Armoede naar Nederlandse maatstaven

Het percentage mensen dat in armoede leeft loopt op, becijferde het SCP onlangs. Het is daarom wenselijk te kijken naar de opbouw van het sociaal minimum en arbeid niet als panacee voor armoede te zien. Dat stelt SCP-onderzoeker Cok Vrooman in reactie op de vele vragen die hij kreeg naar aanleiding van het recente Armoedesignalement.

In zijn column in Trouw stelde Sylvain Ephimenco onlangs dat men door het woord ‘armoede’ voor Nederland te gebruiken het begrip devalueert, en dat deel van de wereldbevolking schoffeert dat onder de ‘echte’ armoedegrens leeft. Hij illustreerde dit door te berekenen dat Pakistani van de armoedenorm van de Wereldbank maandelijks 42 liter melk kunnen kopen, of 76 halve broden, 96 kilo aardappelen of 511 eieren. Gebruikt men de Nederlandse armoedenorm van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), dan kan een alleenstaande zich in ons land volgens Ephimenco iedere maand maar liefst 1008 liter melk, 1559 halve broden, 1512 kilo aardappelen of 7984 eieren veroorloven.

Dit was één van de vele commentaren op de uitkomsten van het recente Armoedesignalement 2011. Het contrast met een aantal reacties die we op het SCP van ‘Nederlandse armen’ ontvingen was opmerkelijk. Daarin werd ons regelmatig voorgerekend dat de armoedegrens die we hanteren in hun geval te laag zou zijn, bijvoorbeeld omdat men meer huur betaalt dan wij veronderstellen. Het is daarom nuttig kort op een rij te zetten wat armoede naar Nederlandse maatstaven inhoudt, en wat we hiervan empirisch weten.

Wat is armoede in Nederland?

Adam Smith wees er al op dat het bij armoede om meer gaat dan het fysieke overleven. In The wealth of nations (1776, V.2.148)  signaleerde hij dat men in het 18e eeuwse Engeland voor arm werd aangezien als men in het openbaar geen leren schoenen droeg, maar dat dit in Schotland alleen voor vrouwen gold; en in Frankrijk konden beide geslachten op klompen of blootsvoets gaan zonder zich daarvoor te hoeven schamen. Die contextualiteit komt ook goed tot uiting in de definitie van Mack en Lansley, die armoede beschouwen als ‘an enforced lack of socially perceived necessities’.

Bij het SCP spreken we van armoede als iemand niet de middelen heeft om te kunnen beschikken over hetgeen in zijn samenleving minimaal noodzakelijk wordt geacht; hoofdstuk 6 van de studie Rules of Relief geeft de theoretische onderbouwing. Om armoede te meten gaan we uit van een budgetbenadering, die is afgestemd met de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het uitgangspunt is dat mensen de kosten moeten kunnen dragen die inherent zijn aan het voeren van een zelfstandige huishouding. Dat betekent dat men de huur moet kunnen voldoen (352 euro bruto per maand voor een alleenstaande), gas, elektriciteit, water en inventaris dient te kunnen betalen (178 euro), in staat is de dagelijkse boodschappen te doen en een minimaal kledingpakket aan te schaffen (219 euro), en een aantal andere noodzakelijke uitgaven kan bekostigen (telefoon, verzekeringen, vervoer, persoonlijke verzorging: 163 euro).

Van het budget wordt dus meer aangeschaft dan Ephimenco’s broden, eieren, aardappelen of melk. Die heeft men in zulke hoeveelheden natuurlijk ook niet nodig: voeding beslaat niet meer dan 19% van het basispakket, dat in totaal 912 euro vergt. Het gaat hierbij om  uitgaven die voor zelfstandige huishoudens in Nederland nauwelijks te vermijden zijn; er is geen sprake van enige luxe, zoals een auto, buitenlandse vakantie, alcohol of sigaretten. Wel voegen we aan het basisbehoeftenbudget een bescheiden bedrag toe voor sociale participatie (86 euro per maand, bijvoorbeeld om op verjaardagsvisite te kunnen gaan). Het was van oudsher de intentie van de Nederlandse bijstandswet in zulke uitgaven te voorzien (zie Vrooman en Snel , 1999: 25), en het ‘niet-veel-maar-toereikend’-criterium voor armoede houdt daar dan ook rekening mee.

