Rejo Zenger

11 Artikelen
3 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Rejo Zenger is, als vanzelfsprekend, geïnteresseerd in een duurzame, open en vrije samenleving. Hij richt zich op persoonsgegevens, een transparante overheid en digitale burgerrechten.
Foto: Eric Heupel (cc)

Wens politie: geen auto ongezien door Rotterdam

De politie Rotterdam-Rijnmond heeft in 2009 geprobeerd om de verkeerscamera’s, die gebruikt worden voor verkeersmanagement, aan te sluiten op het eigen systeem voor kentekenherkenning (ANPR). Daarmee zou haast geen auto ongemerkt meer door Rotterdam kunnen rijden. Of de koppeling uiteindelijk tot stand is gebracht, is niet bekend.

De aantallen en een deel van de locaties van de camera’s zijn terug te vinden in een rapport van de politie Rotterdam-Rijnmond. Het document bevat een opsomming van alle projecten om de toepassing van Automatic Number Plate Recognition uit te breiden. Het rapport werd openbaar gemaakt naar aanleiding van een verzoek op de Wet openbaarheid van bestuur.

Door de politie zijn alle oeververbindingen in de regio Rotterdam afgedekt. In de Maastunnel hangen sinds eind 2007 vier statische camera’s die op elk moment de kentekens van de passerende auto’s vastleggen. Ook de Erasmusbrug en Willemsbrug in het centrum zijn voorzien van camera’s die de passerende auto’s registreren. Buiten het centrum zijn de grote toegangs- en uitvalswegen voorzien van ANPR camera’s, zoals de Suurfhofbrug, de Harmsenbrug, de Thomassentunnel, de Calandbrug, de Hartelbrug, de Botlektunnel, de Beneluxtunnel en de Van Brienenoordbrug. In totaal zijn het 68 camera’s. Op de Botlekbrug, direct naast de Botlektunnel, zijn eind 2009 nog geen camera’s opgehangen. De projectgroep van de politie adviseert om dat “lek” te dichten.

Foto: Eric Heupel (cc)

Ambtenaren: uitvoering openbaarheid bestuur kan scherper

Onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken wijst uit dat oneigenlijk gebruik van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) beperkt is. Nog altijd heeft de minister geen oog voor de moedwillige tegenwerking door de overheid die burgers en journalisten ervaren.

Minister Donner stuurde eerder deze week een brief aan de Tweede Kamer. De brief wordt begeleid met de resultaten van een enquête onder ambtenaren. Het rapport rammelt aan alle kanten. Op basis van het onderzoek concludeert de minister dat “de omvang van het probleem van oneigenlijk gebruik van de wet lijkt mee te vallen”. Verzoekers die geld proberen te verdienen aan een traag reagerende overheid, houden daar weinig aan over. De bewindsman constateert ook “dat omvangrijke verzoeken niet in grote getale ingediend worden”.

De minister besteedt slechts één van zijn zestien pagina’s lange kamerbrief aan de kant van de verzoekers. In de praktijk ervaren burgers en journalisten regelmatig actieve obstructie door de overheid. De minister gaat voorbij aan het vaak aantoonbaar onnodige uitstel van de beslissing op een verzoek. Ook spreekt de bewindsman met geen woord over de onzorgvuldige en soms willekeurige censuur waarmee onterecht veel informatie in documenten wordt weggestreept. Aan inbreng voor de minister heeft het niet gelegen. Er is in de afgelopen maand veel kritiek geweest op de eenzijdige plannen van Donner. Naast kritiek hebben de ambtenaren ook tal van goede ideeën in de enquête aangeleverd.

Foto: Eric Heupel (cc)

Controle overheid moet niet bij overheid

De aankondiging van minister Donner (BZK) op Dag van de Persvrijheid om de Wet openbaarheid van bestuur in te perken, kon op een applaus van de aanwezige journalisten rekenen. Onbegrijpelijk, want de wet moet inderdaad op de schop, maar dan wel om andere redenen. De openbaarheid van overheidsinformatie, zoals vastgelegd in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), dient het vooronderstelde belang van een goede en democratische bestuursvoering. Het recht is vastgelegd in onze Grondwet en openbaarheid dient dan ook het uitgangspunt te zijn.

