Onder de dolenden (4) – een kort verhaal

klik voor vergroting
Illustratie: Crachàt

Hij balanceerde op de rand van de afgrond, maar hij wist zich staande te houden. Hij was zich ervan bewust dat hij op zijn tellen moest gaan passen en dat hij maatregelen moest nemen voor het te laat was. Zijn adaptieve vermogen stelde hem in staat zijn rol bij de Arbo-arts uit te vergroten. De diagnose werd snel gesteld, hij was overspannen. Na enkele weken zonder waarneembare vebetering begon de arts ongeduldig te worden. Zijn toon werd grimmiger en zijn aanpak doortastender. In een gesprek met zijn werkgever gaf Brecht echter aan dat hij weinig heil zag in deze methode en dat zijn bezoeken aan hem hem steeds zwaarder vielen. Langdurige ziektwet of arbeidsongeschiktheid lagen op de loer en doordat dit zijn werkgever veel geld zou aan kosten, kon Brecht zijn troef uitspelen. Hij sloot een overeenkomst met zijn werkgever waarbij hij zou worden ontslagen en vier maandsalarissen meekreeg.

Ongemerkt was een jonge vrouw bij hem op het bankje komen zitten. Ze zat er misschien al een paar minuten zonder dat Brecht het had opgemerkt. Onberoerd keek ze voor zich uit met haar ogen gericht naar het water. Ze was mooi in haar nonchalance, haar haar viel in lange slierten langs haar slapen en achter deze sluier lagen haar ogen enigszins verscholen in hun kassen waardoor ze een verlegen gezichtsuitdrukking kreeg. Boven haar lip had ze een klein litteken dat nauwelijks opviel, maar die als een soort indicator voor de volheid van haar lippen leek te dienen. Brecht had een zwak voor deze beminnelijke schoonheid die niet overdreven op zoek was naar aandacht, maar tegelijkertijd maakte deze hem ook argwanend alsof de eenvoud ervan niets anders kon verhullen dan een complex karakter. Toen ze merkte dat Brecht haar langdurig aan zat te staren, draaide ze haar hoofd in zijn richting en beantwoordde zijn blik met even weinig gene. Brecht schrok hiervan alsof hij zich betrapt voelde en wendde zijn hoofd ijlings af. Ongemakkelijk keek hij weer voor zich, zijn pupillen rusteloos heen en weer gaand, niet wetende waar hij zijn blik moest laten. Ze gooide een steentje in het water waarop concentrische cirkels zich vormden op het oppervlak.

‘Prachtig niet, hoe een klein onschuldig steentje zo’n effect teweeg kan brengen?’, vroeg ze opeens.
Brecht’s reactie bleef uit.
‘De kleine kringen die uitmonden in grotere, als ware de omgekeerde werking van een matrosjka pop. Het kleine steentje dat een detail vormt van een groter geheel. Wanneer je het zo in je hand houdt, vermoed je niets, maar zodra het het water geraakt heeft, blijkt er een causale beweging te ontstaan. Alsof je de dingen nooit als dingen an sich mag beschouwen, maar dat er altijd verstrekkender gevolgen aan moeten worden verbonden.’

Brecht keek verward om zich heen of hij een ander misschien over het hoofd had gezien, maar nergens was er iemand te bekennen.
‘Heb je het tegen mij?’, vroeg hij aarzelend waarbij hij met zijn wijsvinger naar zijn borstbeen wees.
‘Tegen wie anders?’, zei ze kalm.
Het bleef weer even stil.
‘Dacht je dat je hier alleen zou zijn? Dat jij de enige zou zijn die in dit schimmenrijk rond zou dwalen?
Brecht keek haar vragend aan.
‘Kijk om je heen dan zie je ze, schichtig en weggedoken bewegen ze zich voort, volledig in zichzelf gekeerd, zich afvragend waarom ze hier terecht zijn gekomen. Ze voelen zich tekort gedaan met hun plotselinge vertrek uit het leven en zijn hopeloos op zoek naar verklaringen. Terwijl juist in die zoektocht de reden van hun verblijf hier ligt besloten.’
‘Wil je daarmee zeggen dat wat ik nu ervaar niet de werkelijke dood is?’, vroeg Brecht.
‘Dit is het voorportaal van de dood, Brecht. Je denkt toch niet dat alle doden in een geestelijke hoedanigheid achterblijven op de aarde? Dat zou een beetje een drukke boel worden, nietwaar? Nee, hier komen de vroegtijdigen, zij die eerder dan hun natuurlijke sterfdag heen zijn gegaan. Het gaat hier om de vermoorden, zelfmoordenaars, zieken, diegenen die een soort gewichtigheid uit hun leven met zich meedragen. Zij zijn hier gekomen om rekenschap voor hun geleefde levens af te leggen.