Voor andere huishoudens zijn de armoedenormen afgeleid van deze 998 euro, via ophoogfactoren die het CBS heeft berekend aan de hand van het landelijke budgetonderzoek. De norm voor een paar zonder kinderen is bijvoorbeeld 1,37 maal zo hoog als die van de alleenstaande. Alle bedragen worden geïndexeerd met de feitelijke ontwikkeling van de doorsnee uitgaven aan voeding, kleding en huisvesting (een vijfjaarlijks voortschrijdend gemiddelde). Op die manier stijgt de armoedegrens sterker dan de inflatie, maar minder dan de welvaart. Zo doen we op een conservatieve manier recht aan het feit dat de standaard voor het minimaal noodzakelijke gewoonlijk hoger komt te liggen als de welvaart toeneemt. Periodiek worden de normbedragen ook rechtstreeks geijkt aan de Nibud-standaarden; de laatste revisie vond onlangs plaats. De inhoud van het pakket en de bedragen zijn door SCP en Nibud gevalideerd via de zogeheten ‘consensuele budgetstandaard-methode’. De assumptie dat men een zelfstandig huishouden moet kunnen voeren om in Nederland niet arm te zijn werd door de deelnemers aan dat onderzoek breed gedeeld. Een meerderheid vond ook het bescheiden bedrag voor sociale participatie noodzakelijk, zeker wanneer er kinderen in het geding zijn.

Armoede loopt sinds 2008 op

Als we de gegevens uit het Inkomenspanelonderzoek van het CBS tegen de grensbedragen afzetten krijgen we de volgende reeks van armoedepercentages:

Hoewel het peil van het midden van de jaren negentig nog niet is bereikt, loopt het armoedepercentage sinds 2008 gestaag op. Dat jaar verkeerde 5,5 procent van de bevolking beneden de armoedegrens, in 2010 was het een vol procentpunt hoger. Ramingen op basis van microsimulatie wijzen erop dat de trend zich in 2011 en 2012 zal voortzetten, waardoor we volgend jaar naar verwachting op 7,3 procent arme personen uitkomen – het hoogste niveau deze eeuw. In absolute termen is dat een toename van 266.000 arme mensen in vijf jaar tijd. De armoede die drie jaar of langer duurt loopt na 2008 slechts licht op, maar hiervoor zijn geen ramingen beschikbaar. Bij kinderen beneden de achttien jaar zien we dezelfde trends, maar ligt het percentage dat (langdurig) in een arm gezin verblijft systematisch hoger dan in de totale bevolking.

Toereikendheid van het minimum

Maar hoe is dit mogelijk – is de Nederlandse sociale zekerheid dan niet één van de meest genereuze van Europa? Recente cijfers van de OESO nuanceren dat beeld. In 2009 was de Nederlandse WW-uitkering in het eerste werkloosheidsjaar naar internationale maatstaven wel vrij hoog, al was van een toppositie geen sprake (gedeeld 5e met Denemarken, in een groep van 31 landen). Vanaf het derde jaar zakt ons land echter sterk terug doordat de casus waar de OESO van uitgaat (een veertigjarige met een ononderbroken arbeidsverleden) dan geen recht meer heeft op WW. Daardoor belandt Nederland bij het vijfjarig gemiddelde in de middenmoot (16e). Ons netto sociaalminimum voor een alleenstaande behoort wel tot de betere (3e tot 5e plaats van 29 landen, afhankelijk van de vraag of men woongebonden uitkeringen meetelt); maar bij het eenoudergezin met twee kinderen komt Nederland in de rangschikking lager uit (8e tot 12e). De OESO relateert in haar maatstaf voor ‘adequacy’ de bedragen voor het sociaal minimum aan het mediane inkomen van de landen. Als de minimumbedragen rechtstreeks wordt omgerekend – via zogenoemde koopkrachtpariteiten– stijgt Nederland echter niet naar een hogere positie (zie figuur 2 in Nelson, 2011).

