Waaierdans

tourdujourGisteren kregen we in de finale van de etappe al een voorproefje van de rit van vandaag, een vortex in het tijdruimte continuüm. In de Camargue, land van flamengo’s en stieren, waar de wind vrij spel heeft in de open Europese Savanne, daar fluisterde George Hincapie iets in het oor van Armstrong. ‘It’s on’, denk ik, of ‘brace yourself’.

Vandaag was er een ploegentijdrit en Columbia rijdt er dus twee in twee dagen. Een ploeg met meer talent is sinds de Raleigh-ploeg van Peter Post in de jaren 80 niet meer gezien. Columbia is al twee jaar de absolute veelvraat van het peloton. Gisteren dus ook weer, met Mark Cavendish (en die is nog niet uitgewonnen hoor, een stukje over de man van Man kan rustig even worden uitgesteld worden), maar vandaag betaalden zij de prijs van de inspanningen van gisteren.

Een ploegentijdrit is een verschrikkelijk onderdeel. Het is een vreemd spel waarin het gaat om een sliert van negen renners zo rap mogelijk als een team over een parcours te jagen. De tijd van de vijfde renner telt voor iedereen in de ploeg maar als je wordt gelost telt je eigen tijd. Een ploegentijdrit is even gevreesd als gruwelijk.

In een gewone tijdrit, ook al geen gemakkelijke opgave trouwens, rijden de coureurs tenminste nog hun eigen tempo. Ze bepalen zelf hoe diep ze gaan. Sprinters, of knechten wordt vanuit de ploeg aangemoedigd niet te veel hun best te doen en te zorgen dat ze voor de tijdslimiet binnen zijn. Met de krachten die ze hier sparen, kunnen ze morgen weer een extra bidonnetje ophalen.

In een ploegentijdrit rijdt iedereen in het rood, iedereen gaat over zijn toeren. Niemand kan zijn eigen tempo rollen, de ketting renners wordt een storm over elkaar heen rollende sportlijven, opgenaait door een gillende sportief directeur in de auto, opgenaait door de ploegmaats waarvoor zij niet onder willen doen, opgenaait door de pijn. Zelfs The Boss (na de tijdrit ex aequo met Fabian Cancellara die op duizendsten het geel houdt) geeft toe: in een ploegentijdrit is er niemand het sterkste. En als Armstrong dat zegt, dan kan dat alleen maar waar zijn.

Ik vind een ploegentijdrit een schitterend onderdeel. De sadist in mij geniet van frêle klimmertjes, soms maar 55 kilogram, amechtig in het wiel van een bonkig krachtsmens die als enige opdracht heeft te zorgen dat klimmertje niet lost. Het is een ongelijke strijd: klimmertje kan geweldig hard omhoog rijden, maar in het vlakke is hij volkomen overgeleverd aan de brute kracht van dikbil. Na verloop van de veertig kilometers heb ik renners grijs zien worden, letterlijk. Het bloed trekt uit het gezicht. Er blijft niets over om rood aan te lopen. In het verleden is het voorgekomen dat klimmertje aan het zuurstof moest. Tijdlijden is genieten, ik ben een slecht mens.

Ik vraag me altijd af waar de renners naar luisteren, als zij voor de tijdrit inrijden op hun tacx-ergotrainers. Iedereen heeft tegenwoordig een iPod en ik wil weten wat ze erop draaien. Ik kan mij voorstellen dat zij luisteren naar Fear Factory – strakke, ritmische metal waar het testosteron vanaf druipt, waar de woede inzit die de renners moeten loslaten op het asfalt. Of Earthless, lange instrumentale psychedelische rockplaten, zonder zang en zonder doel. In elk geval niet naar lounge.

Ik heb nooit precies begrepen waarom er ’s winters in de sportschool waar ik ga ijzervouwen altijd van die rotmuziek moet worden gedraaid tijdens de spinlessen. Een amorfe housemassa wordt hier losgelaten op de groep, muziek waar men onmogelijk in kan verdwijnen – een must voor de duursporter. ‘Put your hands up for Detroit’, dat werk. Het maakt dat ik meer afzie door mijn oren, dan door mijn benen.

