Sociale Vraagstukken

293 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: copyright ok. Gecheckt 06-11-2022

Brinkman ervaart het nu ook: er is geen politieke middenweg

Het schisma tussen Brinkman en Wilders toont het democratische dilemma van het populisme. De keuze is tussen een sterke leider en ruim baan voor de vrije volkswil. Wat Brinkman persoonlijk heeft ervaren, is op grote schaal gebeurd: het vertrouwen in een politieke middenweg is verdwenen. Dat stelt politiek filosoof en publicist Gerard Drosterij.

Wil een alleenheerser zijn macht behouden dan zal hij vrijdenkers moeten weren en samenscholingen voorkomen. Mensen in zijn buurt dienen vreemden voor elkaar te blijven, want opbloeiende vriendschappen verzwakken slechts de ondubbelzinnige loyaliteit voor de alleenheerser. Aldus Aristoteles 2300 jaar geleden.

Hero Brinkmans frontale botsing met Geert Wilders kwam dus niet als een verrassing. Waar een alleenheerser regeert, daar zal ooit iemand opstaan die het niet meer pikt. Maar Brinkmans pleidooi voor openheid in de PVV was voor Wilders een onmogelijke eis. De deur op een kier zetten, was hem wagenwijd openen.

Het schisma tussen Brinkman en Wilders toont het democratische dilemma van het populisme. Voorop staat het belang van het volk, een belang dat lang door de elite is gedwarsboomd. De populist wil het volk van het elitaire juk bevrijden en kan dat op twee manieren: of de volkswil ondubbelzinnig door een sterke leider laten verwoorden, of juist vrijbaan geven aan die volkswil. In principe is er geen tussenweg mogelijk. Immers, de vijand is juist de vertegenwoordigende democratie.

Foto: copyright ok. Gecheckt 08-11-2022

De herontdekking van het collectief

Ten gevolge van de forse overheidsbezuinigingen ontstaan er tal van initiatieven waarbij de burger zelf het heft in handen neemt. De middeleeuwse en vroegmoderne geschiedenis leert dat de burgers heel goed in staat zijn om zelf hun instituties op te richten en te beheren, zonder al te veel bemoeienis van bovenaf, meent Tine de Moor.

Tot begin 19e eeuw organiseerden de burgers bij ontstentenis van een krachtige overheid hun eigen instituties. In de steden verenigden zij zich in ambachts- en buurtgilden; op het platteland maakten ze collectief gebruik van gemeenschappelijke weidegronden (meenten en markegenootschappen) en werden collectieve afspraken gemaakt over het beheer van de waterhuishouding. In het Engelstalige jargon verwijst de term commons naar allerlei vormen van gedeeld gebruik en verantwoordelijkheid over diensten en goederen.

De verschillende vormen van do-it-yourself-governance boden eeuwenlang een alternatief voor regulering van bovenaf of door de vrije markt. Omdat steeds duidelijker wordt dat de overheid niet bij machte is om alle sociale problemen op te lossen, bieden ze ook nu een wenkend perspectief. De onvrede van de samenleving over de ‘onmacht’ van de overheid uit zich in een groeiend populisme, maar tegenwoordig ook steeds meer in de herontdekking van collectieve instituties.

Er zijn inmiddels tal van voorbeelden van collaborative consumption (initiatieven zoals autodelen of samenaankoop van energie) en collaborative production (de coöperatie als bedrijfsmodel). Daarbij zij aangetekend dat ze economisch een nog vrij marginale betekenis hebben. De grote vraag is dan ook of het collectief de kracht van een echt maatschappelijk alternatief kan krijgen.

Foto: copyright ok. Gecheckt 10-03-2022

Hoe blijft de verpleging betaalbaar?

Het gebruik van verpleging en de verzorging voor mensen thuis of in instellingen zal de komende jaren blijven doorgroeien. Van 11 miljard in 2009 zal dit bedrag groeien tot 25 miljard in 2030. Gesteld dat we dit als een probleem zien, wat kunnen we ertegen doen? Een verhoging van de eigen bijdrage zal geen soelaas bieden, menen Evelien Eggink en Debbie Oudijk, beiden werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

In 2009 gebruikten 940.000 mensen een vorm van publiek gefinancierde thuiszorg, verpleeghuiszorg of verzorgingshuiszorg. De vergrijzing zal het beroep op deze zorg opstuwen. Wij hebben becijferd dat er in 2030 intotaal 1,25 miljoen gebruikers kunnen worden verwacht. Dit betekent een stijging van ongeveer 1,5 procent per jaar. De meer intensieve vormen van zorg, met name van de instellingen, zullen sterker toenemen dan de lichtere en goedkopere zorgvormen.

