De staat van Nederland #2

Het SCP publiceerde recent De sociale staat van Nederland, met bijzondere aandacht voor wat er is veranderd – en wat niet – in de afgelopen 25 jaar. Wat valt op? Deel 2: steun voor het referendum. Uit het rapport: "het verschil tussen hogeropgeleiden en lager- en middelbaar opgeleiden is pas in 2016 en 2017 aanzienlijk, en wordt waarschijnlijk vooral veroorzaakt door de verschillende waarderingen van recente referenda." Het eerste landelijk raadplegend referendum, over de Europese Grondwet, werd gehouden in 2005. Het is dus vooral het laatste referendum van 2016, over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne, dat de steun voor referenda onder een deel van de hogeropgeleiden heeft doen kelderen. Wat het SCP nog vergeet de vermelden is dat de grotere steun voor directe democratie onder lageropgeleiden doorgaans wordt verklaard door grotere onvrede met het functioneren van de politiek binnen deze categorie. Het valt dus te raden wat het afschaffen van referenda, in de context van onze diplomademocratie, zal doen met die onvrede.

Foto: Eric Heupel (cc)

De staat van Nederland #1

ANALYSE - Het SCP publiceerde recent De sociale staat van Nederland, met bijzondere aandacht voor wat er is veranderd – en wat niet – in de afgelopen 25 jaar. Wat valt op? Deel 1: de publieke opinie over migratie en migranten.

Uit het rapport: “Van de veelgehoorde ‘ruk naar rechts’ is geen sprake.” Over migranten zijn we gemiddeld positiever gaan denken: in 1994 vond 49 procent van de Nederlanders dat er te veel mensen van een andere nationaliteit in Nederland wonen, nu vindt 31 procent dat. Nog exact evenveel Nederlanders zou protesteren tegen een azc (16 procent) en toen en nu zou de helft het accepteren ook al vinden ze het niet prettig. Anno 2017 zeggen meer mensen soepel te willen zijn voor politieke vluchtelingen, huwelijksmigratie en economische vluchtelingen (zie tabel onder, p.75).

De bevindingen suggereren dat er een zwijgende meerderheid is die zich nauwelijks laat horen in het publieke debat over migratie en migranten, en dat de media te veel aandacht geven aan het anti-migratiestandpunt. En niet alleen de media: als dit het beeld is, dan is het onnodig dat partijen zoals de VVD en het CDA steeds verder opschuiven richting het anti-migratiestandpunt van radicaal-rechts.

Nu zijn gemiddelden alleen niet erg inzichtelijk. Gelijkblijvende gemiddelden kunnen extreme veranderingen, zoals polarisatie, verhullen. Er is aanleiding dat hier ook aan te nemen, hoewel het SCP er onduidelijk over is. De onderzoekers stellen vast dat er verschillen zijn in hoe de publieke opinie zich heeft ontwikkeld voor opleidings- en (in minder mate) inkomensniveau: hogeropgeleiden zijn positiever geworden dan lageropgeleiden, en mogelijk zijn lageropgeleiden negatiever geworden (het rapport is hier niet duidelijk over, zie p.80). Dan zijn de groepen dus uit elkaar gedreven. Waar gemiddeld niets gebeurt, kan een deel van de bevolking wel degelijk de afslag naar rechts hebben genomen.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Water is nat, niet zelfredzame burgers blijken niet zelfredzaam

Daar sta je dan als niet zelfredzame burger. Zo’n suffertje die het sinds een jaar mag doen met de goedwillende zorg van familie, buren en vrienden om zelfredzamer te worden. Onder regie van de gemeente die het hele zorgwiel met een korting van 25% opnieuw ging uitvinden. En wat blijkt een jaar nadat we de participatiemaatschappij hebben ingevoerd? Zelfredzame burgers blijken toch niet zelfredzaam.

(..) het SCP [ging] na wat ook alweer de gedachten waren achter het idee om de maatschappelijke ondersteuning, de jeugdzorg en het werk voor gehandicapten over te laten aan de 390 gemeenten in Nederland. En wat daar tot nu toe van terecht is gekomen.

Foto: Bas Bogers (cc)

‘Autochtoon’ en ‘allochtoon’: afschaffen, hernoemen of herdefiniëren?

De Tweede Kamer heeft de regering gevraagd de termen allochtoon en autochtoon te herzien. Sociologen Arjen Leerkes en Jaco Dagevos van de Erasmus Universiteit Rotterdam leggen op de website Sociale Vraagstukken drie keuzes voor: afschaffen, hernoemen of herdefiniëren? In een poll kun je behalve stemmen ook alternatieven aandragen.

De Tweede Kamer nam op 17 maart 2016 een motie aan waarin de regering wordt verzocht ‘om de beleidstermen westerse en niet-westerse allochtoon en autochtoon te herzien’. De motie vloeit voort uit een al langer lopend debat over de voor- en nadelen van hoe de Nederlandse overheid de etnische herkomst meet, en over de terminologie waarmee herkomstgroepen worden aangeduid. Vooral de term ‘allochtoon’ wordt in toenemende mate als stigmatiserend ervaren.