Opgemerkt moet worden dat men in een vergelijking van generositeit idealiter niet alleen de uitkeringsniveaus zou willen betrekken, maar ook dient te kijken naar verschillen in de groep die er aanspraak op kan maken (bijvoorbeeld: strengheid van de middelentoets), het sanctiebeleid, de hulp bij re-integratie, enzovoorts. Bovendien wordt de hoogte van het sociaal minimum pas betekenisvol voor het meten van armoede wanneer men een relatie legt met de kosten van het minimaal noodzakelijke in de verschillende landen; dat wil zeggen, armoedegrenzen hanteert die op eenzelfde manier zijn bepaald als die van Nederland. Een internationaal vergelijkbare methode gebaseerd op de budgetbenadering bestaat echter nog niet, al zijn er in diverse EU-landen wel initiatieven.

Enkele beleidslessen

Kan het Nederlandse beleid lering trekken uit het recente armoedeonderzoek? In een artikel in ESB betoogden we eerder dat de opbouw van het sociaal minimum bij ouderen en gezinnen met kinderen enkele weeffouten bevat. Afgemeten aan de feitelijke behoeften komen 65-plussers vrij hoog uit, en gezinnen aan de lage kant (met uitzondering van het eenoudergezin met één kind, vanwege de 20% WWB-toeslag die er de facto voor dat kind bij komt). Daar zou eens goed naar gekeken moeten worden, vanzelfsprekend in relatie tot de budgettaire beperkingen en de wenselijkheid arbeidsdeelname niet te ontmoedigen. Een andere SCP-studie stelde vast dat mensen meestal aan armoede ontsnappen doordat ze (meer) gaan werken, of een werkende partner vinden. Tegelijkertijd onderstreept de groep van 317.000 ‘werkende armen’ waarover het Armoedesignalement 2011 bericht – waaronder een groeiend aandeel zelfstandigen – dat het probleem niet per definitie is opgelost als mensen aan de slag zijn. Werk helpt vaak, maar is niet het panacee dat alle vormen van armoede doet verdwijnen. Onderzoek naar het ‘littekeneffect’ liet zien dat kinderen die in 1985 in een arm gezin verbleven nu, als volwassene, meestal niet arm zijn. Dit duidt erop dat in Nederland in deze periode geen sprake was van een massale onderklasse of armoedecultuur. Wel hadden de destijds arme kinderen als volwassene een hoger armoederisico, zeker naarmate de armoede in hun jeugd langer had geduurd. Het lagere opleidingsniveau dat de kinderen bereikten bleek de spil in deze transmissie. Het ligt dan ook voor de hand het beleid vooral te richten op de onderwijscarrière – en daarnaast de gezondheidstoestand en de sociale participatie – van de 1 op de 26 kinderen (3,8 procent) die tegenwoordig langdurig arm zijn.

Cok Vrooman is hoofd van de onderzoeksgroep Arbeid, Inkomen en Sociale Zekerheid bij het SCP, en was vanuit die instantie projectleider van het recente ‘Armoedesignalement 2011’, een coproductie met het Centraal Bureau voor de Statistiek.

foto door uncultured

  1. 1

    Wat een volstrekt leeg verhaal,
    haalt Ephimemco’s verhaal niet onderuit.
    Weet alleen te melden dat zelfs binnen Europa armoedegrenzen niet te vergelijken zijn.
    Laat staan Pakistan, waar ze overigens verrot arm kunnen zijn.

  2. 2

    “…een volstrekt leeg verhaal” noemt van der f dit. Om hem te helpen zet ik wat markeringen in zijn woestijn.
    Uitgangspunt is, dat de definitie van armoede behoort te verschillen per land of cultuur. Dat geeft te denken, dus het is niet niets.
    De schrijver zegt dat Ephimenco een definitie van armoede hanteert die voor Nederland niet gangbaar is, en er wordt verteld en geïllustreerd wat die definitie voor Nederland dan is. Vervolgens (in het tussenkopje wordt je dat al gedeeltelijk voorgezegd) dat de armoede in Nederland toeneemt. Dit wordt nader uitgewerkt (hoeveel, sinds wanneer) en dan komt er een grafiek met een toelichting.
    Vervolgens wordt de generositeit van de sociale voorzieningen vergeleken met die in andere landen- hoe onzeker zo’n vergelijking ook is, dat geeft de schrijver toe. Dit is het enige dat van der f heeft meegekregen.
    Tenslotte doet de auteur beleidssuggesties, gebaseerd op nog meer feiten.
    Een “volstrekt leeg verhaal”? Nee, als van der f een armoedeprobleem heeft komt het niet door deze auteur.