Op basis van de vergrijzing hadden we wel een veel sterkere stijging van het gebruik verwacht. Zo komt de groei van het aantal 65-plussers tot 2030 uit op 2 procent per jaar, en die van het aantal 80-plussers zelfs op 2,5 procent per jaar. Het zorggebruik wordt gedempt doordat ouderen steeds langer in goede gezondheid verkeren en door een hoger inkomen en opleidingsniveau minder afhankelijk zullen zijn van publiek gefinancierde zorg. Bij deze berekeningen is geen rekening gehouden met moeilijk te voorspellen effecten van beleid of veranderde voorkeuren van gebruikers.

Foto: copyright ok. Gecheckt 03-03-2022

Hervorm liever dan alleen te bezuinigen

Haastig bezuinigen zonder fundamentele hervormingen brengt de Nederlandse economie in een neerwaartse spiraal. Het zou beter zijn om de economie sterker, groener en rechtvaardiger te maken. Dat zouden zowel liberalen, christendemocraten als populisten moeten willen, zegt Bas van Bavel, hoogleraar Sociale en Economische Geschiedenis van de Middeleeuwen aan de Universiteit Utrecht.

Bezuinigen is noodzakelijk. Over het tempo en de omvang waarin dat moet gebeuren, en wat hiervan de korte termijneffecten zijn, valt te twisten. Maar veel belangrijker nog zijn de effecten op de langere termijn. Hoe voorkomen we dat een langdurige hapering van de Nederlandse economie en een verlies aan concurrentiekracht ons over een tijd dwingen tot weer een volgende bezuinigingsronde? Hoe zorgen we ervoor dat het succes en de slagkracht van onze economie juist in deze moeilijke omstandigheden worden vergroot, om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen? Die slagkracht is al niet groot, als gevolg van de structurele problemen op drie terreinen die noodzakelijk zijn voor economische ontwikkeling en groei:

– de uitbouw van menselijk kapitaal (human capital) en daaraan gekoppeld de investering in onderwijs en onderzoek;
– verduurzaming van de economie;
– maatschappelijke gelijkwaardigheid en brede participatie.

Terecht wordt er op gewezen dat hervormingen van de arbeidsmarkt, de woonsector en de financiële sector noodzakelijk zijn, maar nog belangrijker voor onze welvaart zijn de dieperliggende fundamenten die welvaart op de lange termijn kunnen creëren. Recent economisch en economisch-historisch onderzoek laat, nog duidelijker dan we eerder al wisten, zien dat juist deze drie terreinen cruciaal zijn voor een succesvolle economie die ook internationaal concurrerend blijft. En op alle drie terreinen presteert Nederland op dit moment matig.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

De crisis is een mooie kans voor mannen

Mannen gaan waarschijnlijk meer last van de crisis krijgen dan vrouwen. Dit geeft een geweldige kans om taken (binnenshuis) te gaan herverdelen,  betoogt psycholoog Vincent Duindam. Uit onderzoek dat hij deed komt naar voren dat mannen graag vaderschap en werk willen combineren. Dan is een part-time baan dus een ideaal perspectief.

Waarschijnlijk weten niet veel mensen dat de aanleiding voor de eerste Internationale Vrouwendag (Kopenhagen 8 maart, 1910) een massale staking was waarin Amerikaanse vrouwen eisten dat ze niet méér dan 8 uur per dag hoefden te werken. Behalve minder uren werken wilden ze betere arbeidsomstandigheden en kiesrecht. Er is veel veranderd in de afgelopen eeuw. En de hierboven genoemde eisen zijn in het Westen in elk geval grotendeels werkelijkheid geworden.

Sinds de jaren zestig is (vrouwen)emancipatie veel breder geworden. Het heeft te maken met zelfbeschikking: mogen beschikken over je eigen lichaam (inclusief seksualiteit, voortplanting, ouderschap), je eigen keuzes kunnen maken (vrije partnerkeuze, betaalde arbeid, zorg,  relaties, onderwijs, politiek).