Wij zien drie opties om de terminologie te herzien: ‘afschaffen’, ‘hernoemen’ en ‘herdefiniëren’. Maar eerst, wat vinden allochtonen er zelf van? Daarvoor kijken we naar nog niet eerder gepubliceerde cijfers.

Zien allochtonen zichzelf als ‘allochtoon’?

In de SCP-onderzoeken Survey Integratie Minderheden 2011 en Survey Integratie Nieuwe Groepen 2009 is aan mensen die volgens de huidige definities tot de allochtonen worden gerekend gevraagd of zij zichzelf ook zien als ‘allochtoon’. Het betreft negen ‘niet-westerse’ herkomstgroepen, en één ‘westerse’ herkomstgroep (Polen). Zie onderstaande tabel (klik voor groter beeld).

Foto: han Soete (cc)

Minder contacten tussen niet-westerse minderheden en autochtonen

ACHTERGROND - In de afgelopen vijftien jaar is het contact tussen niet-westerse groepen en autochtone Nederlanders niet toegenomen. Onderlinge contacten zijn belangrijk, want ze bevorderen de beeldvorming en hebben een gunstig effect op de taal en de arbeidsmarktpositie.

De sociale contacten tussen autochtonen en niet-westerse migranten zijn niet toegenomen. Het aantal vrijetijdscontacten is de afgelopen twee decennia ongeveer gelijk gebleven. Tevens komen migranten en autochtonen steeds minder vaak bij elkaar over de vloer. Bijna de helft van de Turkse Nederlanders krijgt bijvoorbeeld nooit autochtone Nederlanders op bezoek. Begin deze eeuw was dat bij één op de drie zo. Kenmerkend voor de Turkse groep is de gerichtheid op de eigen herkomstgroep, die in de afgelopen jaren verder is toegenomen.

Ongeveer een op de tien Marokkaanse en Turkse Nederlanders huwt met een autochtone Nederlander. Dit is gelijk aan de situatie van tien jaar geleden. Binnen de Antilliaanse groep wordt veel vaker gemengd gehuwd, maar in vergelijking met tien jaar eerder is het aandeel huwelijken met autochtone Nederlanders afgenomen. Op het gebied van vriendschappen, bezoek thuis en relaties zien we geen ontwikkeling naar meer interetnisch contact.

Verklaringen voor trend

Dat groepen elkaar niet naderen is een opvallende bevinding. Vanuit het idee van voortschrijdende integratie is de veronderstelling dat migranten gedurende de levensloop en tussen generaties steeds dichter komen te staan bij de ‘ontvangende’ samenleving. Dat was ook de verwachting. In de achterliggende jaren is de omvang van de tweede generatie toegenomen, wordt er binnen migrantengroepen steeds vaker Nederlands gesproken en is het opleidingsniveau aanzienlijk gestegen. Dit zijn allemaal factoren die gunstig uitwerken op de het aangaan van contact met autochtone Nederlanders. Toch zien we dit niet terug in de ontwikkelingen van de afgelopen vijftien jaar. Uit ons onderzoek blijkt dat tenminste vier andere ontwikkelingen juist een rem hebben gezet op voortgaande sociale integratie: de toegenomen etnische segregatie en concentratie, de economische conjunctuur, de grote culturele afstand en het maatschappelijk klimaat.

Lezen: Het wereldrijk van het Tweestromenland, door Daan Nijssen

In Het wereldrijk van het Tweestromenland beschrijft Daan Nijssen, die op Sargasso de reeks ‘Verloren Oudheid‘ verzorgde, de geschiedenis van Mesopotamië. Rond 670 v.Chr. hadden de Assyriërs een groot deel van wat we nu het Midden-Oosten noemen verenigd in een wereldrijk, met Mesopotamië als kernland. In 612 v.Chr. brachten de Babyloniërs en de Meden deze grootmacht ten val en kwam onder illustere koningen als Nebukadnessar en Nabonidus het Babylonische Rijk tot bloei.

SCP: niet-westerse migranten veel harder getroffen door crisis

Aldus de Volkskrant:

De werkloosheid onder niet-westerse migranten is ruim driemaal zo hoog als onder autochtonen: 16 tegen 5 procent. Vooral bij jongeren is het verschil groot: 28 tegen 10 procent.

Nog wat cijfers:

Anderhalf jaar na afronding van het mbo is 19 procent van niet-westerse migrantenjongeren werkloos, tegenover 5 procent van de autochtone Nederlanders. Van niet-westerse migranten met een hbo-diploma is na anderhalf jaar 15 procent werkloos. Bij autochtonen is dat 6 procent.

Vooral voortijdige schoolverlaters van Marokkaanse origine zijn zeer vaak werkloos (59 procent). Niet-westerse migrantenjongeren die wel werken hebben in ruim tweederde van de gevallen een flexibele baan.

