1. 5

    Welk gebied zouden kopten dan willen separeren? Wonen kopten in enclaves die te separeren vallen? Hebben de miljoenen kopten met mekaar dat besloten dan? Of moeten kopten, daarentegen, gedwongen worden om te leven onder toch zo sympatico moslimbroeders? Zouden kopten beter niet liever afwachten tot salafistische seperatisten zich van de kopten afsplitsen? Zijn er ook koptische integretionaisten?

    Eigenlijk kom je bijna nooit wat te weten, hoe dingen er bij staan.

  2. 8

    Een van de geldschieters van het filmpje, Steve Klein, vertelde aan Reuters dat ze deze reactie uit de moslimhoek hadden verwacht.

    Dat maakt het filmpje dus wel degelijk een provocatie. En niet een met sympathieke bedoelingen.

  3. 9

    De doden in Libië zijn, in tegenstelling tot wat GS impliceert, niet het slachtoffer geworden van een uit de hand gelopen protest, maar van een doelbewuste aanval van extremistische, waarschijnlijk aan Al-Qaeda geliëerde militanten die sowieso wel Amerikanen hadden willen doden. In dat opzicht geeft GS (al dan niet bewust) een misleidende voorstelling van zaken.

    Aan de andere kant werpt het stuk op GS wel (en bepaald niet onterecht) de vraag op in hoeverre “wij” begrip moeten hebben voor andere mensen die zich laten provoceren tot gewelddadige rellen door een derderangs natte scheet.

    Ik bedoel: begrip hoeft natuurlijk niet oneindig te zijn.

  4. 10

    Van de andere kant, als je weet dat er mensen zijn die zo (verkeerd, dat ben ik volledig met je eens) reageren, hoe kijk je dan aan tegen mensen die (naar inmiddels blijkt opzettelijk) zo’n reactie uitlokken. Van die Kopten snap ik het al helemaal niet, die brengen willens en wetens achtergebleven familieleden in gevaar.

  5. 11

    Die uitlokkers deugen natuurlijk voor geen meter, vooral omdat ze er onmiskenbaar op uit waren gewonden en/of doden te veroorzaken.

    Maar goed: vrijheid van meningsuiting, hogere principes, etc., etc.

    Bovendien: het is heus niet altijd nodig rücksichtslos een kant te kiezen. Zodoende heb ik er geen enkele moeite mee mijn afkeer over meerdere partijen te verdelen.

  6. 12

    De vraag is of het werkelijk om die derderangs natte scheet gaat, of over het gegeven dat moslims in het Midden-Oosten zich al honderd jaar vernederd voelen door het Westen. Voor dat laatste valt wel wat te zeggen.

    Zie bijvoorbeeld deze analyse van Matthijs Krul.

    Vervolgens wordt die frustratie en zo’n filmpje (en allerlei valse beeldvorming daaromtrent) geëxploiteerd door extremistische groeperingen met een nogal dubieuze politieke agenda.

    Overigens moest ik dan wel weer lachen om deze spotprent op de Joop.

  7. 13

    Wie is er nou niet al honderd jaar (of langer) vernederd door het Westen?

    Ik denk dat er toch iets meer nodig is om de demonstraties in de Arabische wereld te verklaren – ook al zijn de aantallen demonstranten, relatief gesproken, niet echt overweldigend.

  8. 14

    @ c 009 annex c 013
    In een I versie van de aanval op de USA-ambassade in Lybia, was het de spontane actie van een Islam ‘mob’ boos over een Westerse belediging van de profeet. Volgens II versie was het een geplande overval van al-Quaeda.

    Deze tegenspraak lost zich op in het begrip Islam. Al-Q kent zijn pappenheimers en kan zich daar propagandistisch of lichamelijk achter verbergen; of ze regelrecht gebruiken. Of a-Q dat ook werkelijk heeft gedaan, is vanuit Westers interesse geredeneerd van geen belang. Het een = het ander = de Islam
    Dat dit zo is, illustreert een waarneming van Marc Steyn in de ‘National Review’ van 15.09.2012:

    ‘A man in a red striped shirt photographs the dead-eyed ambassador from above; another immediately behind his head moves the splayed arm and holds his cell-phone camera an inch from the ambassador’s nose. Some years ago, I had occasion to assist in moving the body of a dead man: We did not stop to take photographs en route. Even allowing for cultural differences, this looks less like “carrying Chris’s body to the hospital” and more like barbarians gleefully feasting on the spoils of savagery.’