In 1978 hing Joke Kool Smit een affiche op met TIEN VOORDELEN VAN DE 5-URIGE WERKDAG. Voor vrouwen én mannen wel te verstaan. Ook hier dus een radicalisering van de eisen uit 1910. Alle tien de voordelen zijn m.i. nog steeds actueel. Hieronder geef ik er drie van de tien:

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Kijk mannen niet weg uit de kinderopvang

Vorig jaar werd de kinderopvang opgeschrokken door een ernstige zedenzaak. Dat mag er niet toe leiden dat mannen daar niet meer mogen werken. Waarom wordt er toch zo slecht geleerd, bijvoorbeeld van de gehandicaptensector? Een gastbijdrage van Marijke Lammers, senior adviseur huiselijk en seksueel geweld bij MOVISIE.

Het is schrikken als je leest dat er nu in de kinderopvang wordt gesproken over aparte protocollen voor mannen. Over argwaan naar iedere mannelijke medewerker. Over angst dat ouders kinderen weghalen omdat er een man op de groep staat.

Er ontstaat een angstcultuur, met het risico dat preventie bestaat uit regels als: niet meer met een kind alleen, geen arm meer om een kind, niet op de rand van het bed zitten als een kind huilend wakker wordt… Risicomijdend gedrag van het management tot de werkvloer, met alle ongewenste gevolgen van dien. Als je kinderen nabijheid en aanraking onthoudt, is er in feite sprake van een vorm van verwaarlozing. En medewerkers worden hierdoor niet toegerust om op een professionele en veilige manier wel nabij te kunnen zijn.

Mannen weggekeken uit de kinderopvang. Dadelijk ook uit het zwembad, de sport, de kerk, de…? Hoe is het zover kunnen komen? Waarom hebben we zo weinig lering getrokken uit eerdere incidenten?

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Rechters zullen minimumstraffen omzeilen

Met zijn wetsvoorstel voor minimumstraffen zegt het kabinet tegemoet te komen aan de roep uit de samenleving om strengere straffen. De vraag is of die roep wel zo luid klinkt als de regering beweert.  En of het wetsvoorstel niet meer is dan symboolpolitiek. De rechterlijke macht ziet er in ieder geval niets in, stelt Nico Kwakman, universitair docent aan de vakgroep Strafrecht en Criminologie van de Rijksuniversiteit Groningen.

Onlangs heeft het kabinet het ‘wetsvoorstel minimumstraffen’ ingediend bij de Tweede Kamer. De Raad van State, de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming en de Vereniging voor Rechtspraak: allemaal adviseerden ze het kabinet de wet niet in te voeren. Maar het kabinet zet haar plannen door. Die plannen houden kort gezegd in dat daders die binnen tien jaar voor de tweede keer een ernstig gewelds-, levens- of zedenmisdrijf plegen (waar ten minste een maximum straf van 8 jaar op staat en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer met zich mee brengt), een minimumstraf opgelegd krijgen oftewel minstens de helft van de wettelijke maximumstraf waarmee het vergrijp wordt bedreigd.

Inhoudelijk valt er veel op het wetsvoorstel af te dingen en bovendien mist het zijn doel. In de eerste plaats laat wetenschappelijk onderzoek zien dat zware straffen de kans op recidive niet of nauwelijks verkleinen. Ook is nog nooit aangetoond dat zware straffen leiden tot een daling van de misdaadcijfers.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Diversiteit werkt op de werkvloer

Binnenkort betreden migranten van de derde generatie de arbeidsmarkt. Afgezien van de vraag tot in welke generatie je nog van migranten kan spreken, is er de kwestie van integratie. Werkt Achmed inmiddels in goede harmonie samen met Piet, Regillio en Cedric of weerspiegelt het ‘fiasco van de multiculturele samenleving’ zich ook in het bedrijfsleven? Een bijdrage van Sabine Otten, hoogleraar Intergroeprelaties en Sociale Integratie aan Rijks Universiteit Groningen.

Kunnen allochtonen en autochtonen zich dankzij twee decennia diversiteitsbeleid met elkaar verstaan op de werkvloer, of worden minderheden nog steeds geconfronteerd met sociale uitsluiting en achterstand?