‘En als ze dat dan gedaan hebben?
‘Dat is makkelijk gesteld, sommigen lukt het, zij zullen vredig sterven, herenigd met hun lichaam en daarmee samen afbrokkelen en opgenomen worden in het onderaardse. De meesten zullen echter falen en vertwijfeld achterblijven. Terwijl hun lichamen afsterven, blijft hun geest krachtig voortleven en hoezeer ze ook proberen deze tot rust te laten komen, zal het ze niet lukken. Ze zijn gedoemd hun jaren hier te slijten zonder uitzicht en badend in een poel van verveling. Er is een reden voor dit alles, dat is wat ik je duidelijk probeer te maken. Je zult je taak moeten aanvaarden, Brecht, durf het aan een onderzoek te verrichten naar de reden waarom je hier bent. Wacht niet te lang want er is je maar weinig tijd gegeven.
Brecht had het verhaal aangehoord zonder haar ook maar enig moment aan te kijken. Toen hij merkte dat een vervolg in haar spreken uitbleef, keek hij weer even opzij en zag dat de vrouw verdwenen was.

Hij keek om zich heen of hij haar nog ergens kon bespeuren. Tussen haar laatste zin en het moment dat Brecht merkte dat ze er niet meer was, zat hooguit een minuut, ze kon toch niet zomaar verdwenen zijn. Hij sprong van de bank, liep er omheen en keek in alle richtingen van het park, om nog ergens een glimp van haar op te kunnen vangen. Ze was in geen velden of wegen meer te bekennen. Lieten zijn zintuigen hem nu ook al in de steek of was het een zinsbegoocheling geweest die hem had laten luisteren naar haar monoloog? Even geruisloos als ze was gekomen, was ze vetrokken en ze had niets anders achtergelaten dan vertwijfeling. Als een soort bode had ze zich aan hem geopenbaard, hem rustig doch dwingend toegesproken. Maar wie had haar dan gestuurd? Een hogere almacht? Brecht maakte een wegwerpgebaar bij deze gedachte. Nooit had hij geloofd in een autonome macht die achter de schermen de boel regisseerde en de voortbestemming had vastgelegd in een soort van draaiboek. Hij kon zich voorstellen dat mensen die een leven vol ellende hadden meegemaakt, op zoek gingen naar een metafysischere waarheid enkel en alleen om een verklaring te krijgen, maar zijn leven had zich kalmpjes aan hem voltrokken. Hij erkende de beperkingen van de vrije wil, maar klampte zich toch aan haar vast omdat het leven hem anders zinloos voor zou komen. Hij voelde zich verraden; wie was zij om zich zo schaamteloos in zijn leven te mengen en wat kon zij er bovendien van weten. Aan ongevraagde adviezen leed de wereld nog eens schipbreuk. Alsof deze laffe moord verklaard kon worden door oorzaak en gevolg. Alsof hijzelf verantwoordelijk zou zijn voor zijn sterven. Toch wist hij dat hij aan het onderzoek zou beginnen. De nieuwsgierigheid dwong hem te achterhalen wie zijn moord op zijn geweten had. Hij moest de periode voorafgaand aan zijn dood nauwkeurig reconstrueren. Hij moest in zijn gedachten graven om elk detail weer naar boven te halen zodat hij het kon herleiden tot een aanwijzing die hem was ontgaan. En dat stoorde hem nog het meest, dat hij gefaald had in zijn opmerkzaamheid. In de loop der jaren had hij zijn observatievermogen dusdanig getraind dat hem niets kon ontgaan. Al vroeg had hij ontdekt dat hij meer zag dan anderen, dat hij telkens de kleinigheden aanstipte die anderen gemist hadden. Het was ook een manier om zichzelf en zijn omgeving te kunnen controleren zodat hij verrassingen uit kon sluiten. Maar toch was het hem overkomen. Een ander was in staat geweest een schier onmogelijke opgave te volbrengen en had de dode hoek in Brecht’s blikveld gevonden.

