Het wordt dus een minderheidskabinet van D66, VVD en CDA met samen 66 zetels. Een typisch symptoom van politieke uitputting. Dat het als serieuze optie wordt gepresenteerd, zegt minder over bestuurlijke moed dan over de mate waarin de Nederlandse politiek vastgelopen is in haar eigen uitsluitingslogica. Dit kabinet ontstaat niet omdat het inhoudelijk klopt, maar omdat bijna alles wat wél zou kunnen, vooraf al onbespreekbaar is verklaard, vooral door de VVD, die het formatieproces gijzelde.
Formeel is een minderheidskabinet volkomen legitiem. In de praktijk betekent het dat het kabinet structureel afhankelijk wordt van partijen die het zelf niet wil omarmen, maar wel nodig heeft om te overleven. Dat vergt openheid, onderhandelingsbereidheid en een zekere ideologische bescheidenheid. Precies die eigenschappen ontbreken bij de drie partijen die hier samen optrekken. De VVD wil regisseren zonder toe te geven. D66 wil hervormen maar weet niet waar voldoende medestanders te vinden zijn. Het CDA wil relevant blijven maar weigert te kiezen. Samen leveren ze geen experimentele bestuursvorm op, maar een permanente formatiefase.
Wat hier verkocht wordt als pragmatisme, is in werkelijkheid het ontlopen van politieke verantwoordelijkheid. Dit kabinet heeft geen gezamenlijk verhaal over de richting van het land. Er is geen gedeelde analyse van de crises die spelen, alleen een gedeelde wens om niet opnieuw te hoeven onderhandelen met partijen die inhoudelijk of electorale risico’s opleveren. Dat leidt tot beleid dat per dossier moet worden bijeengeschraapt, met wisselende meerderheden en steeds weer nieuwe concessies. Besturen wordt zo een tactisch spel, geen politieke keuze.
Het verhaal wordt misschien dat dit minderheidskabinet de Kamer meer macht geeft. In theorie klopt dat. In de praktijk verschuift de macht niet naar het parlement, maar naar de meest wispelturige middengroepen binnen dat parlement. Beleidsvoorstellen worden afgezwakt nog vóór ze zijn ingediend, uit angst om ergens een stem te verliezen. Het resultaat is geen levendige parlementaire democratie, maar bestuurlijke verlamming die zich uit in het niet in staat zijn door te pakken op belangrijke thema's die al decennia liggen.
Voor D66 is dit een riskante gok. De partij legitimeert een kabinet waarin zij structureel zal moeten inleveren op precies die dossiers waarmee zij zich onderscheidt. Institutionele hervormingen, klimaatbeleid en rechtsstatelijke principes worden inzet van onderhandeling in plaats van uitgangspunt. De VVD krijgt de ruimte om verantwoordelijkheid te dragen zonder zich te hoeven binden aan harde keuzes. Het CDA tenslotte bevestigt zijn nieuwe rol als elastiekpartij, rekbaar genoeg om overal tussen te passen, maar te vaag om richting te geven.
Dit minderheidskabinet is geen experiment dat voortkomt uit visie, maar een noodverband dat als oplossing wordt gepresenteerd. Het doorbreekt de patstelling niet, het formaliseert haar. Falen is geen optie, maar een zekerheid.