The Poor: air-conditioned and happy

Any society has a lot of cultural narratives that provide ready explanations for common phenomenon. These narratives, or commonsense explanations, are never questioned, never examined, taken for granted and become part of our stock of knowledge (to use Alfred Schutz’s formulation). It does not mean they are true. Their strength is not based on their truth value but on their embeddedness into our minds and culture and their resistance to examination.

For instance, narrative 1 – the poor are happy as they are (often heard regarding the poor in the Global South – see the link):

“The happy poor argument is appealing as many richer people dislike feeling guilty about their relative wealth (Toynbee and Walker, 2008/2009, p.33). Denying that inequality is problematic, based on happiness being important and the poor being happy, offers a pretext for not thinking more deeply about the impacts of inequality.

(…)

Happiness clearly does matter. However, the notion that the poor are happy needs to be challenged. If anything, the evidence presented here suggests that the poor are not particularly happy. In any case, suffering adversity happily does not mean there are not serious problems to be addressed. As such, the argument that the poor are happy, and that this reduces responsibility to distribute resources more equally, should be treated with skepticism.”

But there is also narrative 2 – the poor are not really poor (often heard regarding the poor in the Global North. According to that argument (no link because the latest iteration comes from the Heritage Foundation, to which I am not linking… I have the same policy regarding the Huffington Post), if the poor do not live is abject destitution worthy of Dickensian novels, then, they are not really poor. That thesis is often sustained by listing the number of appliances and amenities that the poor have in wealthy societies. So, to have a refrigerator is to not be poor, or to have a cell phone or a computer means one is not poor.

Both narratives point to the same conclusion: anti-poverty and redistributive policies (that is, those that redistribute more equally as redistributive policies that redistribute upwards are perfectly ok) are unnecessary or unjustified. If the poor are happy with their lot, to interfere with anti-poverty programs will be detrimental and will break some sort of “natural” order (not true).

On the other hand, if the poor are not really poor because they have indoor plumbing, then, anti-poverty policies are clearly uncalled for, or worse, existing policies need to be scaled back because the poor are obviously enjoying life with a few amenities (not true either).

The third conclusion is that one should not feel bad about the plight of the poor. According to narrative 1, if the poor are happy with their lot, why should the rest of us feel bad? Narrative 1 reeks of Rousseau’s noble savages where the poor of the Global South are seen as closer to a “simpler” state where they appreciate little things more and don’t sweat the small stuff.

According to narrative 2, again, they are not poor enough that they don’t get a few extras and the same amenities as anyone else (never mind that these amenities might be of lower qualities, break down more often, or might be basic necessities, like cell phones when one looks for a job). It relieves society and the upper classes of any idea that some assistance is needed or at least a more egalitarian social structure.

This reminds me of a similar idea that was brought up in a conversation I had with a nurse regarding the large presence of Filippinas in nursing homes in our county. “They are naturally nurturing” said the nurse, so those kinds of jobs are perfect for them. It is a simple substitution of ethnicity and gender for class. As Barbara Ehrenreich and Arlie Hochschild have explained in their book, Global Woman, this rationale “nurturing is natural to them” is a convenient justification to extract gender enotional labor from other countries to be our nannies, nursing home personnel, etc. And who are we to prevent them from “doing what comes naturally“?

In any event, both narratives provide good culturally-approved and unquestioned obfuscation devices so that we don’t talk about this.

Meer bij SocProf.

  1. 1

    Dat armen gelukkige mensen zijn, is een kletspraatje dat geen wetenschappelijk onderzoek waard is. Of rijke mensen gelukkig zijn wel.

    Dat de rijken het zijn, nemen de meeste mensen voetstoots / impliciet aan. Als uit onderzoek zou blijken van niet, zou dat duizelingwekkende gevolgen kunnen hebben. Politieke partijen en ideologieën zouden in elkaar storten, Marxisme en socialisme voorbij. Voor eeuwig.

    Socprof begint aan de verkeerde kant. Socprof is dan ook de omgekeerde sociologie, wat een sociologie van de rancune geeft.

  2. 2

    De verhalen over verveelde, blasée, zelfdestructieve lui die baden in luxe zijn genoegzaam bekend, HPax. Onderzoek naar de mate waarin rijkdom bijdraagt aan geluksgevoel bestaat ook al lang. Het is nu alleen nog wachten op de duizelingwekkende gevolgen. Da’s kennelijk een zaak van lange adem.