    Aldus geeft GS ook weer eens in dit geval geen ‘misleidende voorstelling van zaken.’

    Verder lijkt met bovenstaand exposé afdoend voorzien in de behoefte zoals uitgeschreven in: ‘Ik denk dat er toch iets meer nodig is om de demonstraties in de Arabische wereld te verklaren.’ in c 013.

    Het is gewoon de Islam!

  9. 15

    Heel het christendom is gelukkig ook niet zoals HPax, anders hadden we een rotwereld gehad. Andere christenen schamen zich met zo n psychopaat als HPax in hun midden. Net zoals andere moslims zich excuseren voor hun terroristische geloofsgenoten. HPax staat voor Christendom is haat, lijkt het wel.

  10. 16

    Wat een walgelijk, misplaatst arrogant kutstukje van Paternotte trouwens. “Mevrouw Pillay, (…) Nu velt u een moreel oordeel terwijl u nog nooit iets heeft gedaan wat van waarde is.” Heb je dan 28 jaar als advocaat in Zuid-Afrika anti-apartheidsactivisten verdedigd, marteling aangekaart en ervoor gevochten om politieke gevangenen waaronder Nelson Mandela toegang tot rechtsbijstand te geven, word je 25 later door een tweederangs stukjesschrijver ervan beschuldigd ‘nooit iets van waarde te hebben gedaan’. Als Paternottes partner, zoals die van Pillay, de cel in wordt gesmeten en Paternotte ervoor heeft gevochten om ervoor te zorgen dat hij/haar niet wordt gemarteld, dan verwerft hij recht van spreken.

    Nou ben ik sowieso geen bewonderaar van die gast. Elke keer op zijn wekelijkse GS-column pakt ‘ie een onderwerp uit de actualiteit en schrijft hij een betoog dat reeds door de reaguurders in drie oneliners samen is gevat in de comments onder een eerder stukje over hetzelfde onderwerp. Als het nou prachtige proza was, maar dat vind ik dan ook weer tegenvallen.

  11. 18

    Het is gewoon de Islam!

    http://www.smh.com.au/world/phone-call-launched-video-riots-20120916-260gf.html

    A CRUDE video about the prophet Muhammad that triggered unprecedented protests, became a touchstone for anger across the world through a phone call about two weeks ago from a controversial US-based anti-Islam activist to a reporter for an Egyptian newspaper.

    Morris Sadek, a Coptic Christian living in suburban Washington, DC, whose anti-Islam campaigning led to the revocation of his Egyptian citizenship this year, had an exclusive story for Gamel Girgis, who covers Christian emigrants for al-Youm al-Sabaa (The Seventh Day), a daily newspaper in Cairo.

  12. 19

    “Het is gewoon de islam”, zegt onze huisxenofoob en seniele zwatelaar HPax.

    Deze moslims in Benghazi denken daar toch echt anders over. Ze demonstreren tegen terrorisme, betuigen eer aan de omgekomen ambassadeur Christopher Stephens, en hun spijt aan het Amerikaanse volk.

    Gek is dat, ik zie nou nooit Amerikanen spijt betuigen aan de burgerslachtoffers die omkomen bij drone-strikes in de islamitische wereld, of voor het feit dat Amerika tal van dictators steunt, of voor de oorlogen in Afghanistan en Irak.

  13. 20

    1 Vogelvrij en onder hemelse sanctie is de vreemdeling iemand met wie je structureel twee kanten op kunt. En is het de primitieve samenleving gegeven beide zijden als evenwaardige mogelijkheden te demonstreren.