Afhandeling vaak onzorgvuldig en te laat

De noodzaak van de wet wordt duidelijk uit de gang van zaken rondom het CIOT, de databank met de actuele klantgegevens van internet providers en telefoonaanbieders. Met de Wob in de hand wordt duidelijk dat de praktijk van bevraging door opsporingsdiensten al jaren zorgwekkend is en de wettelijk verplichte rapportages onvolledig waren. Ook de opzet van het internetfilter is gebaat bij openbaarheid, net als de camera’s boven de weg die kentekens scannen en de bedroevend slechte Nederlandse inbreng voor de Europese evaluatie van de bewaarplicht. Bij deze en vele andere onderwerpen heeft de Wob een belangrijke rol gespeeld, ondanks actieve tegenwerking van de overheid. Onnodig uitstel van de beslissing op het verzoek en het onzorgvuldig censureren van documenten zijn beproefde middelen voor obstructie. Bezwaar maken loont bijna altijd. In 2010 heb ik enkele tientallen verzoeken gedaan. Bij meer dan één derde ervan nam de overheid de beslissing te laat. De overheid kan de beslissing verdagen als zij voor de behandeling van het verzoek meer tijd nodig heeft. Maar zelfs dan is de overheid vier van de tien keer te laat. En als de beslissing te laat is, dan is dat gemiddeld bijna twee weken. Soms is dat uitstel aantoonbaar onnodig. Zo adviseren internet providers de minister een brief van henzelf over een internetfilter openbaar te maken en de staatssecretaris belooft de Eerste Kamer dat ook. Desondanks is voor de beslissing op mijn verzoek maar liefst 2,5 maand nodig. De obstructie hindert een op feiten gebaseerde discussie. Zo had de brief een belangrijke rol kunnen spelen in de discussie die vooraf ging aan een stemming in het Europese parlement over verplichte internetfilters. De overheid hoort zich gewoon aan haar eigen, toch al lange, termijnen te houden. Dan hoef ik ook geen dwangsom te eisen, die ik overigens, via de belasting, toch weer zelf betaal.

Foto: Eric Heupel (cc)

Politie dreigt toegang opsporingsdatabase te verliezen

De politiekorpsen in de Randstad dreigen toegang tot de databank met klantgegevens van internet- en telefoonaanbieders te verliezen. Bij het opvragen van gegevens uit de databank wordt al jaren de wet overtreden. Een aantal korpsen is niet in staat een ultimatum tot verbetering te halen. Ondertussen wil de minister van Veilligheid en Justitie de databank uitbreiden met de historische bel- en internetgegevens van alle Nederlanders.

Het CIOT is de landelijke database met de actuele klantgegevens van alle internet- en telefoonaanbieders. Jaarlijks worden door meer dan veertig opsporings- en inlichtingendiensten bijna drie miljoen bevragingen gedaan. Daarbij wordt stelselmatig wet- en regelgeving overtreden: in veel gevallen is niet te contoleren of de bevraging rechtmatig is. De diensten kregen in augustus vorig jaar een brief waarin ze gemaand werden orde op zaken te stellen. De minister van Veiligheid en Justitie heeft hen daarvoor tot 1 mei de tijd gegeven.

“Onze praktijk wijkt af van het ideale plaatje”, zegt de korpschef van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond als hij de dagelijkse praktijk van CIOT-bevragingen beschrijft. In de rapportage verklaart het korps dat de documentatie van de bevragingen verbeterd moet worden en het geen systeem van controle op rechtmatigheid van bevragingen heeft. De bevoegde medewerkers van het Regionaal Informatie Centrum krijgen dagelijks vele tientallen bevragingen voorgeschoteld. Ze kunnen die niet op rechtmatigheid beoordelen omdat het onmogelijk is alle daarbij horende onderzoeksdossiers te bestuderen. Die beoordeling gebeurt nu door diegenen die de inhoud en het verloop van de dossiers wel kennen, maar de bevoegdheid voor de bevragingen niet hebben: de hulpofficieren van justitie. Als gevolg daarvan is elke bevraging van het korps onrechtmatig.Het Rotterdamse korps is niet het enige dat wet- en regelgeving overtreedt bij opvragen van klantgegevens van internet- en telefoonaanbieders. Van de 26 politiekorpsen kunnen er veertien half september geen “in control statement” afgeven, zo blijkt uit documenten die met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) boven water zijn gekomen. Het “in control statement” van één van de korpsen bleek, na een steekproef van het ministerie, te voorbarig.