Natuurlijk had hij met de dood te maken gehad; hij had zijn grootouders verloren, tantes en ooms en ook in zijn omgeving had hij op een afstand anderen zien gaan, maar nooit was de dood dichterbij gekomen. Van een gepaste afstand had hij het aanschouwd, alsof de dood hem zou kunnen grijpen zodra hij toenadering zou zoeken. Een keer eerder had hij zich weten te laten verleiden; hij moest een jaar of twaalf zijn geweest toen het broertje van een vriendje omgekomen was bij een ongeluk. Hij lag opgebaard in het mortuarium en samen met zijn moeder ging Brecht de laatste eer aan hem bewijzen. Hij betrad de duistere zaal waarin verschillende vertrekken waren ingericht, van elkaar gescheiden door zwarte velourse gordijnen. De kaarsengeur vermengd met formaline drong al snel zijn neus binnen en maakte hem misselijk. De opgebaarde lag in een kist die schuin was neergezet waardoor zijn hoofd hoger lag dan zijn voeten. Gehuld in zijn mooiste kleren, nagels geknipt, haren gekamd in een nette scheiding, wimpers en wenkbrauwen geborsteld. Mond en ogen waren gesloten en men had alles in het werk gesteld om van de dode een smetteloze indruk achter te laten. Maar meteen was hem die geel-oranje gloed op zijn gezicht opgevallen alsof hij nog even onder de zonnebank was gelegd. Het gaf hem iets surrealistisch waardoor het verband met de levende volledig werd weggevaagd. Maar het beeld had zich op zijn netvlies gebrand. Telkens wanneer hij terugdacht aan de jongen drong het beeld zich aan hem op en nam het de plaats in van de herinnering die hij aan hem had. Vanaf dat moment had hij besloten om nooit meer een mortuarium te bezoeken. Toch was hij gefascineerd in de fysieke kant van de dood. Theoretisch had hij zich erin onderlegd, dankzij de literatuur kon hij de afstand bewaren en bleef hij ongevoelig voor waarachtigheid. De geestelijke beleving van de dood had hem echter nooit geinteresseerd. Volgens hem zou er niets zijn en niets overblijven. Niet de ziel van Plato noch de reincarnatie van het boeddhisme. En dat was ook waar hij naar verlangde als zijn tijd gekomen zou zijn. Een serene rust die zijn ziel zou uitvagen in een alles verzengende slaap. De hoop van de gelovigen had hij nooit kunnen delen.

