Goed volk | Reliekenverering (2)

COLUMN - [Het eerste deel van dit stuk ging over het ontstaan van de reliekenverering, over de essentie ervan en over de wijze waarop dit fenomeen volledig uit de hand liep. Zozeer zelfs, dat de kerk van Rome zich genoodzaakt zag in te grijpen.]

De Reformatie dwong de Rooms-Katholieke kerk kritisch naar zichzelf te kijken. Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) ging praktisch de hele kerk niet zozeer naar essentie maar wel naar vorm volledig op de schop. Ook de reliekenverering werd aangepakt. Door de grote vraag naar de stoffelijke resten van de heiligen was het fenomeen in corrupte en niet zelden criminele sfeer terechtgekomen, met als gevolg talrijke vervalsingen, diefstal en misbruik. Niet zelden door de kerk zelf, want relieken bleken veel geld en aanzien aan te trekken.

Om te beginnen begon de kerk protocollen en procedures op te stellen om de echtheid van de relieken, waarvan er vele onecht waren, vast te stellen. Met de middelen van toen was dat onderzoek vrij beperkt, maar het was in feite het begin van de wetenschappelijke bestudering van relieken. Men kon bijvoorbeeld zoeken naar epigrafisch bewijs (d.w.z. een inscriptie op een oorspronkelijk graf) of naar een meer indirect bewijs, een tekst op een schrijn of altaar. Van groot belang waren ook getuigenissen en documenten die de overlevering konden bevestigen, zoals de inventarissen van relieken of de archieven van kerken en kloosters. Ook veronderstelde mirakels die het reliek zou hebben bewerkstelligd, werden nagetrokken.

Kwam men er echt niet uit, dan werd de in onze ogen bijzonder onwetenschappelijk vuurproef toegepast: indien het reliek niet door het vuur werd aangetast, was het ongetwijfeld echt. Sommige relieken hadden bij wijze van spreken de vuurproef al gehad voordat ze authentiek werden verklaard, zoals bij het bekende hostiewonder van Amsterdam (1345), dat nog steeds jaarlijks in een ommegang wordt herdacht.

Viel het onderzoek positief uit, dan kon aan de betreffende bisschop om een ‘certificaat van echtheid’ gevraagd worden dat vanaf de verstrekking als het ware onderdeel van het reliek werd. Daarnaast begon de kerkleiding in het Vaticaan steeds meer de heilige zelf te benadrukken en niet de relieken.

De Bollandisten

Echt schot kwam in de zaak toen aan het begin van de 17e eeuw de Utrechtse jezuïet van de universiteit van Dowaai/Douai (toenmalig graafschap Vlaanderen, nu Frankrijk), Heribert Rosweyde, de basis legde voor de Acta Sancorum, een complete bibliotheek met neerslagen van wetenschappelijk onderzoek betreffende het bestaan, handel en wandel van personen die heilig waren verklaard, inclusief onderzoek naar hun relieken.

Na zijn dood in 1629 werd de arbeid voortgezet door de jezuïeten Jean Bolland en Godfried Henskens, die in 1643 de eerste twee delen van de Acta publiceerden. Bij het overlijden van Henskens was dit aantal al uitgebreid tot 24. Al snel werden bij de gigantische arbeid meerdere collega’s betrokken en ontstond de ‘Société des Bollandistes’, kortweg Bollandisten, die nog steeds bestaat (sinds 1905 zijn de Bollandisten gevestigd in het Sint-Michielscollege te Brussel) en nog steeds Acta publiceert.

Jean Bolland

Het belang van de Bollandisten – overigens niet te verwarren met de stroming rond de hegeliaanse filosoof Gerard Bolland (1854-1922) – kan nauwelijks overschat worden. Hun werk leidde ertoe dat tal van ‘heiligen’ van de kalender werden geschrapt, inclusief hun relieken. Sinterklaas behoort hier overigens, in tegenstelling van wat vaak gedacht wordt, niet toe. De viering van zijn feestdag is echter liturgisch niet meer verplicht.

Hedendaags onderzoek

Omdat de relieken van de meeste grote, internationaal bekende heiligen nu wel onderzocht zijn, concentreert het onderzoek zich tegenwoordig op lokale heiligen. Al blijven er bekende relieken waar men maar geen genoeg van kan krijgen, zoals de lijkwade van Turijn.

Dit onderzoek voltrekt zich niet zozeer vanuit een kerkelijke maar meer vanuit geschiedkundig of volkscultureel perspectief. De nadruk ligt op het bestuderen van schriftelijke bronnen, toponymie (plaatsnaamkunde), etymologie en andere geschiedkundig georiënteerde benaderingen. Daarnaast heeft het antropologisch-forensisch onderzoek een stevige vinger in de pap. Het is ongelooflijk wat men tegenwoordig uit botresten wetenschappelijk kan afleiden.

Helaas bezitten we geen DNA van de oude heiligen in kwestie, dus volledige zekerheid kan een forensisch onderzoek nooit geven, maar men kan wel de onderzoeksresultaten vergelijken met historische gegevens of desnoods gegevens uit de traditie, waarna men woorden als ‘waarschijnlijk’ of zelfs ‘hoogstwaarschijnlijk’ in de mond kan nemen – of natuurlijk hun tegendelen, want het zal duidelijk zijn dat een schedel die wordt geïdentificeerd als zijnde van een vrouw uit de twaalfde eeuw nooit kan hebben toebehoord aan een heilige uit de achtste eeuw.

Nabrander

Een recent onderzoek naar de veronderstelde schedel van de vroegmiddeleeuwse heilige Jeroen van Noordwijk, aan wie ik recentelijk nog een dubbelblog spendeerde (één, twee), waarin ik beargumenteerde dat de historische Sint Jeroen hoogstwaarschijnlijk niet heeft bestaan, heeft het nodige stof doen opwaaien.

In juni van dit jaar werden onder de toren van de Oude Jeroenskerk in Noordwijk op aanwijzing van godbetere een paragnost annex wichelroedeloper, op wiens gezag de Gemeente Noordwijk geld en toestemming gaf voor een opgraving want tja, het vinden van de schedel van de beschermheilige van Noordwijk is wel erg goed voor de plaatselijke economie en zet Noordwijk weer eens op de kaart, twee schedels gevonden.

De paragnost kon evenwel niet zeggen welke schedel van Jeroen was. De schedels werden vervolgens wetenschappelijk onderzocht bij het Noordwijkse bureau IDDS dat concludeerde dat de schedels afkomstig zijn van een man en een vrouw die tussen de tweede helft van de elfde eeuw en de eerste helft van de twaalfde eeuw zijn overleden. Aangezien Jeroen volgens de traditie de marteldood stierf in 856 kan de mannelijke schedel nooit van hem afkomstig zijn. Waarvan akte.

[Volgende week meer, maar voor de geïnteresseerden alvast: vanaf 12 oktober is in het Catharijneconvent in Utrecht de tentoonstelling ‘Relieken‘, die ook aandacht zal besteden aan relieken uit andere godsdiensten.]

Reacties zijn uitgeschakeld