WW: De fuzzy logic van de rechtspraak

Rechters zijn niet altijd objectief (Foto: Flickr/beingkatie)

“Burgers straffen ongeveer even zwaar als rechters” is de titel van het persbericht waarmee de Raad voor de Rechtspraak gisteren naar buiten kwam. De Raad had Willem Wagenaar, emeritus professor in de experimentele psychologie gevraagd daar onderzoek naar te doen. Hij liet twee groepen burgers, één met mensen met maximaal MBO en één bestaande uit mensen met minimaal een HBO-opleiding, op basis van de rechtzitting en het dossier oordelen over zaken voor de rechter en er bleek weinig verschil te zitten tussen de rechters en de twee groepen.

Dan willen de rechters natuurlijk ook hun eigen winkel beschermen en daarom vermeldden ze erbij dat Wagenaar ook vond dat de rechters hun vonnis beter beredeneerden:

Uit het onderzoek blijkt dat leken in vergelijking met rechters niet minder argumenten gebruiken of op een eenvoudiger manier argumenteren. Wel baseren ze vaker dan rechters hun oordeel op vooronderstellingen en aannames die geen feitelijke basis hebben

Dat ‘vaker’ heb ik speciaal benadrukt, want een vluchtige blik in Wagenaars vrij dikke rapport leert dat ook de rechters nog behoorlijk vaak onzinargumenten gebruiken. Een paar voorbeelden:

De rechtbank constateert dat het slachtoffer door haar advocaat geïnstrueerd was om bepaalde dingen te zeggen, maar zonder daarvoor argumenten aan te geven.

De rechtbank stelt zich de vraag of een afstand van tien meter tussen auto’s die 120 km/h rijden kort genoemd moet worden, dan wel zeer kort. De conclusie was dat het niet zeer kort kon zijn, omdat het tweemaal de lengte van de raadkamer was.

Als de rechters al zo slordig redeneren, hoe erg was het dan wel niet bij de leken? Zo erg:

Het modaal opgeleide panel acht stalking bewezen omdat de leden ter zitting konden zien dat verdachte een heel erg enge man is. Onduidelijk is wat zij dan gezien hebben.

Ligt het aan mij of ligt in die laatste zin een vleugje sarcasme? Maar goed, dat was het modaal opgeleide panel. De hoogopgeleiden deden het vast beter. Toch?

Het hoogopgeleide panel ziet geen probleem in de conflicterende snelheidsschatting van het slachtoffer, omdat als feit van algemene bekendheid wordt aanvaard dat vrouwen nu eenmaal geen snelheid kunnen schatten.

Een beter bewijs voor de achteruithollende kwaliteit van het Nederlandse onderwijs is nog niet geleverd (en ja, ik weet dat dat ook een niet-onderbouwde stelling is).

Ernstig is ook het veelvuldig gebruik van psychologie van de koude grond door alle drie de groepen, iets waar psycholoog Wagenaar het volgende over schrijft:

Rechters zowel als leken geven vooral psychologische oordelen over hoe het gedrag van betrokkenen is ontstaan en hoe dit gedrag het meest succesvol is te sturen. Dergelijk oordelen zijn onvermijdelijk, en misstaan niemand. Uit de discipline van de psychologie moet echter worden afgeleid dat zulke oordelen zelfs met de meest geavanceerde wetenschappelijke methoden onbetrouwbaar zijn. Met onbetrouwbaar wordt bedoeld dat verschillende beoordelaars tot verschillende conclusies kunnen komen, zelfs als zij identieke onderzoeksmethoden gebruiken. Het gevolg moet dus wel zijn dat panels die over dezelfde zaak beslissen tot verschillende oordelen komen, zelfs als daar geen systematische verschillen in denkwijze aan ten grondslag liggen.

Maar goed, het maakt allemaal niet zoveel uit. Wagenaar kan het niet met zekerheid stellen en laat het dan ook weg uit het conclusiehoofdstuk van het rapport, maar tussen de regels door blijkt toch dat hij neigt naar het idee dat het oordeel eerst onderbewust wordt gevormd en dat daar dan later argumenten ter onderbouwing, die hij ‘ankers’ noemt, bij worden gezocht:

Het is echter evengoed denkbaar dat de beslissing niet berust op de gekozen ankers, maar andersom: dat de ankers zijn gezocht bij een beslissing die op een andere manier al was bereikt. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van een kleine hoeveelheid argumenten die al voor de beraadslaging een zekere overtuiging hadden gevestigd. De complete argumentatie, met de vele argumenten en ankers die in hoofdstuk 4 zijn beschreven, vindt dan plaats als een constructie achteraf. Deze constructie is niet onjuist en ook niet onnuttig, maar beschrijft niet werkelijk het proces van logisch redeneren dat mogelijk wordt gesuggereerd.

Bij de straftoemeting was wel een opvallend verschil te zien tussen de rechters en de leken. Die laatsten geloofden heilig in de maakbaarheid in de mens en zagen straf vooral als een doel om gedragsverandering te bewerkstelligen. Dit leidde er soms zelfs toe dat eerst over de strafmaat werden gediscussieerd en dan pas over het wel of niet schuldig zijn aan het ten laste gelegde:

De redenering was dan ongeveer: ‘als je dan niet vindt dat verdachte zich aan
overtreding van artikel X heeft schuldig gemaakt, wil je hem dan ook echt zonder straf laten weggaan?’ Als deze consequentie dan niet werd getrokken, was de conclusie dat verdachte dus wel degelijk aan iets schuldig was en werd de bewezenverklaring niet of pas veel later weer, aan de orde gesteld.

Het maakt niet uit of het gedrag wordt gekwalificeerd als poging tot doodslag, poging tot mishandeling, bedreiging, of alleen maar onvoorzichtig rijden; waar het werkelijk om gaat, is dat verdachte zich heeft gedragen als een wegpiraat. De vraag is hoe je hem en anderen daarvan in de toekomst kan weerhouden.

Rechters keken meer naar of het ten laste gelegde ook bewezen was en naar de strafmaat daarvoor in de wet, iets waar de leken zich nauwelijks voor interesseerden. Het gevolg was dat de rechters vaker tot vrijspraak kwamen, omdat ze het verdachte niet bewezen achtten maar dat als straften wel een zwaardere straf uitdeelden. Misschien dat ze ook door hun ervaring wat cynischer waren dan de soms wel erg positief ingestelde leken, die vaker straften, maar wel minder streng.

Die hele enge stalker bijvoorbeeld, die zou volgens hen met een klein beetje moeite toch hele enge stalker af moeten kunnen worden:

Het hoogopgeleide panel was ervan overtuigd dat twee weken intensieve behandeling de kans op recidive voldoende zou verminderen.

Weer lijkt Wagenaar zijn ironie niet te kunnen bedwingen:

Het geloof in de effectiviteit van psychotherapie wordt niet door de praktijkervaring ondersteund.

Ondanks dit alles, houd je toch een positief gevoel over aan het rapport. Als je het hele rapport wilt samenvatten in één zin, dan is het zoiets als: “Logisch redeneren: de homo sapiens hollandicus bakt er weinig van, maar hij doet zijn stinkende best rechtvaardig te zijn.”

  1. 1

    Een eerder onderzoek (publicatie in 2006) wees uit dat leken mildere straffen oplegden als ze het strafdossier hadden ingezien.
    Lichet dan mensen die over een kwestie alleen krantenkoppen als informatie kregen, die straften weer zwaarder.

    Maar, ook al hadden burgers dezelfde informatie als de rechters, toch straften ze zwaarder, waarschijnlijk ook ingegeven door het idee dat burgers hadden over rechters. Men meende dat ze zwaarder straften dan feitelijk het geval is.

    Nu lekenrechtspraak invoeren, zou dus voor de zwaarte van de straffen weinig uitmaken. Volgens het eerdere onderzoek worden de straffen iets zwaarder, volgens Wagenaar blijven ze ongeveer hetzelfde.

    Nu Wagenaar lijkt aan te tonen dat irrationele argumenten ook bij rechters voorkomen, is er geen enkele reden meer om lekenrechtspraak tegen te houden.

  2. 2

    Het lijkt mij juist een aanbeveling om de opleiding van rechters aan te passen. Meer aandacht voor logisch correct redeneren en proberen common sense psychologie te vermijden.

  3. 3

    Hmmm… Eén van de conclusies was wel dat de rechters meer keken naar of de verdachte wel of niet schuldig was, en wat meer straften met een solide(re) argumentatie.