  3. 3

    Als (ook) rijkdom niet gelukkig maakt en dat ‘genoegzaam bekend’ is, waarom weet socprof dat dan ‘kennelijk’ niet?

  4. 4

    Socprof heeft het in zijn stukje niet over het geluksgevoel onder rijken, dus kun je niet concluderen dat hij ‘kennelijk’ iets niet weet op dat terrein.

    Ten tweede zei ik niet dat rijkdom niet gelukkig kan maken. Het zit wat ingewikkelder in elkaar. Wie door een verbetering van zijn inkomen aan armoede weet te ontsnappen, zal zich onder normale omstandigheden gelukkiger gaan voelen. Echter, wie eenmaal ontsnapt is aan de armoede, zal aan het stijgen van zijn inkomen niet langer een toenemend geluksgevoel ontlenen. Kennelijk wordt er al vrij vroeg een plafond bereikt en is het zaak om bij het bereiken van dat plafond op andere manieren je geluksgevoel op te krikken.

  5. 5

    Je kunt het niet hebben over het ongeluk van de armen zonder dat impliciet de rijken daarbij zijn inbegrepen. Er is geen arm* zonder rijk en v. v.

    Socprof weet dat en verwijst inderdaad naar de rijken, maar dan als lui die om een schuldgevoel over ongelijkheid te onderdrukken het beeld van ‘de gelukkige arme’ verzinnen, en zich inprenten. Socprof houdt niet van de rijken.

    Maar deze referentie van socprof is een surrogaat explicitering als het gaat om een wetenschappelijk onderzoek te doen naar de wezenlijk betrekking tussen arm en rijk en hun onderscheiden geluk.

    Maken de rijken de mensen arm, zijn de rijken rijk door de armen? En wat maakt het uit als ook de rijken op den duur van hun rijkdom ‘unhappy worden’, en misschien de armen gelukkiger. Denk aan de Japanse steenhouwer.

    En als je dat hebt onderzocht en je zou hebben kunnen vaststellen dat de rijken qua gemiddeld geluk er niet beter dan de armen vanaf komen en je zou dit grootscheeps en langdurig aan een groot publiek kunnen laten weten, dan mag je makro culturele en politieke veranderingen verwachten. Je moet alleen niet bang zijn voor de armen.

    Maar zo denkt socprof niet en blijven we hangen in kletspraatjes, van iedereen, over iedereen, ook van socprof.

    De laatste doet dat onder het masker van de wetenschap, maar is in wezen doctrinair-politiek & vulgair bezig. En dat is wat ik maar wilde zeggen.
    En dat zo’n onderzoek – als het dan moet – bij de rijken zou moeten beginnen.
    * Als je ‘arm’ en ‘rijk’ beide absoluut neemt, wat krijg je dan?

  6. 6

    Je schrijft:

    “Je kunt het niet hebben over het ongeluk van de armen zonder dat impliciet de rijken daarbij zijn inbegrepen. Er is geen arm* zonder rijk en v. v.”

    ‘Arm’ veronderstelt inderdaad een concept ‘rijk’, dat klopt. Maar als iemand het heeft over de misvatting dat armen gelukkig zijn, betekent dat natuurlijk niet dat deze persoon er onvermijdelijk van zal uitgaan dat rijken gelukkig zijn. Het een volgt simpelweg niet uit het ander.

    Verder schreef je:

    “En als je dat hebt onderzocht en je zou hebben kunnen vaststellen dat de rijken qua gemiddeld geluk er niet beter dan de armen vanaf komen en je zou dit grootscheeps en langdurig aan een groot publiek kunnen laten weten, dan mag je makro culturele en politieke veranderingen verwachten.”

    Er zijn al lang tal van populair-wetenschappelijke boekjes en zelfhulpspul voor de gewone burger verschenen over het gegeven dat vanaf een bepaald punt het vergaren van steeds meer geld niet tot steeds meer geluk leidt, wat trouwens iets compleet anders is dan dat “rijken qua gemiddeld geluk er niet beter dan de armen vanaf komen”. Al die werkjes zijn ongetwijfeld geschreven zonder enige angst voor de armen. Maar ja, kennelijk valt de boodschap gewoon niet al te best bij het grote publiek. Met het adagium ‘meer is beter’ lijkt men beter uit de voeten te kunnen.

  7. 7

    The post is NOT about objective measures of happiness based on income and wealth. That’s a whole different one, and a thorny one methodologically.

    It’s about narratives, that is, stories that circulate socially and are accepted without questioning and often the basis for policy. Whether they are true or not is a completely separate issue.