Wat wil de Nederlander veranderen aan de economie?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onze medeburgers weer eens gevraagd naar de staat van ons land, en in het bijzonder naar de toekomst van de economie (vanaf p. 27). Wat opvalt is dat Nederlanders veel somberder zijn over de toekomst van de Nederlandse economie dan over de toekomst van de eigen financiële situatie. 64 procent ziet de Hollandse staatshuishouding de komende maanden verslechteren, terwijl slechts 29 procent somber is over de eigen huishouding. In die discrepantie zijn Nederlanders zelfs Europees kampioen (p.33). Vreemd is dat. Maar er is nog een discrepantie die opdoemt uit de enquête.

Gevraagd naar de zorgen over de Nederlandse economie noemt men spontaan de crisis, de bezuinigingen, de inkomensongelijkheid en de bonussen. Twee derde van de Nederlanders vindt dat de verschillen tussen arm en rijk in Nederland te groot zijn geworden. Maar liefst 71 procent is het eens met de stelling dat bonussen een slechte zaak zijn. Een meerderheid vindt dat de overheid meer moet ingrijpen in de financiële sector. En er zijn onderhand ook meer mensen die economische groei “slecht voor de samenleving” vinden dan niet (31 tegen 28 procent). Redelijk fundamentele kritiek, zou je denken.

Maar vraag je de Nederlander of er “fundamentele veranderingen” nodig zijn in de Nederlandse economie, dan zegt maar 19 procent ja. 55 procent vind kleinere veranderingen wel genoeg (p.37). Hoe kan dat?

Geluk & bijgeloof

Mark Rutte (clichémannetje tenslotte) had vorig jaar een lekker beeld te pakken met zijn uitspraak dat de overheid geen geluksmachine is. Dat beeld nemen Cretien van Campen en Jeroen Boelhouwer over in de bijdrage vandaag op Sociale Vraagstukken, waarmee ze hun SCP-bundel ‘Sturen op Geluk’ presenteren.

Ze keren hem alleen om: De overheid is allang, nog steeds en voortdurend een geluksmachine.

‘Sturen op geluk’ laat dat zien aan de hand van een reeks aan projecten en beleid van gemeenten, scholen en zorginstellingen. Het is een bonte hoeveelheid, maar een ding valt direct op. De ‘doelgroepen’ van het geluksbeleid hebben vrijwel allemaal zorg nodig: kinderen, zieken, ouderen en sociaal zwakkeren. Dat lijkt logisch – voor volwassenen die geen probleem hebben, hoef je je als overheid of maatschappelijk middenveld niet te gaan uitsloven. Maar bij geluk gaat die vlieger niet op. Je hoeft niet ziek te zijn, of op school te zitten om ongelukkig te zijn.

Blijkbaar ‘stuurt’ de overheid vooral ‘op geluk’ bij groepen aan wie ze toch al aandacht besteedt. Nu bedoelde Mark Rutte met zijn machinemetafoor niet zozeer dat de overheid de zwakkeren moet laten zitten, maar dat succes en welbevinden in het leven primair een eigen verantwoordelijkheid is. Het lijkt er vooral op dat het onderwijs, de zorg en het welzijn aan het sleutelen zijn aan hun doelstellingen – en dat de notie van geluk daarbij helpt. Wat niet slecht is; het sluit aan bij de trend om de ervaring van de afnemers van zorg en onderwijs centraal te stellen.

Hoe blijft de verpleging betaalbaar?

Het gebruik van verpleging en de verzorging voor mensen thuis of in instellingen zal de komende jaren blijven doorgroeien. Van 11 miljard in 2009 zal dit bedrag groeien tot 25 miljard in 2030. Gesteld dat we dit als een probleem zien, wat kunnen we ertegen doen? Een verhoging van de eigen bijdrage zal geen soelaas bieden, menen Evelien Eggink en Debbie Oudijk, beiden werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

In 2009 gebruikten 940.000 mensen een vorm van publiek gefinancierde thuiszorg, verpleeghuiszorg of verzorgingshuiszorg. De vergrijzing zal het beroep op deze zorg opstuwen. Wij hebben becijferd dat er in 2030 intotaal 1,25 miljoen gebruikers kunnen worden verwacht. Dit betekent een stijging van ongeveer 1,5 procent per jaar. De meer intensieve vormen van zorg, met name van de instellingen, zullen sterker toenemen dan de lichtere en goedkopere zorgvormen.

Op basis van de vergrijzing hadden we wel een veel sterkere stijging van het gebruik verwacht. Zo komt de groei van het aantal 65-plussers tot 2030 uit op 2 procent per jaar, en die van het aantal 80-plussers zelfs op 2,5 procent per jaar. Het zorggebruik wordt gedempt doordat ouderen steeds langer in goede gezondheid verkeren en door een hoger inkomen en opleidingsniveau minder afhankelijk zullen zijn van publiek gefinancierde zorg. Bij deze berekeningen is geen rekening gehouden met moeilijk te voorspellen effecten van beleid of veranderde voorkeuren van gebruikers.

Vorige Volgende