Hoe zorg je ervoor dat leerlingen niet blijven zitten?

DATA - Vanochtend sprak Michel Rog van CNV Onderwijs op Radio 1 over een plan om het zittenblijven terug te dringen. In Nederland blijft jaarlijks 5 procent van de leerlingen  zitten  in  het  voortgezet  onderwijs.  Dat  zijn bijna  50.000  op  een  totaal  van  925.000  leerlingen.  Dat kost de staat jaarlijks 350 miljoen euro, zo staat in het persbericht. Internationaal scoort Nederland slecht; er zijn landen waar zittenblijven helemaal niet voorkomt (o.a. Japan, Korea, Noorwegen).

Ik ging op zoek naar een grafiek. Als eerste vond ik een beleidssamenvatting van een onderzoek uit België, met de titel “Zittenblijven in vraag gesteld“. Ook daar is het onderwijs “gewend” om kinderen te laten zitten. Vervolgens las ik een artikel van Ferry Haan in De Volkskrant van vorig jaar: “Blijven zitten is kennelijk heel heel erg“. Hoewel de titel anders doet vermoeden, is hij zelf als docent ook kritisch over nut en noodzaak. Hij geeft bovendien een mooi inkijkje in hoe beslissingen over zittenblijven binnen een school worden genomen; die zijn niet altijd even rationeel.
De Belgische onderzoekers noemden als bron PISA 2009, en toen was de publicatie snel gevonden. De OECD publiceerde in juli 2011 een “PISA in focus” themanummer over zittenblijven, met gegevens uit 2009. En de opmerkelijke conclusie is dat landen waarin kinderen vaak blijven zitten, ook slechter scoren op kwaliteit. Er staat letterlijk: “In landen waar meer kinderen blijven zitten, is de gemiddelde prestatie lager, en heeft sociaal-economische achtergrond een grotere invloed op prestaties dan in landen waar minder kinderen blijven zitten”.

Landen waar minder kinderen blijven zitten, hanteren andere strategieën om het gewenste niveau te bereiken. In die landen hebben scholen ook meer autonomie in het ontwikkelen van curricula en testen.

En dat maakt het thema nog boeiender. Wil je het aantal zittenblijvers terugdringen, dan moet je niet alleen het strikte jaarklassensysteem loslaten, of allerlei summer schools gaan organiseren. Het betekent ook dat scholen op onderdelen als curricula en toetsen meer autonomie moeten krijgen; en dat strookt wellicht minder goed met de ideeën over centrale toetsing. En de curricula liggen in Nederland ook behoorlijk vast, alleen al omdat docenten vertrouwen op hoogwaardig lesmateriaal van educatieve uitgevers. .

Tegelijkertijd is meer autonomie ook niet de oplossing voor alles. Juist de autonomie bij het beslissen over zittenblijven, zorgt in de praktijk voor willekeur (zoals de Belgen laten zien in hun onderzoek).

Onderstaande grafiek laat inderdaad zien dat in Nederland leerlingen vaker dan gemiddeld in OECD verband blijven zitten. Overigens gaat het om gegevens op basis van enquêtes, en niet de feitelijke doublures. Ik neem aan dat CNV deze gegevens heeft vergeleken met de echte doorstroomcijfers in Nederland.

Overigens zijn de andere grafieken in deze publicatie ook zeer de moeite waard. Zo blijkt dat in Nederland zittenblijven relatief veel kost. Samen met België en Spanje zijn we voor een groep zittenblijvers relatief het meeste geld kwijt. Zie daarvoor de grafiek op pagina 3.

Originele publicatie

Foto Flickr cc Brabant Bekijken

  1. 1

    Het is natuurlijk vrij bizar dat het concept “ondersteun kinderen die moeite hebben op school in plaats van ze te laten bungelen” nieuws is. Maar dat is de realiteit in Nederland.

    Ik ben voor! Maar ik geef dan ook al les aan precies deze kinderen. Soms betaald vanuit PGB, soms door de school, vaak door de ouders. Ritzen heeft (nadat hij al geen minister meer was natuurlijk) al gezegd dat we deze begeleiding aan alle kinderen die het nodig hebben zouden moeten bieden.

    Als het probleem met enkele vakken is in plaats van algemeen kan een summer school dat prima oplossen – in vijf weken intensief Frans of natuurkunde kun je een hoop inhalen, en dat is voor een leerling echt niet minder afschrikwekkend dan het idee blijven zitten.