Foto: Eric Heupel (cc)

Providers: internetfilter geen effectief middel

Nederlandse internetproviders vinden een internetfilter geen effectief middel meer in de strijd tegen afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen. Dat zei staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) begin december in de Tweede Kamer. Hij baseerde zich op een brief van het Platform Internetveiligheid, het samenwerkingsverband van providers en het Meldpunt Kinderporno. Die brief is nu, na maanden van onnodig uitstel, openbaar gemaakt.

In de brief schrijven de internetproviders en het meldpunt dat ze het over belangrijke onderdelen van het internetfilter eens zijn geworden, zoals de criteria en de technische inrichting. Ook hebben de partijen het benodigde geld toegezegd. Maar in tussentijd is de situatie erg veranderd. Sinds de motie voor een internetfilter door de Tweede Kamer werd aangenomen is het aantal websites om te blokkeren geminimaliseerd. De afname is, zo schrijft het platform, een gevolg van de opkomst van alternatieve technieken voor het verspreiden van grote bestanden. Ook is de nationale en internationale opsporing effectiever geworden.

Het platform schrijft aan de minister dat de omvang van het aantal commerciële websites met afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen drastisch is afgenomen en er “nagenoeg geen websites over blijven om te blokkeren”. Op basis van de gegevens van het Meldpunt Kinderporno komen de internetproviders tot de conclusie dat een filter niet langer “als probaat en effectief instrument kan dienen om bij te dragen aan de bestrijding van kinderporno op internet.” De internetproviders willen het filter niet langer.

Foto: Eric Heupel (cc)

Onzorgvuldige censuur door NCTb

Ook de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) streept maar al te graag met een zwarte stift in documenten die zij op verzoek van burgers openbaar maakt. Als later een ongecensureerde versie lekt, blijkt dat er in een brief ten onrechte is gestreept.

Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vroeg ik een half jaar geleden het NCTb alle documenten over het onderzoeksprogramma “Herkenning Digitale Informatie en Fingerprinting” openbaar te maken. Een van de verstrekte documenten is een voortgangsbrief. Het NCTb schrijft over het Innovatiecongres Veiligheid 2010, waar het NCTb de sessie “technologie en terrorisme” leidt. Dit congres wordt jaarlijks door de overheid georganiseerd om de laatste technologische toepassingen op het gebied van hulpverlening en rampenbestrijding te bespreken.

Het NCTb zegt de brief openbaar te maken “met uitzondering van de gegevens over personen, onderscheidenlijk de tot personen herleidbare informatie”. Ze verwijst daarbij naar één van de uitzonderingsgronden uit de Wet openbaarheid van bestuur: “het belang van de openbaarheid van de informatie weegt niet op tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer”.

Voor wat betreft de naam en de contactgegevens van de ambtenaar die de brief verzonden heeft, is dat te verdedigen. Verrassend genoeg is de functieomschrijving van de ambtenaar, ook herleidbare informatie, niet ook weggestreept. Tenslotte is de zwarte stift ook gebruikt om één hele zin in de brief zelf onleesbaar te maken.

Foto: Eric Heupel (cc)

Iets minder digitale doorzoekingen op Schiphol

De Marechaussee onderzocht op Schiphol in 2009 toen procent minder digitale gegevensdragers dan het jaar ervoor. De dienst zoekt naar bijvoorbeeld afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen.

In 2009 werden er dagelijks gemiddeld twee mobiele telefoons en simkaarten onderzocht. Er werden verder 86 harde schrijven onderzocht, evenals 118 minder voor de hand liggende gegevensdragers als navigatiesystemen en spelcomputers. In totaal zijn er 902 gegevensdragers onderzocht in 2009, tegen 1.073 in 2008. De afname laat zich mede verklaren door een kleiner aantal mobiele telefoons dat is onderzocht: in 2008 waren dat er nog 902, een jaar later nog “maar” 666.