Van Tyler Hamilton weet ik dat hij op zijn iPod van alles had staan. Je kon het zo gek niet bedenken, van Abba tot ZZ-Top, hij had het bij zich. Tyler Hamilton, die kon pas afzien. Hij beet letterlijk het glazuur van de tanden, mentaal voorbereid door ‘een beetje country, een beetje house, een beetje rock, een beetje singer/songwriter.’ Een paar jaar geleden brak hij al vroeg in de Tour zijn sleutelbeen. Hij reed de Tour uit, reed in de top 10 en won zelfs een rit.

(Hamilton werd onlangs voor de tweede maal in zijn carrière betrapt op doping. De renner kampt met een zware depressie. Van het toppunt van hardheid tot gelatinepudding. Waar hebben we dat meer gezien? Ik geef u een hint: kaal, flaporen, olifantje.)

Het mooiste fietsliedje heb ik hieronder toegevoegd. Er zit dezelfde treurige wij-zijn-altijd-onderwegheid in als het slavenleger wielerlegendes die voor eeuwig verbonden zijn aan wegen van het Franse platteland waren.

  1. 1

    Ohlala, le vent nous portera! Manu Chao op gitaar. lekker hoor.

    Iets andere associaties bij dit nummer dan fietsen, maar dat zal wel zijn dat ik het voor het eerst hoorde na 24 uur liften van Barcelona naar Nederland en bij het ochtendgloren op een tankstation in Luxemburg instapte bij 2 Fransen die in Maastricht gingen blowen.

  2. 2

    Een prachtig schoon onderdeel, zeker. The Boss heeft het inderdaad bij het juiste eind, je rijdt met zijn allen in dienst van de zwakste schakel. En als je, zoals Gesink vandaag, die zwakste schakel bent, dan heb je een bijzonder zware dag.

    Ik heb nu al zin in het NCK. (Voor de niet-wielrenners: begin oktober, ‘Nederlands Clubkampioenschap’, waarin de strijd beslecht wordt middels een ploegentijdrit.)

  3. 4

    Waarom moet ik op dit, vanwege kwaliteit, door mij regulier gefrequenteerd weblog plots worden geconfronteerd met het sportcircus Toer de Frans? Eindeloos geleuter over een stel gekken in apenpakjes op veel te lichte fietsen. Alsjeblieft zeg…

  4. 5

    @4:

    Dat is omdat half Nederland met een saaie kantoorbaan al eens na intensieve training met een glimmend, juist gekocht rijwiel van een of ander onbestemd in de ruimtevaart ontwikkeld materiaal aan de voet van de Mont Ventoux (sp?) heeft gestaan ter polijsting van het danig verweerde zelfbeeld.

    Ze deden het hier vorig jaar ook al. Ik ben ook voor een terugkeer naar een vorm van snobisme waarin sport per definitie als volstrekt onwelvoeglijk geldt maar de “jongens mannen” zijn niet meer uit de publieke ruimte weg te meppen. De VARA kneedt zelfs dagelijkse shows rond ze…

  5. 6

    @4: Omdat de Tour voor anderen mensen wel leuk is, en het stukje ook prima geschreven is, PLUS je krijgt er een muziekje bij.

  6. 7

    @6: dat muziekje is dan wel weer OK. Noir Desir staat al heel lang in mijn iPod. Verder: laat de toer aub over aan Radio Tour de France. En zet dat schrijftalent (want dat is zeker) dan in voor betere onderwerpen. Ik heb de Ventoux overigens ook beklommen. Ergens in 1992. Met een oude, rochelende Peugeot 504 diesel met zware onderdruk vanwege hoge ouderdom. We kwamen boven, maar vraag me niet hoe…

  7. 8

    Zeer fraai liedje, inderdaad. Zanger Bertrand Cantat was daarentegen niet zo aardig tegen z’n vriendin.
    Geen idee wat de link met fietsen moet zijn overigens.
    Dan liever ‘the acoustic motorbike’ van Luka Bloom.
    Pedal on, pedal on, pedal on for miles, pedal on

  8. 9

    Ik heb bij mijn fietsen dan juist weer graag house (techno, rave, hoe je het ook noemt). Harde stampende muziek om je op te zwepen, zodat je ook inderdaad elk restje energie aanspreekt en doorgaat ook als het al lang pijn doet. Liefst met iets euforisch erdoor (hardtrance, happy hardcore), dat helpt nog extra.