Voor een antwoord op die vraag deed ik onderzoek onder meer dan tweeduizend zowel allochtone als autochtone werknemers; ongeveer 30 procent was migrant van de eerste of tweede generatie. Mijn aanname was dat de verwachting en feitelijke ervaring van uitsluiting en ongelijke behandeling samen zouden vallen met weinig arbeidsvreugde en dito sociaal vertrouwen. Die hypothese werd in het onderzoek bevestigd.

Een verrassende uitkomst van het onderzoek is dat er ten aanzien van uitsluiting en sociaal vertrouwen niet of nauwelijks verschillen zijn te onderscheiden tussen allochtone en autochtone werknemers. Beide groepen gaven aan dat zij weinig ervaring hebben met onheuse behandeling. Ook lieten beide groepen weten veel vertrouwen te hebben in de arbeidsorganisatie en in hun collega’s en leidinggevenden. Alleen met betrekking tot hun verwachtingen, zijn er verschillen. De allochtone werknemer is vergeleken met zijn autochtone collega minder optimistisch over een behoorlijke behandeling.

Foto: copyright ok. Gecheckt 23-11-2022

De beste nudge: alleen chips op zaterdagavond

Gezond eten kun je aan mensen overlaten of je kunt hardhandig ingrijpen. Nudging is een redelijk alternatief, zeggen Denise de Ridder, Emely de Vet, Marijn Stok en Marieke Adriaanse. Voeding kent echter weinig succesvolle nudges; we worden weliswaar overladen met informatie wat en hoeveel we moeten eten, maar zelden horen we iets over wanneer en waar we zouden moeten eten.

De moderne voedselomgeving wordt ‘obesogeen’ (of dikmakend) genoemd omdat er op iedere plaats en op ieder moment van de dag ongezond en calorierijk eten te verkrijgen is – in flinke porties bovendien. Het gevolg is dat mensen meer eten dan goed voor ze is en dat inmiddels ruim de helft van de Nederlandse bevolking te dik is.

Voeding kent weinig succesvolle nudges
De roep om maatregelen om de effecten van de obesogene omgeving terug te dringen is groot. Een maatregel die op veel bijval kan rekenen is om mensen te stimuleren om gezondere keuzes te maken (zie bijvoorbeeld het artikel van Krispijn Faddegon op deze site), helaas in de meeste gevallen zonder concrete aanwijzingen hoe ze dat zouden moeten doen. Zo benadrukt minister Schippers bij herhaling dat de burger zelf verantwoordelijk is voor het consumeren van gezond voedsel, maar laat in het midden hoe ze dat voor elkaar moeten krijgen in een omgeving die vergeven is van ongezond voedsel.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Ouders voelen zich machteloos op school

Beleidsmakers denken dat de informatie die ze verstrekken makkelijk te vinden is. Maar ouders doen vrijwel geen beroep op informatie van de Onderwijsinspectie om de onderwijskwaliteit op de (basis-)school van hun kinderen te controleren. Ze vinden ook dat ze weinig invloed hebben op de kwaliteit van de school, zegt Victor Bekkers, hoogleraar Bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Ons onderzoek onder 25 verschillende basisscholen toont aan dat ouders de informatie van de Inspectie van het Onderwijs nauwelijks gebruiken om de kwaliteit van de school van hun kind te controleren. Opvallend veel ouders zeggen dat die gegevens hen niet veel zeggen.

Schooldirecteuren en schoolleidingen maken wel gebruik van de door de inspectie verzamelde gegevens bij het vaststellen van hun beleid. Bij (zeer) zwakke scholen gebeurt dat in de vorm van een ‘reactieve reflex’: in een poging om het negatieve stempel van de Inspectie kwijt te raken, pakken ze de geconstateerde tekortkomingen aan. Scholen die het beter doen, integreren de Inspectienormen in hun documenten en systemen van kwaliteitsbewaking doorgaans vanuit een proactieve strategie.