  3. 3

    Tussen landen vergelijken is toch al een bijna irrelevant gebeuren, omdat de relatieve armoede (of misschien beter: inkomensongelijkheid) sterker samenhangt met de nadelige gevolgen daarvan (oa. voor de gezondheid) dan de absolute armoede. Het is dus veel belangrijker hoeveel minder de minima te besteden hebben ten opzichte van andere Nederlanders, dan ten opzichte van minima elders.

  4. 4

    Afijn, het blijft appels met peren vergelijken.
    Door verschillende definities te gebruiken kom je niet veel verder
    Dus dan alleen maar de Nederlandse situatie bekijken?
    Dan kom je inderdaad niet verder dan dat de buurman een grotere auto heeft, even heel flauw het begrip ‘inkomensongelijkheid’ in NL weergevend.
    Dat is natuurlijk onzin, armoede is een mondiaal verschijnsel, net als de economie, geld en goederenstromen, Nederland is geen eiland.

  5. 5

    dat de buurman een grotere auto heeft

    Dat schijnt voor sommigen ook al gevolgen voor de gezondheid te hebben, maar het contrast is in Nederland inmiddels ook wel aanmerkelijk groter dan hij heb een mercedes en ik heb een audi in de garage staan. Er zijn genoeg mensen die niet eens een garage, laat staan een auto kunnen betalen (en dat kan best lastig zijn in een land dat zo beknibbelt op OV), terwijl we ook wel optrekjes kennen met meer auto’s dan gezinsleden.

  6. 6

    Dat elders de situatie ellendiger is dan in Nederland is geen bewijs voor de stelling dat armoede in Nederland niet erg is. Je zult moeten beargumenteren aan de hand van de nederlandse situatie dat het geen probleem is. Ik mag aannemen dat ook jij de lat hoger legt dan in Somalië.

  7. 8

    Het hebben van schulden lijkt me niet direct te koppelen aan armoede,
    meer aan overmoedig consumeren, en dat is een teken van rijkdom, niet van armoede, ’t idee alleen al.

    Verder werk ik aan de onderkant van de samenleving en weet uit eerste hand hoe het is gesteld met die amoede in Nederland, elke dag weer en dat valt dus reuze mee, tenzij je het gemis van een auto en flatscreen armoedig vind maar dan heb je wel een buitengewoon decadent idee van armoede. Leunstoel cijfergechoochel, gaat nergens over.

  8. 9

    Ik heb bv collega’s die er moeite mee hebben dat thuisloze verslaafden in de nachtopvang netto, na aftrek van alle vaste lasten, per maand meer vrijelijk te besteden hebben dan zij die fulltime werken.
    Types met een uitkering die klagen dat ze te weinig geld hebben voor een ‘fatsoenlijk’ abonnement voor hun 3G iphone om de gehele dag online te kunnen zijn, dat heb ik niet eens met m’n Nokia van 29 Euro bij de mediamarkt en cheap abbo.
    Om vervolgens tegen een schuld van 1200 Euro aan te lopen want wèl doen he, zo’n iphone want ‘dat heeft toch iedereen?’
    Ik heb clienten die echt stomverbaasd zijn als ze er achter komen dat ik slechts een cheapo plastieken Nokiaatje heb want ik werk toch?
    Nu moet ik er wel bij zeggen dat de meeste schulden problematiek ontstaat vanuit platte domheid, mensen hebben gewoonweg niet in de gaten wat ‘normaal’ is, ze hebben geen zicht op hun inkomen cq uitgaven patroon, worden door belbedrijven en banken (zie hypotheek drama in ons land) verleid tot het afsluiten van onmogelijke contracten