Van de 1.073 doorzoekingen in 2008 is geen enkele zaak voor de rechter gekomen. Of dat in 2009 anders is, is niet duidelijk. Het Openbaar Ministerie laat in het antwoord op het verzoek weten zij “niet beschikt over documenten waarin is neergelegd in hoeveel zaken een dergelijk onderzoek is gestart noch hoeveel zaken daadwerkelijk voor de rechter zijn gebracht.” Slechts één betrokkene heeft een klacht ingediend naar aanleiding van een onderzoek van de Marechaussee. In 2008 had beklaagde niemand zich.

Volgens het ministerie van Defensie voert de Marechaussee deze onderzoeken uit als onderdeel van zijn algemene taak strafbare feiten op te sporen, zoals vastgelegd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Die algemene taak is gelimiteerd tot de taken uit het eerste lid van artikel 6 van de Politiewet 1993 uitvoert, zoals de bescherming van het koningshuis en de handhaving van de vreemdelingenwetgeving.

Foto: Eric Heupel (cc)

Openbaarheid komt in twee maten

Vraagt de burger aan de overheid documenten openbaar te maken, dan strepen ambtenaren graag met een dikke zwart stift. Ondertussen worden dezelfde documenten via andere kanalen ongecensureerd openbaar gemaakt. Het ministerie van Veiligheid en Justitie beroept zich maar al te gemakkelijk op de uitzonderingsgronden uit de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Uiterlijk 15 september had de Europese Commissie de bewaarplicht moeten evalueren. Dat moest gebeuren op basis van informatie die door elk van de lidstaten wordt aangeleverd. Slechts twee weken voor de beoogde afronding van de evaluatie, stuurde Nederland zijn inbreng. Door de beperkte inbreng van de lidstaten is de evaluatie nog altijd niet afgerond. De Commissie hield begin december noodgedwongen daarover een conferentie in Brussel.

Begin oktober verzocht ik het ministerie van Veiligheid en Justitie die Nederlandse inbreng voor de Europese evaluatie openbaar te maken. De beslissing werd begin november verdaagd omdat het ministerie “nog niet alle informatie kon verzamelen die nodig is voor de beoordeling van het verzoek”. Een maand later maakte het ministerie drie brieven openbaar, waaruit bleek dat die Nederlandse inbreng bedroevend slecht is.

In de brieven waren de namen en functieomschrijvingen van betrokken ambtenaren, met een beroep op een van de uitzonderingsgronden van de Wet openbaarheid van bestuur, “gezwart”. Het tweede lid van artikel 10 stelt “dat verstrekking van informatie achterwege blijft, als de het belang van het openbaar maken daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.”

Foto: Eric Heupel (cc)

Bevragingen CIOT door opsporingsdiensten stabiel

Voor het eerst sinds het bestaan van het CIOT is het aantal bevragingen gedaald. In 2009 werden er door de 36 opsporings- en inlichtingendiensten nog meer dan 2,9 miljoen keer gegevens opgevraagd bij het CIOT. De 2010 is dat licht afgenomen tot 2,6 miljoen vragen over klanten van telecom- en internetproviders.

Ondanks dat er 12% minder vragen aan het CIOT Informatie Systeem (CIS) werden gesteld, is het aantal antwoorden op die bevragingen met 14% toegenomen. Behalve dat het aantal vragen is afgenomen, is ook het aantal vragen met en zonder antwoord kleiner geworden. De daling ervan is respectievelijk 11% en 14%. Dat zou verklaard kunnen worden doordat het aantal antwoorden per vraag, dat wel een antwoord kent, is toegenomen. Dat het aantal antwoorden hoger is dan het aantal vragen komt doordat het systeem soms op een enkele vraag meerdere antwoorden kent. De meeste mensen hebben naast een abonnement immers ook een internetaansluiting thuis. Een opsporingsambtenaar die de gegevens die van iemand in het systeem bekend zijn opvraagt, krijgt in zo’n situatie minimaal twee antwoorden.

