelanceerd. In tegenstelling tot de voorgaande handelsrondes zouden ontwikkelingslanden deze keer ontzien worden. ‘We give the Round for Free’ riep de toenmalige EU Handelscommissaris Pascal Lamy, maar de inkt van de Doha Development Agenda was nog niet droog, toen de EU de zogenaamde Singapore Issues introduceerde. Met de Singapore Issues wordt gerefereerd aan vier onderwerpen: openbare aanbestedingen, grensoverschrijdende investeringen, eenvoudiger douaneformaliteiten (Trade Facilitation) en concurrentie. Deze onderwerpen dateerden al van een WTO-bijeenkomst in Singapore in 1996, maar waren tot die tijd van de agenda gehouden. Binnen de Doha Development agenda werden de onderwerpen echter weer terug op de agenda gezet.

De verontwaardiging was groot, want waar ontwikkelingslanden dachten dat het nu tijd was voor de rijke landen om hun landbouwbeleid aan te passen, werden ze geconfronteerd met een agressieve handelsagenda waardoor men vreesde nog meer autonomie te verliezen. In een ongekende mobilisatie slaagden maatschappelijke organisaties er in om in Cancun (2003) massaal te protesteren tegen de nieuwe onderwerpen op de WTO-agenda. Gesteund door de mondiale verontwaardiging, die inmiddels was ontstaan, waren het uiteindelijk de ontwikkelingslanden, aangevoerd door opkomende landen, zoals Brazilië, die erin slaagden de plannen te dwarsbomen. De Singapore Issues verdwenen (voorlopig) van de onderhandelingstafel en alleen het relatief onschuldige Trade Facilitation overleefde de schifting.

Van multilateraal naar bilateraal/regionaal

Maar met het verdwijnen van de Singapore Issues, verdwenen de enorme verschillen tussen de onderhandelingsblokken binnen de WTO allerminst. Nadat ook in Hong Kong (2005) een akkoord uitbleef, brak er een periode aan waarin de WTO-onderhandelingen eigenlijk stil lagen. De tijd van de regionale en bilaterale handelsovereenkomsten was aangebroken. Zeker de rijke landen begonnen op allerlei slimme en vooral ook slinkse manier hun WTO agenda in bilaterale en regionale handelsovereenkomsten alsnog te realiseren. Soms met succes, maar vaak ontmoette men hier ook veel maatschappelijk weerstand.

Inmiddels lijkt ook die weerstand minder te worden, vaak ook omdat dit soort onderhandelingen veel moeilijker te volgen zijn dan de onderhandelingen binnen de WTO, waarvoor in elk geval een aantal vaste procedures zijn. Daarnaast is de WTO tot op heden voor maatschappelijke organisaties redelijk toegankelijk, terwijl de bilaterale en regionale onderhandelingen veel meer in achterafkamertjes worden beklonken en maatschappelijke organisaties veel meer moeite hebben om de onderhandelingen te volgen. Ook dat is natuurlijk begrijpelijk, want in plaats van een multilaterale onderhandeling, moeten er nu tientallen verschillende onderhandelingsprocessen worden gevolgd.

Bali: toch best belangrijk

Doordat de WTO aan belang heeft ingeboet, lijkt het wat dat betreft ook wel logisch dat de wereld zich heeft afgekeerd van de multilaterale handelsonderhandelingen. Lijkt, want ondanks dat de ambities in de komende ministeriële bijeenkomst laag zijn, zijn de potentiele belangen voor ontwikkelingslanden en vooral voor de allerarmste landen enorm groot. Na de mislukking van Cancun en Hong Kong is de druk op ontwikkelingslanden om te liberaliseren allerminst afgenomen. Sterker nog, vooral de minst ontwikkelde landen kunnen nauwelijks opboksen tegen de druk die rijke landen in bilaterale en regionale handelsonderhandelingen uitoefenen. Voor de allerarmste landen is de WTO dus zo slecht nog niet, omdat zij daar tenminste gezamenlijk kunnen optrekken terwijl ze in bilaterale onderhandelingen vaak maar alleen staan.