  9. 10

    Om een lang verhaal kort te maken,
    ja, er zijn mensen die financieel in de kreukels liggen en maandelijks weinig te besteden hebben ( vanuit een kapitalistisch consumenten standpunt gezien), maar dat standpunt kan worden ingenomen door de absurde overdaad in dit land, dat je überhaupt zoveel schulden kùnt maken is een teken van rijkdom en niet armoede.
    Ik heb bijelkaar zo’n 4 jaar de wereld mogen rondreizen (totale rijkdom!) gewoon een half jaar productie werk doen via uitzendbureaus en noest sparen, kon ik weer 5 maanden rondreizen door ZO Azie, ik ben door mensen uitgenodigd om mee te komen eten in hun golfplaten hutjes, hun verhalen aangehoord, met lijken rondgesleept in India, uit eigen zak betaald mensen naar de tandarts gesleept in Afrika, ik kon die opgezwollen kaken niet meer aanzien.
    Dat heeft nogal een genuanceerd beeld opgeleverd wat betreft het begrip ‘armoede’, slechts navelstaren op de Nederlandse situatie, spelen met cijfertjes en definities raakt me werkelijk, kan ik me over opwinden.
    Het totaal de menselijke schaal en werkelijkheid uit het oog verliezen, het niet willen inzien dat we als mensheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
    De basis is overal ter wereld hetzelfde, zekerheid wat betreft een dak boven je hoofd, voldoende voedsel om je gezondheid op peil te houden, toegang tot, noodzakelijke, medische voorzieningen, en toegang tot onderwijs in iedergeval op z’n minst goed leren lezen, schrijven en rekenen.
    In deze zaken scoort Nederland meer dan ruim voldoende en Somalie bv niet nee.
    Maar zelfs toegang tot onderwijs wordt al discutabel waar onderdak en voeding nergens ter discussie staat.
    Er heerst genoeg cultureel/ religieuze kul waar bijvoorbeeld meisjes de toegang tot onderwijs wordt ontnomen, onderwijs is dus reeds een secundair gegeven en geen structurele basisbehoefte al zie ik het zelf graag anders.
    Ik heb er voor gekozen te werken met de onderkant van de samenleving, zeg maar ontwikkelingshulp in eigen land, ik probeer de maatschappij te beschermen tegen tè forse ontsporingen van getroubleerde individuen, ik probeer individuen en families te beschermen tegen de soms totaal ontspoorde regelgeving van diezelfde maatschappij.
    Ik ben verdomd goed op de hoogte van de realiteit van alle dag in Nederland en andere delen van de wereld.
    Ik wel best het een en ander beargumenteren maar het is vaak moeilijk te discusseren met mensen die zelf van toeten nog blazen weten en slechts vanuit boekenwijsheid kunnen redeneren, niet dat dit geen waarde heeft, integendeel, het kunnen lezen en begrijpen van ter zake doende studies en onderzoeken blijft van grote waarde en het pogen iets van ‘feiten’ op tafel te krijgen is en blijft zinvol maar ik vind het soms lastig omdat mijn persoonlijke begrip van bv ‘armoede’ een nogal andere invulling heeft door m’n dagelijkse werk en directe reiservaringen uit het verleden, hoewel, verleden, deze zomer weer eens Egypte bezocht, gesprekken gevoerd met individuen van allerlei pluimage, Kopten, Salafisten, Bedoeinen, hun opvattingen aangehoord, hun dagelijkse leven mogen ervaren en dit kunnen vergelijken met de laatste keer dat ik Egypte bezocht, zo’n 20 jaar geleden.
    Afijn, m’n lange verhaal ingekort wordt immer langer merk ik.
    Ik zit hier blijkbaar toch mee maar dat geeft aan dat ik hier nog lang niet ben over uitgepraat.
    En ik diskwalificeer bovenstaande tegenwerpingen en opmerkingen op zich niet, al lijkt dat mogelijk zo want ik reageer wat kort door de bocht, mea culpa, ik probeer alleen maar te zeggen dat het niet eenvoudig is zicht te krijgen op het begrip armoede, het schuiven met definities nogal kortzichtig is en het mij toespreken vanuit een sec empirische stoel enigszins lachwekkend op mij overkomt.
    ‘Relatief’ is een breed begrip, relatieve armoede bestaat volgens mij niet, door het te relativeren misken je armoede in zekere zin en het lijkt me beter te redeneren vanuit welzijn en zeker niet welvaart