Opmerkelijk zijn de grote verschillen tussen de politiekorpsen onderling en het verschil met 2009. Toen spande de Politie Midden-West Brabant met bijna een half miljoen bevragingen de kroon van alle opsporings- en inlichtingendiensten. Afgelopen jaar had dezelfde regio genoeg aan 68.000 bevragingen, een daling van 86 procent. Ook de nummer 2 van 2009 heeft in 2010 veel minder bevragingen gedaan. Het aantal bevragingen van de Politie Hollands-Midden daalde met 58 procent. De politie in de regio Amsterdam-Amstelland, in 2009 goed voor de derde plaats, deed in 2010 meer dan 40 procent extra bevragingen en voert de lijst nu aan. Het aantal bevragingen van de AIVD en MIVD blijven geheim.

Foto: Eric Heupel (cc)

Onnodig uitstel openbaar maken brief zwarte lijst internetfilter

Er zijn geen websites met kinderporno die op de zwarte lijst van het geplande internetfilter geplaatst kunnen worden. Dat is de conclusie van het Platform Internetveiligheid, een samenwerkingsverband van providers en het Meldpunt Kinderporno, dat het internetfilter moet implementeren. Eind november heeft het platform hierover een brief gestuurd aan de minister van Veiligheid en Justitie. Ondanks eerdere beloften weigert het ministerie vooralsnog de brief openbaar te maken.

Begin december voerde de vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer een overleg met staatssecretaris Teeven. In het overleg werd de voortgang van de aanpak van afbeeldingen van misbruik van kinderen besproken. Aanleiding was de voortgangsbrief die de vorige minister, Hirsch Ballin, afgelopen zomer aan de kamer stuurde. Ook het internetfilter, waaraan door het Platform Internetveiligheid, wordt gewerkt, kwam ter sprake.

Het ministerie stimuleert de betrokken partijen tot het implementeren van dit filter. Tot eind vorig jaar was het de bedoeling dat websites geblokkeerd zouden worden op basis van hostnames. Het platform stuurde in de week voor het overleg de stand van zaken in een brief aan de minister. Het Meldpunt Kinderporno stelde een rapport op over de inhoud en de omvang van de zwarte lijst. Daaruit blijkt, aldus de minister, dat het aantal websites met afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen in 2010 drastisch is afgenomen. Zo sterk zelfs, dat er eigenlijk geen websites meer over zijn om op die manier te filteren. De minister concludeert, net als enkele Kamerleden en critici, dat er naar andere oplossingen gekeken moet worden.

Foto: Eric Heupel (cc)

Justitie lichtzinnig over afspraken internetfilter

De minister van Veiligheid en Justitie heeft afspraken met internetproviders en het Meldpunt Kinderporno gemaakt over de inrichting van een internetfilter. Maar nu blijkt dat die afspraken helemaal niet op papier gezet zijn.

Achter de schermen wordt hard gewekt aan een internetfilter. Dat moet afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen blokkeren. Vanaf begin af aan is er veel kritiek geweest op dit filter, omdat de doelstellingen vaag zijn en het filter ook misbruikt kan worden voor censuur. Het gebrek aan openheid leidde tot verontwaardigde reacties en kamervragen. Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur werd vorig jaar de minister gevraagd alle documenten openbaar te maken die betrekking hadden op het internetfilter. Twee documenten maakte de minister openbaar, waaronder een rapport waarvan een eerdere versie al via Wikileaks was gelekt. Veel van de gevraagde informatie werd geweigerd, naar verluidt omdat het niet voorhanden was of het openbaar maken geweigerd was door betrokkenen bij het overleg.

Natuurlijk kan het ministerie niet gevraagd worden documenten openbaar te maken die er niet zijn. Maar dat die documenten er niet zouden zijn, is verrassend. Tegenover de Tweede Kamer beweerde minister Hirsch Ballin herhaaldelijk dat hij met de betrokken partijen afspraken heeft gemaakt. In de brief die de minister eind 2009 aan de Tweede Kamer stuurt, staat dat het ministerie samen met de grootste internetproviders, het Meldpunt Kinderporno en de SIDN afspraken heeft gemaakt over de financiering. Drie maanden later schrijft hij dat in de tussenliggende periode de afspraken verder zijn uitgewerkt. De minister zegt ook de “voortgang via de justitie vertegenwoordiging nauwgezet te volgen”.