Inspectie richt zich te veel op cognitieve resultaten

Anders dan ouders maken schoolleiders wel gebruik van de informatie, maar zijn ze niet altijd tevreden over de manier waarop de gegevens zijn verzameld. De inspectie zou zich bij haar kwaliteitstoets vrijwel exclusief richten op cognitieve opbrengsten (smalle benadering van kwaliteit). Volgens de directies en het management moet een basisschool ook aandacht hebben voor de creatieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. En hoewel die aspecten doorgaans moeilijker zijn te meten, moet de Inspectie deze ook meerekenen omdat ze passen in een breed kwaliteitsoordeel. Onderwijskwaliteit omvat meer dan gekwantificeerde opbrengstcijfers.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Spoorellende is voorbeeld van verknipt bestuur

De verknipte dienstverlening op het spoor illustreert de behoefte aan nieuwe besturingsvormen in de publieke sector. Door een te grote nadruk op efficiency raakt de samenhang tussen de opgeknipte onderdelen verloren.  Meer toezicht en controle zullen daar weinig aan kunnen veranderen. Regionale verantwoordelijkheden wel, zegt Joop Koppenjan, hoogleraar Bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Afgelopen weken werden de treinreizigers volop geconfronteerd met de jaarlijkse dip in de dienstverlening op het spoor. Sneeuw en vrieskou waren het spoorsysteem wederom de baas en dat ging gepaard met het eveneens jaarlijkse terugkerende zwartepieten tussen dienstverlener NS en Infrastructuurbeheerder Prorail. Dit jaar in de vorm van een heuse catfight tussen directeuren Ingrid Thijssen (NS) en Marion Gout (Prorail).

Doordat de zorg voor het spoor is opgeknipt tussen NS en Prorail lijkt het Nederlandse railsysteem kwetsbaarder te zijn dan waar dat niet is gebeurd, zoals in Duitsland en Zwitserland. Dit opknippen hebben we te danken aan het streven naar efficiency, resultaatgericht werken, verzelfstandiging en marktwerking, waar onze bestuurders en politici zich in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw door lieten leiden.

De gevolgen beperken zich niet tot de railsector. Op tal van terreinen van publieke dienstverlening treffen we praktijken aan die ‘verknipt’ overkomen. Recent werd melding gemaakt van de grote financiële risico’s waarmee directeur Erik Staal woningcorporatie Vestia aan de rand van de afgrond bracht. De week ervoor berichtten de media over te dure dienstreizen van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft. Incidenten die naadloos in de rij passen van eerdere berichten over mislukte vastgoedavonturen van onderwijs- en zorginstellingen die de kerntaken van deze organisaties bedreigden, het lichtvaardig uitreiken van diploma’s door hogeschool Inholland, te hoge salarissen van bestuurders en managers in verzelfstandigde overheidsdiensten, enzovoorts.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Nederlandse families zijn heel stabiel

Individualisering, secularisering en toenemende etnische diversiteit, plus de opbouw en renovatie van de verzorgingsstaat, onderwijsexpansie en flexibilisering van arbeid zouden negatieve gevolgen hebben voor het functioneren van families. Uit onderzoek blijkt echter het tegendeel, stelt hoogleraar Empirische Sociologie Pearl Dykstra.

De grote meerderheid van de Nederlandse bevolking kiest voor een betrekkelijk traditioneel bestaan. De diversiteit in familierelaties neemt weliswaar toe, maar lang niet zo sterk als populaire denkbeelden soms suggereren. Nederlandse families zijn niet in rep en roer. Ze worden gekenmerkt door veel contact en onderlinge steun. Oftewel, de kwaliteit van familierelaties is over het algemeen goed. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat jongvolwassenen, nadat zij het ouderlijke huis hebben verlaten, frequent contact met hun ouders houden. En uit het feit dat de gedachte dat kinderen nu vaker in een éénoudergezin opgroeien, een historische misvatting blijkt. En: de veronderstelling dat het buitenshuis werken van de vrouw ten koste gaat van de zorg die zij haar familie biedt, vindt geen steun in de data.

Familie en overheid

In Nederland wordt evenals in de andere ontwikkelde landen de verantwoordelijkheid voor de zorg voor en de financiële ondersteuning van jong en oud op de een of andere manier gedeeld tussen families en overheid. Afhankelijkheden in families – tussen oudere en jongere generaties en tussen mannen en vrouwen – worden gecreëerd en bestendigd of juist verlicht door de juridische en beleidsvoorzieningen. Wetten definiëren de afhankelijkheidsrelaties tussen generaties en seksen, terwijl beleidsmaatregelen bepaalde familiepatronen en -praktijken belonen of ontmoedigen.

Vorige Volgende