In Bali staat er dus wel degelijk wat op het spel, al moet daarbij meteen worden aangetekend dat de agenda voor Bali weinig ambitieus is. De grote onderhandelingsthema’s op dit moment gaan vooral over Trade Facilitation en de vraag of India dus haar landbouw mag subsidiëren. Opmerkelijk voor een ontwikkelingsronde, want dit zijn thema’s die nou juist voor de allerarmste landen eerder uitdagingen dan voordelen met zich mee brengen. Zo zijn de kosten van het op orde brengen van de douaneformaliteiten (Trade Facilitation) voor LDC’shet grootst (zij moeten immers de meeste veranderingen doorvoeren) en het is maar de vraag of de dalende hulpbudgetten van de internationale ontwikkelingsgemeenschap die investering nog kunnen opbrengen. Daarbovenop blijft het ongewis wat de mogelijke bijeffecten zijn van de subsidiering van de Indiase landbouw: in sommige scenario’s kan deze de prijs van bijvoorbeeld rijst en graan (in beide producten is India een belangrijke exporteur) dramatisch beïnvloeden.

Geen ronde voor de allerarmste landen?

Voor de allerarmste landen lijkt er dus weinig te halen in Bali en desondanks hopen zij op een resultaat, waardoor de WTO tenminste blijft bestaan. Het is een bijna cynische constatering voor een handelsronde die ontwikkeling had moeten bevorderen en die armoedebestrijding had moeten bewerkstelligen.

En juist daar zit de kritiek op de leidende spelers in het onderhandelingsproces. Kritiek, die we in de commentaren nog maar nauwelijks teruglezen. Is het Brazilië of de Europese Unie, is het de Verenigde Staten of India: al deze onderhandelingsblokken weigeren een akkoord te sluiten op het belangrijkste onderwerp van de ontwikkelingsronde en dat is het belang van de minst ontwikkelde landen. Het is bijvoorbeeld een veeg teken dat special and differential treatment: de speciale behandeling voor de minst ontwikkelde landen (LDC’s) in de WTO van de Bali agenda is verdwenen. En het is op z’n minst net zo opmerkelijk dat de onderhandelingstekst over katoen vooral mikt op het op de onderhandelingsagenda houde van katoen, terwijl er geen concrete afspraken worden gemaakt. Het resultaat voor de minst ontwikkelde landen lijkt dus zelfs in het geval er een akkoord in Bali komt bij voorbaat al mager te zijn: onacceptabel mager.

Het vooruitzicht van geen of een mager akkoord markeert de crisis waarin global governance zich op dit moment bevindt. Alle mooie woorden over handel als motor van ontwikkeling ten spijt heeft de internationale gemeenschap haar prioriteiten verlegd naar het keiharde eigen belang. Het is volstrekt onduidelijk waarom men de Doha Ontwikkelingsronde, na jaren van stilstand, niet een boost geeft, door juist eerder gedane beloftes waar te maken en positieve handelsmaatregelen te nemen voor de minst ontwikkelde landen op deze aardbol. Zo’n resultaat zou de multilaterale handelsagenda een nieuw elan geven. Een elan die voorbij gaat aan het eigen belang en toont dat rijke landen in de wereld daadwerkelijk de arme landen een helpende hand bieden. Het zou een nieuwe en revolutionaire agenda zijn voor ontwikkelingssamenwerking, een die voorbij gaat aan het simpelweg subsidiëren van het bedrijfsleven…

In een basketbalhal in Denpasar verzamelden zich in de schaduw van de handelsconferentie zondag een groep Aziatische activisten. De frustratie over het internationale handelssysteem is voelbaar, het optimisme voor een “Ander Azië” doet bijna aandoenlijk aan. Het tegenwicht zal deze dagen echter van hun moeten komen. Waren ze er in Cancun bij, stonden ze in Hong Kong vooraan: in Bali ontbreekt de rest van de wereld.

Via Vice Versa.