    ‘Indien’, schrijft CLStrauss, ‘onder meer bij de Ifugao op de Filippijnen de meest algemene betekenis van aidu vreemdeling is, en indien de afgeleide betekenissen daarvan 1. aanverwant (geallieerde) en 2. vijand zijn, dan is het volkomen duidelijk dat die laatste twee betekenissen twee onderscheiden modaliteiten zijn van, of exacter twee manieren van kijken zijn naar dezelfde realiteit’.

    Deze primitieve opvatting van de vreemdeling lijkt mij vrij normaal.

    2 Abnormaal is de moderne houding ten opzichte van de vreemdeling. Wij lijken op de gek van Foucault, ‘de ontregelde speler van het Zelf en de Ander die de dingen neemt voor wat ze niet zijn; hij verwisselt de mensen met elkaar, kent zijn vrienden niet en herkent de vreemdelingen.’ Zijn naam is Don Quixotte. (Foucault, LES MOTS ET LES CHOSES, p. 63).

    3 Ik ben geen xenofoob, ik ben niet gek.

  14. 21

    Je bent in ieder geval een zwatelende pseudo-intellectueel die eruditie veinst, maar intussen citaatjes uit zijn bibliotheek plukt, die geen enkele betrekking hebben op het onderwerp waar we over spreken, laat staan betogen wat jij ermee wenst aan te tonen.

    1. Zo verwijs je bijvoorbeeld naar Kain als representatief voor ‘de vreemdeling’ (subtext: de vreemdeling is een moordenaar en goddeloze, die zijn vreemdelingschap aan zichzelf te danken heeft). Maar je laat achterwege dat God volgens de Bijbel Kain een beschermend symbool op het voorhoofd plakt, zodat niemand hem kwaad zal doen. En ook dat de bijbel – daar geloof jij toch in, HPax? – vol staat met geboden om barmhartigheid te bewijzen aan ‘de vreemdeling die in uw midden woont’.

    2. Wat Foucault in ‘De woorden en de dingen’ betoogt is dat de mens, of de persoon, of het (kennend) subject zoals wij ons dat voorstellen, een moderne vinding is, die slechts een paar honderd jaar oud is: een constructie die wordt bijeengehouden door taal.

    Hij voert in De woorden en de dingen’ een historisch onderzoek uit, waarbij teksten fungeren als archeologische artefacten, die signaleren hoe er in bepaalde tijdperken over de mens in relatie tot zichzelf en de wereld om hem heen gedacht wordt, of juist een radicale verandering daarin signaleren. (Bron)

    Foucault neemt Cervantes’ Don Quichot als pregnant voorbeeld van een reflectie van zo’n cultuuromslag van de Renaissance-periode naar het erop volgende tijdperk.

    “Don Quixote is a negative of the Renaissance world; writing has ceased to be the prose of the world; resemblances and signs have dissolved their former alliance; similitudes have become deceptive and verge upon the visionary or madness; things still remain stubbornly within their ironic identity: they are no longer anything but what they are; words wander off on their own, without content, without resemblance to fill their emptiness; they are no longer the marks of things; they lie sleeping be­tween the pages of books and covered in dust. Magic, which permitted the decipherment of the world by revealing the secret resemblances be­neath its signs, is no longer of any use except as an explanation, in terms of madness, of why analogies arc always proved false.

    The erudition that once read nature and books alike as parts of a single text has been relegated to the same category as its own chimeras: lodged in the yellowed pages of books, the signs of language no longer have any value apart from the slender fiction which they represent. The written word and things no longer resemble one another. And between them, Don Quixote wanders off on his own.

    Yet language has not become entirely impotent. It now possesses new powers, and powers peculiar to it alone. In the second part of the novel, Don Quixote meets characters who have read the first part of his story and recognize him, the real man, as the hero of the book.