Toen hij weer bij zijn huis kwam, merkte hij dat er iets aan de hand was. Agenten kwamen uit het huis rennen om vervolgens in volle vaart met hun auto’s gewapend met sirenes weg te rijden. Brecht liep door de voordeur naar binnen en hoorde de rechercheur vanaf de eerste etage schreeuwen.
‘Hoe is het in godsnaam mogelijk.’
Brecht zag de rechercheur in volle razernij ontstoken tegen de nog overgebleven agenten nadat hij de woning was binnengekomen.
‘In de twintig jaar dat ik in dit vak werk, is me dit nog nooit overkomen. Wie waren de bestuurders?’
‘Wat is hier aan de hand’, viel opeens een stem vanuit de deuropening naar binnen.
Brecht herkende deze stem meteen. Hij draaide zijn hoofd om en zag zijn ouders daar staan, enigszins overrompeld door de consternatie. Hij schrok van deze onverwachte ontmoeting. Hij had ze al zeker een jaar niet meer gezien en in die tijd waren ze aanzienlijk ouder geworden. Het contact was eigenlijk vanzelf verloren gegaan; hij informeerde niet meer naar ze en hun berichten op zijn antwoordapparaat liet hij onbeantwoord. Hij ging al langer niet meer bij ze op bezoek en als ze vroegen wanneer hij zich weer eens liet zien, verzon hij telkens weer een smoes waarna ze het na verloop van tijd opgaven. Het was niet zozeer zijn opzet geweest om het contact te verbreken, hij had altijd een goed band met zijn ouders gehad, maar was nu eenmaal in een ander vaarwater gekomen waarbij er geen ruimte meer overbleef voor biologische verbanden.
‘De arme mensen’, dacht Brecht, ‘de enige ontmoeting die ze nog gegund is, is verzonken in stilte.’
De rechercheur schudde de woede van zich af en verzocht zijn ouders plaats te nemen op de bank. Een agent spoedde zich naar de keuken om water te halen.
‘Op de eerste plaats wil ik u mijn oprechte deelneming betuigen, meneer en mevrouw Brecht’, zei de rechercheur. ‘Het is een tragisch verhaal wat er met uw zoon gebeurd is.’
Er viel een korte stilte toen Brecht’s ouders hem vragend bleven aankijken, terwijl de rechercheur naar een manier zocht om hetgeen waar hij zoveel ophef over maakte, in de juiste woorden probeerde te vervatten.
‘Zojuist kreeg ik het bericht dat de ambulance waarin uw zoon naar het laboratorium werd vervoerd bij een stoplicht is overvallen en waarbij het lichaam van uw zoon is ontvreemd.’
De rechercheur schraapte zijn keel.
‘Het personeel werd verdoofd met injectienaalden en is een half uur buiten westen geweest. We zijn op dit moment bezig met het ondervragen van getuigen om het spoor van de daders te traceren. Het lijkt erop dat er mensen zijn die belang hadden bij de dood van uw zoon en diens lichaam. Heeft u enig idee waarom dit gebeurd kan zijn?’
‘Wij hebben onze zoon al ruim een jaar niet meer gezien’, antwoordde de vader ijzig kalm. ‘Om voor ons onduidelijke redenen heeft hij het contact verbroken. Voor zover wij weten, was hij gezond en liet hij zich niet in met criminelen. Hij was nogal op zichzelf, namelijk.’
‘U heeft ook nooit meer iets van anderen over hem vernomen?’
‘Af en toe hoorden we iets van zijn oude vrienden die hem op straat hadden gezien, maar steevast negeerde hij deze. Volgens hen was hij er wel slechter uit gaan zien, u weet wel, een beetje bleker geworden en met van die kringen onder zijn ogen. Maar meer is ons niet bekend. Wij zijn hier slechts om werkelijk afscheid van hem te kunnen nemen.’
‘Ik begrijp het’, antwoordde de rechercheur. ‘Ik zal u ook alleen laten zodat u rustig even op adem kunt komen. Ik zal u mijn telefoonnummer geven voor als u nog vragen mocht hebben of mij zou willen spreken. U kunt rustig uw gang gaan hier, het onderzoek is al afgerond. Wel zal ik twee agenten hier achterlaten in verband met de veiligheid. Als u mij nu zou willen verontschuldigen, ik moet naar het volgende plaats delict.’
‘Natuurlijk’, antwoordden de ouders.
De rechercheur schudde de handen van Brecht’s ouders en overhandigde hen zijn visitekaartje. Daarna haastte hij zich weg. De twee agenten gingen naar buiten om de ouders de gelegenheid te geven even alleen te zijn.

Wordt vervolgd

Deel 1
Deel 2
Deel 3

  1. 3

    Pardon reeds? Voor mij is dat het grootste compliment wat ik kan bedenken voor deze twee creatieve personen…kunstenaars.

  2. 4

    Kijk geacht Caprio..het is mijn insteek dat druppels terdege zaken doen in een oceaan. De druppel van de emmer zeg maar, dat zijn kunstenaars..die ene druppel .