    Cervantes’s text turns back upon itself, thrusts itself back into its own density, and becomes the object of its own narrative. The first part of the hero’s adventures plays in the second part the role originally assumed by the chivalric romances. Don Quixote must remain faithful to the book that he has now become in reality; he must protect it from errors, from counterfeits, from apocryphal sequels; he must fill in the details that have been left out; he must preserve its truth. But Don Quixote himself has not read this book, and docs not have to read it, since he is the book in flesh and blood. Having first read so many books that he became a sign, a sign wandering through a world that did not recognize him, he has now, despite himself and without his knowledge, become a book that contains his truth, that records exactly all that he has done and said and seen and thought, and that at last makes him recognizable, so closely does he re­semble all those signs whose ineffaceable imprint he has left behind him. Between the first and second parts of the novel, in the narrow gap between those two volumes, and by their power alone, Don Quixote has achieved his reality – a reality he owes to language alone, and which resides entirely inside the words. Don Quixote’s truth is not in the re­lation of the words to the world but in that slender and constant relation woven between themselves by verbal signs. This hollow fiction of epic exploits has become the representative power of language. Words have swallowed up their own nature as signs.

    Don Quixote is the first modern work of literature, because in it we see the cruel reason of identities and differences make endless sport of signs and similitudes; because in it language breaks off its old kinship with things and enters into that lonely sovereignty from which it will reappear, in its separated state, only as literature; because it marks the point where resemblance enters an age which is, from the point of view of resemblance, one of madness and imagination. Once similitude and signs are sundered from each other, two experiences can be established and two characters appear face to face.

    The madman, understood not as one who is sick but as an established and maintained deviant, as an indispensable cultural function, has become, in Western experience, the man of primitive re­semblances. This character, as he is depicted in the novels or plays of the Baroque age, and as he was gradually institutionalized right up to the advent of nineteenth-century psychiatry, is the man who is alienated in analogy. He is the disordered player of the Same and the Other. He takes things for what they are not, and people one for another; he cuts his friends and recognizes complete strangers; he thinks he is unmasking when, in fact, he is putting on a mask.

    He inverts all values and all proportions, because he is constantly under the impression that he is deciphering signs: for him, the crown makes the king. In the cultural perception of the madman that prevailed up to the end of the eighteenth century, he is Different only in so far as he is unaware of Difference; he sees nothing but resemblances and signs of resemblance everywhere; for him all signs resemble one another, and all resemblances have the value of signs.

    At the other end of the cultural area, but brought close by sym­metry, the poet is he who, beneath the named, constantly expected differences, rediscovers the buried kinships between things, their scattered resemblances. Beneath the established signs, and in spite of them, he hears another, deeper, discourse, which recalls the time when words glittered in the universal resemblance of things; in the language of the poet, the Sovereignty of the Same, so difficult to express, eclipses, the distinction existing between signs.

    This accounts, no doubt, for the confrontation of poetry and madness in modern Western culture. But it is no longer the old Platonic theme of inspired madness. It is the mark of a new experience of language and things. At the fringes of a knowledge that separates beings, signs, and similitudes, and as though to limit its power, the madman fulfils the function of homosemanticism: he groups all signs together and leads them with a resemblance that never ceases to proliferate.

    The poet fulfils the opposite function: his is this allegorical role; beneath the language of signs and beneath the interplay of their precisely delineated distinctions, he strains his ears to catch that ‘other language’, the language, without words or discourse, of resemblance. The poet brings similitude to the signs that speak it, whereas the madman loads all signs with a resemblance that ultimately erases them. They share, then, on the outer edge of our culture and at the point nearest to its essential divisions, that ‘frontier’ situation – a marginal position and a profoundly archaic silhouette -where their words unceasingly renew the power of their strangeness and the strength of their contestation. Between them there has opened up a field of knowledge in which, because of an essential rupture in the Western world, what has become important is no longer resemblances but identities and differences.”

    Kortom, met je kritiek op Don Quichot als representant van het Moderne Denken doe je net alsof jij nog over jezelf en je relatie tot jezelf en de werkelijkheid denkt (en zou kunnen denken) als een Renaissancemens. Maar als je Foucaults logica volgt – en waarom zou je hem citeren dan om zijn autoriteit op te roepen – dan kan dat helemaal niet.

    En zoals gezegd: je plukt eenvoudig een citaatje uit zijn werk dat totaal geen verband houdt met het immigratievraagstuk. Maar hé, er staat het woord ‘vreemdeling’ in en het staat heul geleerd, dus knallen met die banaan!

    Patjepeeër dat je d’r bent.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren